Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 10a – Het laatste jaar I

Leesfragment

HOOFDSTUK 1 – D-Day / De Geallieerde doorbraak

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10a – dr. L. de Jong

D-Day was de gebruikelijke term waarmee in de Geallieerde militaire planning de eerste dag van een groot offensief werd aangeduid – Decision Day, Dag der Beslissing. Met betrekking tot de grote Geallieerde landingen in Normandië kreeg die term een speciale geladenheid. Velen hadden de overtuiging dat op die dag inderdaad een beslissing van wereldhistorische betekenis zou vallen: als de landingen slaagden, zou zonneklaar zijn dat in de al bijna vijf jaar woedende tweede wereldoorlog de eindfase aangebroken was. Hoe werd naar dat laatste met brandend verlangen uitgezien door de volkeren van het Britse Gemenebest, de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie en, intenser nog, door de volkeren van bezet Europa! Zij hadden lang, voor hun gevoel veel te lang, op D-Day moeten wachten. Zij overzagen de factoren niet die de Geallieerde strategie bepaalden, zij beseften de problemen niet van de gigantische militaire operatie welke op de 6de juni 1944 werd ingezet – de meest gecompliceerde en dus tegelijk de meest hachelijke die waar ter wereld ooit was ondernomen.

Hitler en de zijnen waren vastbesloten de grote strijd voort te zetten, al was ook Duitslands belangrijkste bondgenoot Japan op het immense strijdtoneel van de Stille Oceaan duidelijk in het defensief gedrongen en al had ook Duitsland-zelf, na de formidabele overwinningen in de eerste oorlogsjaren, op alle fronten zware klappen moeten incasseren.

Ter zee was het U-Boot-gevaar in de tweede helft van ’43 goeddeels bedwongen, de weinige zware eenheden waarover de Kriegsmarine nog beschikte, waagden zich niet langer buitengaats.

In de lucht hadden de Geallieerden in de lente van ’44 boven West- en Centraal-Europa de superioriteit bevochten, medio mei hadden de steeds overdag opererende zware bommenwerpers van de op de Britse eilanden gestationeerde Amerikaanse Eighth Air Force een systematisch offensief ingezet op de Duitse installaties voor het vervaardigen van synthetische benzine en op de Duitse aardolie-raffinaderijen; aan dat offensief zouden spoedig ook de zware bommenwerpers van Bomber Command van de Britse Royal Air Force gaan deelnemen. Die Britse bommenwerpers hadden tevoren slechts bij nacht kunnen opereren en toen de centra van reeksen Duitse steden in puin gelegd, maar de verzwakking van de Luftwaffe had het hun sinds enkele maanden mogelijk gemaakt, overdag doelen aan te vallen die niet al te diep in Frankrijk waren gelegen.

Te land had Duitsland aan het Oostelijk front, waar het met ca. drie-vijfde van het totaal van zijn 285 divisies het Rode Leger trachtte tegen te houden, bloedige verliezen geleden en belangrijke gebieden moeten ontruimen. Zijn bondgenoot Finland was in het nauw gebracht; begin ’44 had de Duitse Heeresgruppe Nord het gebied bij Leningrad moeten prijsgeven om terug te vallen tot bij de grenzen van Estland en Letland; de Heeresgruppe Mitte had zich slechts in een deel van West-Rusland kunnen handhaven; de Heeresgruppe Süd had zich uit de Krim en de gehele Oekraïne moeten terugtrekken en in april ’44 had het Rode Leger al een brede grensstrook van Duitslands bondgenoot Roemenië in handen gekregen. Op de Balkan en in Griekenland, de Griekse eilanden inbegrepen, bevond zich een tiende van alle Duitse landstrijdkrachten: 25 divisies, van welke een groot deel op het Griekse vasteland maar vooral in Joegoslavië gebonden was door de strijd tegen de partisanen. In Italië (begin september ’43 had de na Mussolini’s afzetting gevormde regering van maarschalk Badoglio zich bij de Geallieerden aangesloten) had Generalfeldmarschall Kesselring zich van de herfst van ’43 af kunnen handhaven achter de dwars over de Apennijnen aangelegde Gustav-Linie maar hij was daar in mei ’44 uit verdreven (hij commandeerde toen 27 Duitse divisies) en op 4 juni, twee dagen vóór D-Day, was Rome bevrijd.

Al deze feiten en omstandigheden lieten, leek het, slechts één conclusie toe: de balans van krachten was definitief ten nadele van Duitsland doorgeslagen en Duitsland was ook het strategisch initiatief kwijtgeraakt waarvan het vooral in de jaren ’39, ’40 en ’41 zozeer had geprofiteerd.

Had het nog kans de oorlog te winnen? ‘Winnen’ leek uitgesloten, maar Hitler die van zijn hoofdkwartier in Oost-Pruisen uit persoonlijk alle belangrijke beslissingen nam, klampte zich vast aan de hoop dat, als de oorlog maar voldoende werd gerekt (geen Duitse divisie mocht, waar dan ook, terugtrekken zonder dat hij er verlof toe had verleend), zich vroeg of laat fundamentele onenigheid zou voordoen tussen enerzijds de Sowjet-Unie, anderzijds Engeland en de Verenigde Staten. Hij koesterde bovendien hoge verwachtingen van de snelle Duitse straaljagers welke in de zomer van ’44 zouden kunnen worden ingezet, en vooral van de eerste Duitse Vergeltungs-Waffen: de V-1’s (‘vliegende bommen’) welke van medio juni af in grote getale op Londen gelanceerd zouden worden, en de V-2’s (lange-afstands-raketten) waarvan terzelfdertijd de serieproductie op gang zou komen. Hij had in West-Europa 54 divisies gestationeerd waaronder 9 tankdivisies, Panzerdivisionen, en hij vertrouwde dat de Geallieerden, zo zij al ergens aan land zouden kunnen komen, weer de zee zouden worden ingedreven; dat was de opdracht welke hij had gegeven aan Generalfeldmarschall Rommel, eertijds bevelhebber van het Duitse Afrika-Korps, die zich van eind ’43 af op de perfectionering van de verdediging van Europa’s Westkust had geconcentreerd; onder Generalfeldmarschall von Rundstedt, Oberbefehlshaber West, was Rommel bevelhebber van de Heeresgruppe B welke in Noordwest-Frankrijk was opgesteld.

Tot die Heeresgruppe behoorden twee Duitse legers: het Zevende en het Vijftiende; het Zevende bewaakte de kusten van Bretagne en Normandië, het Vijftiende het kustgedeelte van de Seine tot aan het Nauw van Calais. Aan die zeestraat, waar het Kanaal het smalst is en de Geallieerde jagers en jager-bommenwerpers dus aan de landingstroepen de grootste steun zouden kunnen bieden, werd door de Duitse legerleiding de eerste en in elk geval de sterkste en gevaarlijkste Geallieerde aanval verwacht – een misvatting waarin zij maandenlang waren gesterkt door ingenieuze misleiding vooral van Britse kant.

Het Geallieerde aanvalsplan was gericht op de verovering, zo spoedig mogelijk, van één of meer havens met een aanzienlijke capaciteit – grote operaties op het Continent zouden ondenkbaar zijn als men (daar hing eigenlijk alles van af) de toevoer niet goed zou kunnen regelen. De Normandische stranden boden het grote voordeel dat men na enige tijd (zie kaart I op pag. 7) de havencomplexen òf van Cherbourg òf van Le Havre/Rouaan in handen zou kunnen krijgen. Na hoeveel tijd? Dat wist niemand met zekerheid en er zouden in Cherbourg, Le Havre en Rouaan stellig uitgebreide opruimings- en herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd; vandaar dat in ’43 besloten was tot de constructie van twee grote kunstmatige havens: Mulberry A voor de sector waar in eerste instantie het Amerikaanse Eerste-, Mulberry B voor die waar het Britse Tweede Leger aan land zou gaan, de Amerikanen op D-Day met twee divisies, de Britten met drie; de voorhoede van elke divisie diende op die dag een kustgedeelte te veroveren van ongeveer anderhalve kilometer breed maar die gedeelten moesten voor het vallen van de duisternis onderling verbonden zijn en landinwaarts uitgebreid zodat de Britse generaal Montgomery die onder de Geallieerde opperbevelhebber, de Amerikaanse generaal Eisenhower, tijdens de gehele eerste fase van de veldtocht in Europa leiding zou geven aan de operaties van alle Geallieerde troepen, na afloop van D-Day de beschikking zou hebben over een ruim bruggehoofd; de twee naastbijgelegen Normandische steden, Bayeux en Caen, dienden dan bevrijd te zijn. Tot de vorming van dat uitgebreide bruggehoofd moest een wezenlijke bijdrage geleverd worden door Geallieerde parachutisten en luchtlandingstroepen: een Britse Airborne-divisie welke ten noordoosten van Caen aan de grond moest komen, en twee Amerikaanse Airborne-divisies die belangrijke punten aan de voet van het schiereiland Cotentin in handen dienden te krijgen.

Aanvankelijk waren de Geallieerden van plan, begin mei de grote sprong over het Kanaal te wagen. Dat hadden zij eind ’43 op de conferentie van Teheran aan Stalin toegezegd; meer nog: zij hadden de Russische oorlogsleider ook beloofd dat het dan zou komen tot een grote landing aan de Franse Middellandse Zeekust. In de eerste maanden van ’44 was evenwel gebleken dat er niet voldoende landingsvaartuigen waren om beide operaties tegelijk uit te voeren; ook had zich bij de uiterst gecompliceerde voorbereiding van de landing in Normandië allerlei vertraging voorgedaan, zodat de aan Stalin genoemde datum, 1 mei ’44, verstreek zonder dat de grote actie werd ingezet. Begin juni was de stand van de maan en waren de getij-omstandigheden in het Kanaal opnieuw van dien aard dat zij de landingsoperaties mogelijk maakten. Maar het weer? Harde wind of storm zouden een streep trekken door de luchtlandingen en het de honderden in eerste instantie in te zetten landingsboten onmogelijk maken in goede orde de stranden te naderen.

Het weer in het Kanaal was in de eerste dagen van juni uitgesproken slecht, maar toen het er op zondagavond 4 juni naar uitzag dat zich dinsdag een tijdelijke weersverbetering zou gaan aftekenen, besliste Eisenhower zondagavond tegen tien uur dat D-Day op die dinsdag zou vallen. De troepen, voorzover niet al ingescheept, gingen maandag aan boord, enorme convooien, voorafgegaan door tientallen mijnenvegers en gedekt door honderden grotere en kleinere oorlogsschepen, zetten langzaam koers in de richting van de Normandische stranden. Geallieerde jagers droegen er zorg voor dat geen enkel Duits verkenningstoestel tot boven het Kanaal doordrong en er waren uitgebreide maatregelen genomen om de Duitse radarposten uit te schakelen dan wel te misleiden.

Maandagavond om kwart over tien, toen de transporttoestellen met de eerste Amerikaanse parachutisten op vliegvelden in Zuid-Engeland begonnen op te stijgen, vernamen von Rundstedt en de bevelhebber van het Duitse Vijftiende Leger dat de Britse Special Operations Executive naar zijn agenten in Frankrijk een bericht had laten uitgaan dat er op leek te wijzen dat de Geallieerde invasie binnen 48 uur op handen was. De Heeresgruppe B werd gewaarschuwd. Het Duitse Vijftiende Leger werd door zijn bevelhebber onmiddellijk in staat van alarm gebracht, het in Normandië staande Zevende Leger niet; integendeel, in de dagorders van de staf van het Zevende Leger was aan de legerkorpsen bevolen dat bij wijze van oefening in de nacht van 5 op 6 juni de staat van alarm moest gelden – die oefening werd afgelast.

D-Day1

In de nacht van 5 op 6 juni werden de zeven zware Duitse kustbatterijen die de Geallieerde vlooteenheden en landingsschepen onder vuur konden nemen, van kwart over drie tot vijf uur (dubbele Britse zomertijd, eigenlijk dus van kwart over één tot drie uur) door Bomber Command geteisterd; elke batterij werd door ca. 500 ton aan bommen getroffen. Om acht minuten over vijf ontstaken Britse dwerg-onderzeeërs zeewaarts een groen licht aan twee van de drie stranden waar de Britse divisies aan land zouden gaan; korte tijd later werd elk strand door zulk een licht gemarkeerd. Om half zes begonnen de zware Geallieerde vlooteenheden aan een intensieve beschieting van alle Duitse kustbatterijen en verdere versterkingen, grote en kleine – de meeste werden grondig vernield. Precies om half zeven (H-Hour) moesten de eerste Amerikaanse, precies om half acht de eerste Britse troepen voet aan wal zetten. In woelig water legden de Amerikanen de laatste zestien kilometer, de Britten de laatste tien in landingsboten af. Het was bewolkt, er stond nogal veel wind; veel militairen werden zeeziek. Tot tien minuten voor de twee H-Hours (het was toen al volop licht geworden) werden de Duitse kustversterkingen van grote hoogte door zestienhonderd Amerikaanse bommenwerpers aangevallen. Vijf minuten voor de twee H-Hours tenslotte opende raketgeschut dat op een aantal landingsboten was geplaatst, het vuur op wat nog van de Duitse stellingen restte; in anderhalve minuut werden veertigduizend raketten gelanceerd; hun uitwerking werd nog versterkt door granaten, uit de landingsboten afgeschoten door mortieren. Aan boord van weer andere landingsboten bevonden zich van luchtpijpen voorziene tanks die al begonnen te vuren nog voordat, dichtbij de vloedlijn, de boegdeuren van hun landingsschepen omlaag geklapt werden. Die tanks reden door de branding de stranden op, gevolgd door infanteristen die er doorheen waadden; sommige tanks raakten vast op obstakels die de Duitsers hadden aangebracht. Er ontploften hier en daar mijnen en ook Duitse granaten en kogels troffen hun doel; daar waar de infanteristen, door wat voor oorzaak ook, niet door tanks werden gesteund, waren de verliezen ontstellend hoog.

Aan enkele kustgedeelten was van de Duitse verdediging aanvankelijk niet veel meer over maar er arriveerden spoedig versterkingen. Aan het meest oostelijke van de twee voor de Amerikanen gereserveerde stranden hadden de Geallieerde zware bommenwerpers als gevolg van het dichte wolkendek hun doelen goeddeels gemist – de voorhoede van een van de twee Amerikaanse divisies had de gehele 6de juni door de grootste moeite om te voorkomen dat zij de zee in werd gedreven. Ook het ingrijpen van de Geallieerde parachutisten en luchtlandingstroepen bleek minder effectief dan men had gehoopt; van de Britse divisie werd twee-vijfde geïsoleerd en de militairen van de twee Amerikaanse divisies raakten bij het afspringen respectievelijk landen zo verspreid dat zij niet veel kracht konden ontwikkelen. Aan het einde van D-Day hadden de Geallieerde troepen, hoeveel steun zij ook hadden gekregen van de Geallieerde jagers en jagerbommenwerpers en vooral van de torpedobootjagers welke zich vlak onder de kust waagden, niet in de verste verte het ruime bruggehoofd gevormd dat Montgomery als hun doel had aangegeven; aan de Amerikaanse sector bevond de linkervleugel zich in een hachelijke positie en aan de Britse waren (zie kaart I) Bayeux en Caen nog stevig in Duitse handen. Met dat al waren toch op die ene dag 156.000 Geallieerde militairen aan land gekomen: 8000 Britse en 15.000 Amerikaanse Airbornes alsmede 58.000 Amerikaanse en 75.000 Britse andere militairen: van die 156.000 waren bijna 10.000 gesneuveld of zodanig gewond geraakt dat zij niet langer aan de strijd konden deelnemen. Die verliezen waren, hoewel niet gering, toch minder zwaar dan men had gevreesd; in elk geval was in de Atlantikwall welke Hitler ter bescherming van de Festung Europa sinds de lente van ’42 had laten aanleggen, een eerste bres geslagen. Dat gaf hoop.

Het was ook in bezet Nederland op die 6de juni slecht weer: er stond een harde westenwind, het was zwaarbewolkt, af en toe plensde de regen neer. Mede daardoor kwam het bericht dat eindelijk de grote invasie was ingezet, als een verrassing; evenals de Duitsers hadden de meeste Nederlanders verwacht dat het pas tot die invasie zou komen als in West-Europa een periode van goed weer was aangebroken.

De BBC maakte des ochtends om half tien bekend dat Geallieerde strijdkrachten in Normandië waren geland; in een uitzending van het Nederlands Nieuws van de BBC werd bovendien enkele keren een korte, tevoren op een grammofoonplaat vastgelegde oproep van minister-president Gerbrandy uitgezonden die de bevolking aanspoorde zoveel mogelijk passief verzet te plegen maar zich van openlijk verzet te onthouden; ‘zodra’, zei Gerbrandy, ‘krachtiger actie van de bevolkingen der tijdelijk bezette gebieden verwacht wordt, zal dit ondubbelzinnig worden gezegd. Wat de leden der actieve verzetsgroepen betreft, zij hebben’, voegde hij nog toe, ‘hun eigen instructies en weten hoe te handelen.’2 Als onderdeel van de Geallieerde misleidingstactiek werd voorts een waarschuwing van Eisenhowers staf ten gehore gebracht welke inhield dat het ook in Nederland in het gebied tot vijf-en-dertig kilometer achter de kust tot zware bombardementen kon komen; in dat geval zou de bevolking een uur tevoren door middel van luchtpamfletten gewaarschuwd worden en zij zou dan alle steden onmiddellijk tot op minstens twee kilometer afstand moeten verlaten. De Londense berichtgeving was die dag terughoudend. De schaarse cijfers werden genoemd die Churchill in het Lagerhuis had bekendgemaakt: meer dan vierduizend schepen waren tezamen met enkele duizenden landingsvaartuigen het Kanaal overgestoken, elfduizend Geallieerde vliegtuigen waren daarbij ingezet. ‘Iedere gedachte aan de trompetten van de muren van Jericho moeten we’, zei ‘de Rotterdammer’ (H.J. van den Broek) in de avonduitzending van Radio Oranje, ‘zien kwijt te raken … Wij zullen ons niet overgeven aan voorbarig optimisme.’

Het was een verstandig advies. Sloeg het in bezet gebied aan? Wij betwijfelen het. Toen daar in de loop van de ochtend van mond tot mond werd doorgegeven dat de Geallieerden in Frankrijk waren geland, kwam het op vele plaatsen tot opgewonden reacties; men schreeuwde elkaar het grote nieuws toe en een zwerm van optimistische geruchten vloog op: niet alleen in Normandië zouden de bevrijders zijn geland, maar ook aan het Nauw van Calais, ja in België. Velen verwachtten dat het binnen korte tijd tevens in Nederland tot gevechtshandelingen zou komen en dat de bevrijding en het herstel van normale toestanden niet lang op zich zouden laten wachten. Wie het betalen kon, ging tot extra inkopen over (op 6 juni en volgende dagen werd in de levensmiddelenwinkels een derde meer gekocht dan normaal) en de prijzen op de zwarte markt daalden gevoelig. Velen van diegenen die nog een radio in bezit hadden (de meeste Nederlanders hadden in de zomer en herfst van ’43 krachtens Duits bevel hun toestel ingeleverd), waren na afloop van de werkdag niet van het apparaat weg te slaan. ‘Van zes tot kwart over tien hebben we’, noteerde een vooraanstaand illegaal werker in zijn dagboek,

‘vrijwel ononderbroken Londen gehoord. Duits, Nederlands, Frans, Engels en weer Duits – gretig verslinden we de nieuwste berichten … ‘Lieve Here, wilt U de Tommies helpen, om Jezus’ wil, Amen!’ – kleine Maarten en Johan hebben het bij hun avondgebedje niet vergeten. En met de dichter van de tiende Psalm gaat ons geroep op tot Hem, Die deze aarde heeft tot een voetbank Zijner voeten. ‘Sta op, Here God, hef Uwe hand op … Breek de arm des goddelozen en bozen!’ ’3

In die geest werd die avond, zo veronderstellen wij, door miljoenen Nederlanders gebeden.

De bezetter, aan wie de vreugde-uitlatingen van de bevolking uiteraard niet onbekend bleven, nam op die 6de juni slechts één aanvullende publieke maatregel: teneinde het ontstaan van oplopen te voorkomen, verbood hij het ophangen van krantenbulletins; die bulletins hadden aan het einde van de middag al tot samenscholingen geleid.4 Veel Duitsers waren even benieuwd naar nader nieuws als de meeste Nederlanders. Dat nadere nieuws verwachtten die Duitsers in de eerste plaats van Londen en het strikte verbod om naar vijandelijke radio-uitzendingen te luisteren, werd door hen dan ook druk overtreden. Een illegale werker die op die ochtend in het Arnhemse bureau van de ‘SD’ werd verhoord, constateerde er ‘een zenuwachtig geloop en gedrentel, een voortdurend hakkengeklap, fluisteren en het komen en gaan van allerlei ongure typen’ (vermoedelijk waren dat V-Männer die kwamen informeren of het nieuws van de Geallieerde invasie juist was). ‘Uit alle bureaus hoorde ik op de bewuste uren het stompzinnige gereutel der Duitse stoorzenders klinken. De Deutsche Sicherheitsdienst stelde dus blijkbaar meer vertrouwen in de berichtgeving van de onvolprezen British Broadcasting Corporation dan in de sprookjes van het Oberkommando der Wehrmacht.’5 Op datzelfde ‘SD’-bureau moest zich die ochtend de korpschef van de Harderwijkse politie vervoegen. ‘Het is’, schreef hij die avond,

‘juist tien uur als ik bij de Untersturmführer Breit voor de schrijftafel plaats neem … Het gesprek is nauwelijks een minuut oud als de telefoon … rinkelt. Breit grijpt de hoorn en luistert ambtshalve, maar plotseling springt hij van zijn stoel op en schreeuwt terug: ‘Was? Invasion? Wo? Dünkirchen?’ Dan, tot mij: ‘Die Engländer sind da!’ en met een klap smijt hij opgewonden de hoorn op de haak … Daarop vliegt hij de gang op en schreeuwt: ‘Invasion! Du, Hans, die Invasion hat begonnen!’ Eerst wanneer ‘Hans’ in de kamer is en met Breit een beetje uitgelaten gaat doen, kan ik eveneens aan mijn vreugde uiting geven. Zij zijn blij vanwege de kans, nu eindelijk eens met de Engelsen te kunnen afrekenen, zo in de stemming van: ‘Ganz gleich wo er’ [d.w.z. de tegenstander] ‘sich den nächsten Platz aussucht, er kann überall von Glück reden, wenn er neun Stunden an Land bleibt!’ ’6

Herinnerde Rauter zich die zelfverzekerde woorden nog welke Hitler in september ’42, kort na de Geallieerde proef-landing bij Dieppe, publiekelijk uitgesproken had? Wij weten het niet – wèl dat de Höhere SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen er op die 6de juni van overtuigd was dat het niet bij die ene landing in Normandië zou blijven. ‘Wir rechnen damit’, schreef hij die dag aan een jeugdvriend in Oostenrijk,

dass weitere Kampfhandlungen an der ganzen Westküste folgen werden, dass der Gegner die ganze Küstenfront abtasten wird bis er glaubt, einen weichen Punkt gefunden zu haben, um dann den Schwerpunkt des Angriffs dorthin zu lenken. Wir werden dann auch im niederländischen Küstenraum harte Kämpfe zu bestehen haben.7

Niet zonder tevredenheid constateerde Rauter dat het op D-Day en de ochtend van de volgende dag in bezet gebied over het algemeen rustig bleef. Hij zond in de middag van de 7de per telex een spoedrapport aan Himmler. ‘Solange nicht Angriffe in Belgien oder Holland erfolgen, wird’, aldus zijn opinie, ‘die Ruhe im wesentlichen kaum gestört werden.’8

Twee dagen later, 9 juni, waren het de Duitsers-zelf die opwinding veroorzaakten.

Op 8 juni kreeg von Rundstedts staf de indruk dat een aan een luchtlanding in het centrum van Nederland gekoppelde landing op de Nederlandse kust dreigde. Wehrmachtbefehlshaber Christiansen ontving bevel, onmiddellijk het z.g. Neue Landfront te bezetten: dat was een van het IJsselmeer tot de Lek gelegen verdedigingslinie welke de functie had, het gebied ten westen van de linie (zij was ingekort doordat vooral in de Utrechts-Zuidhollandse grensstrook in de eerste maanden van ’44 grote gebieden onder water waren gezet) te beschermen tegen Geallieerde luchtlandingstroepen indien deze beoosten die linie zouden landen en naar het westen zouden trachten door te breken. Aan dat Neue Landfront werden bruggen en bunkers bezet door in Nederland aanwezige Duitse opleidingseenheden, hier en daar werden ook burgers gevorderd om graafwerk te verrichten. Deze voorzorgsmaatregelen werden alleen in het betrokken vrij beperkte gebied door de burgerij opgemerkt, maar op 9 juni kwam het tot Duitse maatregelen welke praktisch in het gehele land de aandacht trokken. In de vroege ochtend deed von Rundstedt aan Christiansen weten dat de grote Geallieerde landingen in Nederland zich wellicht de volgende dag zouden voordoen. Des ochtends om kwart voor negen liet Christiansen een soort voor-waarschuwing uitgaan naar de staven van alle Duitse militaire eenheden. Dit betekende dat die eenheden overal in het land voltallig geformeerd moesten worden en met kleine groepjes bepaalde punten moesten bezetten. Er werden ordonnansen op uitgezonden om afwezigen op te halen. ‘De militairen die in de bioscoop zaten’, aldus een verslag uit Meppel (maar het zal elders waar Duitse troepen lagen, wel niet anders zijn gegaan),

‘vlogen er uit. Ze werden op post gezet: op het station, bij de overwegen, het viaduct, enz. Er werden versterkingen gegraven. De mensen komen allen uit de huizen en de hele stad is gek … Welig tiert het gerucht: ‘Zij komen! De Engelsen zijn al bij Hoek van Holland! Ze stomen de Kieler Bocht binnen!’ ’9

Misleid door een schijnboodschap aan de Belgische illegaliteit, gelastte von Rundstedt op de avond van diezelfde dag, 9 juni, Alarmstufe II voor zijn gehele gezagsgebied.10 Als uitvloeisel daarvan werd in Nederland de gehele straatverlichting (die van zwakke, slechts naar beneden schijnende lampen gebruik maakte) gedoofd11, werden bij de Nederlandse Arbeidsdienst (voor de Duitsers een belangrijk reservoir aan krachten die men aan het graven kon zetten) alle verloven ingetrokken, werden alle z.g. Hulplandwachters (‘foute’ elementen, hoofdzakelijk NSB’ers, die niet tot het beroepsgedeelte van de Nederlandse Landwacht behoorden) in dienst geroepen en moesten zich aan Duitse kant de ca. vijfduizend mannelijke burgers melden die deel uitmaakten van de z.g. Schutzgruppen. Wie die Hulplandwachters of de tot de Schutzgruppen behorende Rijksduitsers haastig in uniform hun woningen zag verlaten, nam aan dat grote dingen op til waren. Nieuwe geruchten gingen de ronde doen, bijvoorbeeld dat voor IJmuiden een grote zeeslag woedde. Niet alle geruchten klonken overigens opwekkend. ‘In vele huizen’, noteerde een Rotterdammer op 10 juni, ‘zouden de Duitsers dynamiet of een vat benzine klaar hebben liggen om voor het geval ze terug zouden moeten trekken, nog zoveel mogelijk schade te kunnen aanrichten!’12

Wir erwarten täglich’, schreef Rauter drie dagen later aan Himmlers Beauftragter in Albanië, ‘einen zweiten oder dritten Angriff auf die seeländischen Inseln oder Rotterdam. Wir sind auf der Lauer!13 Veiligheidshalve besloot Schöngarth, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (op hem komen wij in het volgende hoofdstuk terug), het grootste gedeelte van zijn staf uit Den Haag naar een aantal haastig ontruimde villa’s in Zeist te verplaatsen (het Judenreferat, IV B 4, wàs al verplaatst naar Velp), en voorts werd aan Duitse kant ernstig overwogen, machines en personeel van de drukkerij Joh. Enschedé & Zonen (het bedrijf waar o.m. alle bankbiljetten en distributiebescheiden vervaardigd werden) uit Haarlem over te brengen naar Groningen; die verplaatsing ging tenslotte niet door omdat elke stagnatie in het regelmatig drukken vooral van de bankbiljetten ongewenst werd geacht. Het kwam wèl tot een andere verplaatsing, medio juni al: van de vijf Duitse divisies welke, alle dichtbij de Noordzeekust geconcentreerd, een Geallieerde landing moesten afslaan, werd één, de 16te Luftwaffe-Felddivision (een divisie, grotendeels bestaande uit militairen die ten behoeve van de Luftwaffe gemobiliseerd waren maar voor wie binnen dat wapen geen emplooi was), naar Noord-Frankrijk overgebracht om er toegevoegd te worden aan het Duitse Zevende Leger dat er in Normandië maar niet in slaagde, de Geallieerde strijdmacht de zee in te drijven.

De ‘neun Stunden’ waarvan Hitler in september ’42 had gerept, waren al negen dagen geworden en het Geallieerde bruggehoofd was groter geworden, zij het in een veel langzamer tempo dan waarop Eisenhower en Montgomery hadden gerekend.

Moeizame strijd

Aan Montgomery stond helder voor ogen wat hij in Normandië wilde bereiken. Van eind ’42 af had hij in Noord-Afrika en vervolgens op Sicilië en in Italië het Britse Achtste Leger van overwinning tot overwinning geleid, keer op keer beslissingen nemend die getuigden van een zuiver inzicht hoe de vijand op zijn acties zou reageren. Dat voorzag hij ook in Normandië; hij was er van overtuigd dat het Duitse Zevende Leger en later ook het Vijftiende de sterkste druk zouden gaan uitoefenen op de voor de Duitsers gemakkelijkst bereikbare sector van het Geallieerde bruggehoofd: de oostelijke, waar zich aanvankelijk het Britse Tweede Leger en vervolgens ook het Canadese Eerste Leger, zou bevinden (tezamen zouden die twee legers de 21st Army Group vormen). Hij had derhalve besloten, zijn uiterste best te doen, de Duitsers er toe te bewegen om wat zij aan krachten konden aantrekken, naar die oostelijke sector te dirigeren; daar zou hij betrekkelijk passief blijven, althans geen hardnekkige pogingen ondernemen om het Duitse front te doorbreken. In die tijd moest het Amerikaanse Eerste Leger aan de westelijke sector zich meester maken van de havenstad Cherbourg en nadien alle krachten concentreren voor een grote doorbraak waaraan ook het Amerikaanse Derde Leger zou gaan deelnemen; hij vertrouwde dat het Eerste en het Derde Leger, samen de 12th Army Group vormend, er onder leiding van de Army Group-bevelhebber, General Omar N. Bradley, in zouden slagen, een groot deel van het Duitse Zevende en Vijftiende Leger en van wat er verder aan Duitse eenheden naar Normandië gezonden zou zijn, te omsingelen – zij zouden dan door de 12th en de 21st Army Group samen vernietigd worden.

Bij het systematisch volgen van dit van fantasie getuigende, ambitieuze plan had Montgomery op het gebied van de geheime inlichtingen een immense voorsprong op zijn tegenstanders von Rundstedt en Rommel. Wel hadden militairen van de Wehrmacht op de avond van 6 juni in een lege Amerikaanse landingsboot en op die van de 7de op het lijk van een Amerikaanse officier papieren gevonden die hun geleerd hadden, welke Amerikaanse eenheden aan de eerste fase van de invasie deelnamen, en dat (zulks lag trouwens voor de hand) Cherbourg een van de eerste aanvalsdoelen was van het Amerikaanse Eerste Leger, maar von Rundstedt en Rommel konden met die kennis weinig doen en veel betrouwbare nieuwe inlichtingen kregen zij niet, vooral niet over de versterking van de Geallieerde landingslegers. Uit Engeland kwamen bij de Duitsers louter misleidende berichten binnen welke inhielden dat zich bij Dover een geheel verse Geallieerde legergroep, de 1st Army Group, gecommandeerd door General George S. Patton (deze was in werkelijkheid bevelhebber van het Amerikaanse Derde Leger), gereedmaakte om het Nauw van Calais over te steken teneinde het Duitse Vijftiende Leger aan te vallen; er zouden ruim zes weken verlopen voordat Hitler (die ook al de overtuiging had gekoesterd dat de Geallieerde landingen in Normandië een afleidingsmanoeuvre waren geweest14) verlof verleende, een tot het Vijftiende Leger behorende Panzerdivision aan het Zevende Leger toe te voegen. Omgekeerd waren de Geallieerde bevelhebbers en hun hoogste stafofficieren er niet alleen door ‘ouderwetse’ spionage precies van op de hoogte, waar zich in West-Europa welke Duitse divisies bevonden (zo werd bijvoorbeeld de verplaatsing van de 16te Luftwaffe Feld-Division uit Nederland door de Nederlandse spionagegroepen terstond naar het Bureau Inlichtingen te Londen geseind en door BI aan de daarvoor in aanmerking komende Geallieerde instanties doorgegeven), maar zij kregen ook onmiddellijk bericht van alle bevelen van Hitler en van bevelen en rapporten van bevelhebbers als von Rundstedt en Rommel voorzover deze per radio doorgegeven waren; gelijk in deel 9 verhaald (in het aan het Englandspiel gewijde hoofdstuk 12), waren de Engelsen in staat, het grootste deel van de machinaal gecodeerde geheime Duitse berichten snel te decoderen. Anders gezegd: Hitler, von Rundstedt en Rommel hadden geen inzicht in het Geallieerde spel maar zolang de radio in het Duitse militaire berichtenverkeer een belangrijke rol speelde, wisten Eisenhower, Montgomery en andere hoge Geallieerde militairen precies welke kaarten hun Duitse tegenstander nog achter de hand had en hoe hij deze dacht uit te spelen. Montgomery kon tijdens de ‘statische’ fase van de strijd in Normandië slechts constateren dat de Duitsers precies deden wat hij had voorzien: de meeste versterkingen die naar het Geallieerde bruggehoofd werden gezonden, kwamen tegenover het Britse Tweede Leger terecht.

Kwamen er terecht, maar niet zonder grote vertragingen. Alle bruggen over de Seine tussen Parijs en Le Havre alsook de bruggen over de Loire tussen Orléans en de Atlantische Oceaan waren al vóór D-Day door de Amerikaanse Eighth Air Force kapot gebombardeerd. Overdag werd vrijwel elke trein en elke colonne vrachtauto’s door Geallieerde jagers en jagerbommenwerpers aangevallen. In de sector van het Duitse Zevende Leger bevonden zich munitie-opslagplaatsen, maar de grootste lagen niet in Normandië, doch in Bretagne. Dat leger had per dag een aanvoer nodig van minstens 3000 ton en wilde het aanvallen, van 4500 ton. Goederenwagons arriveerden niet meer – het Zevende Leger was voor aanvoer van verre spoedig aangewezen op zijn vrachtauto’s; zijn vrachtautopark kon per dag in theorie 1300 ton vervoeren maar in werkelijkheid slechts een kwart daarvan doordat talrijke vehikels in een slechte staat van onderhoud verkeerden en de Franse chauffeurs niet veel hart hadden voor hun werk. Het Vijftiende Leger beschikte over tienmaal zoveel vrachtauto’s maar tot eind juli mocht het Zevende daar niet over beschikken. Daar kwam dan nog bij dat in heel Frankrijk door Franse illegale groepen, met name door die welke van de Britse Special Operations Executive en van generaal de Gaulle’s geheime dienst wapens en sabotagemiddelen hadden ontvangen15, grote activiteit ontplooid werd. Die groepen, op papier van begin juni af samengevoegd in de door de Franse generaal Pierre E. Koenig gecommandeerde Forces Françaises de l’Intérieur (Franse Binnenlandse Strijdkrachten), concentreerden zich van mei af op het saboteren van het Franse spoorwegnet (in de eerste week die op D-Day volgde, respectievelijk in de tweede en derde week samen, werden de Franse spoorwegen telkens op omstreeks duizend plaatsen vernield) – noodlottiger nog voor de Duitsers was de systematische tegenwerking van het Franse spoorwegpersoneel. Het nam de 11te Panzerdivision die een week nodig had gehad om van het Oostelijk front de Rijn te bereiken, drie weken om vandaar naar de buurt van Caen te komen. Voortdurend gehinderd door Franse guerrillagroepen deed de 2te SS-Panzerdivision, die met de modernste Duitse tanks was uitgerust, er zestien dagen over om uit de buurt van Toulouse te arriveren in Normandië.16 Aldus droeg de Franse illegaliteit er in belangrijke mate toe bij dat de Duitsers er niet in slaagden, het Geallieerde bruggehoofd op te ruimen.

Evenwel: niet alleen de Duitsers, ook de Geallieerden hadden moeilijkheden met hun aanvoer. Aan de Normandische stranden namen het overladen van voorraden in landingsschepen en het lossen van de heen en weer varende landingsschepen meer tijd dan berekend was. Het gevolg was dat de kustvaarders die voor het transport over het Kanaal moesten zorgen, aanzienlijk later dan voorzien in de Engelse havens terugkeerden. Daar arriveerden evenwel volgens plan dagelijks nieuwe voorraden en nieuwe troepen. De havens raakten overvol. Op 12 juni was de verwarring er zo groot dat men de troepen die overgezet moesten worden, niet tijdig kon vinden. Op een gegeven moment werden, teneinde verdere opstoppingen te voorkomen, troepen ingescheept zelfs zonder dat men zich de tijd gegund had, te noteren welke eenheden dit betrof – daar vloeide weer tijdverlies aan de Normandische kant uit voort. Het lossen aan de Normandische stranden kon vlotter gaan toen op 16 juni Mulberry A en Mulberry B in gebruik genomen werden. Drie dagen later stak echter een storm op, heviger dan zich sinds veertig jaar in de zomer in het Kanaal had voorgedaan; toen hij op 22 juni uitgewoed was, waren 800 landingsschepen her en der verspreid op de kust gedreven en was Mulberry A, de kunstmatige haven aan de sector van het Amerikaanse Eerste Leger, zodanig verwoest dat men de brokstukken maar goeddeels liet liggen – Mulberry B, de kunstmatige haven aan de sector van het Britse Tweede Leger, kon worden hersteld. De landingen van troepen waren, van D-Day af gerekend, op 22 juni 22% op het schema achter, de landingen van voorraden zelfs 42%. Gelukkig bleek het nadien mogelijk, in een sneller tempo dan men voor mogelijk had gehouden, troepen en voorraden rechtstreeks op de stranden aan land te zetten en ook overtrof Mulberry B de geplande capaciteit; een deel van de achterstand kon aldus worden ingelopen.

Dat laatste bleek hoogst wenselijk want de Duitsers oefenden in de eerste weken een sterke druk op het Geallieerde bruggehoofd uit. Hun tanks en vooral hun mortieren waren beter dan de Geallieerde – aan Geallieerde kant werd tijdens de gevechten in Normandië meer dan twee-derde van alle verliezen geleden door de Duitse mortiergranaten. Af en toe ontstonden kritieke situaties voor de Geallieerde troepen waarin dan vaak alleen het ingrijpen van het scheepsgeschut uitkomst bood. Het bruggehoofd bleef vooral op de Britse sector eng (zie kaart II, waarin het frontverloop op 17 juni wordt aangegeven) – er werden wel voortdurend nieuwe divisies ontscheept, ook die welke tot het Canadese Eerste en het Amerikaanse Derde Leger behoorden, maar de vorming van de hoofdkwartieren van die twee legers werd uitgesteld; er was eenvoudig geen ruimte om met vier legers te gaan opereren. Begin juli waren 32 divisies in het bruggehoofd samengepropt, de helft Amerikanen, de helft Britten en Canadezen. Britten en Canadezen hadden toen nog 6 divisies in Engeland gereedstaan, de Amerikanen 9 – bovendien bevonden zich in de Verenigde Staten 37 divisies die op transport naar Europa wachtten. Maar waar hen te ontschepen? Cherbourg werd op 26 juni door het Amerikaanse Eerste Leger bevrijd (men trof er o.m. honderdveertig Nederlanders aan die voor de Organisation Todt gewerkt hadden17) – de toegangen tot de havens waren er versperd door schepen welke door de Duitsers tot zinken waren gebracht en alle haveninstallaties waren vernield; alleen voor de pakhuizen hadden de Duitsers geen springstof gehad.

Zowel in Engeland als in de Verenigde Staten werd de publieke opinie in de loop van juli merkbaar ongeduldig; het Rode Leger maakte in die tijd snelle vorderingen aan het Oostelijk front (daarover straks meer) – waar bleven de duidelijke Geallieerde overwinningen? Montgomery trok zich van die ongeduldige reacties niets aan. Zijn Duitse tegenstander (Hitler, hoogst verbolgen dat de Wehrmacht er niet in slaagde het Geallieerde bruggehoofd op te ruimen, had begin juli von Rundstedt als Oberbefehlshaber West vervangen door Generalfeldmarschall von Kluge) deed precies wat hij had voorzien: de sterkste Duitse krachten werden aan de sector van het Britse Tweede Leger geconcentreerd. Enkele keren poogde Montgomery naar Caen door te breken maar die offensieve acties faalden; de terreinsgesteldheid (nogal steile heuvels, diepe dalen, talrijke riviertjes, veel bossen, bouwland met hoge heggen, smalle kronkelwegen) was in het voordeel van de verdediger. Wel hadden die offensieve acties van de Britten en de nog onstuimiger acties van de Amerikanen (de Amerikaanse verliezen waren ongeveer anderhalf maal zo groot als de Britse) het voordeel dat de Duitsers hun tanks in kleine groepen bij de verdediging moesten inschakelen zodat de op zichzelf geduchte kracht van de Panzerdivisionen niet geconcentreerd kon worden ingezet.

Het leek alsof het front hopeloos vast zat. Montgomery wist beter. Ook Rommel, von Rundstedt en zijn opvolger von Kluge beseften dat de Geallieerden vroeg of laat de Duitse linies zouden doorbreken en dat dan een situatie zou ontstaan waarin een aanzienlijk deel van de Duitse troepen, gegeven de grote afstanden, hun geringere mobiliteit en vooral het ontbreken van steun door de Luftwaffe, niet zou kunnen ontsnappen; herhaaldelijk drongen zij er bij Hitler op aan, verlof te krijgen tot een georganiseerde terugtocht zodat het Zevende Leger en de geleidelijk arriverende divisies van het Vijftiende mèt de andere ingezette eenheden althans hun cohesie zouden kunnen bewaren, maar Hitler, verstard in zijn concepties, handhaafde zijn eis dat de Duitse troepen zich ter plaatse moesten verdedigen. Hij bleef hopen dat een Duitse tegenaanval in Normandië nog succes zou hebben en hij vreesde dat hij, als hij Normandië prijsgaf, spoedig ook het gebied tussen de Seine en de Belgische grens zou verliezen – gebied dat hem dubbel waardevol geworden was aangezien van daaruit eindelijk een van zijn wensen in vervulling was gegaan: van 15 juni af werden honderden V-1’s gelanceerd in de richting van Londen.

In de zomer van ’43 had Hitler goedgekeurd dat de V-1 (de ‘vliegende bom’) en de V-2 (een lange-afstands-raket) in massaproductie genomen werden. In Noord-Frankrijk werd toen ook begonnen met de bouw van gigantische bouwwerken (de betonnen muren waren 10 meter dik) waarvan er vier voor de assemblage en het opslaan van V-1’s bestemd waren. De bedoeling was dat het offensief op Londen eind ’43 met 5000 V-1’s en 2000 V-2’s zou worden ingezet (Hitler was er van overtuigd dat Londen binnen enkele weken één rokende puinhoop zou zijn en dat de Britse regering om vrede zou smeken) maar als gevolg van de Geallieerde bombardementen op Duitsland en doordat de prototypen voortdurend gewijzigd werden, trad vertraging op bij de productie van onderdelen van de nieuwe wapens.18 De grote bouwwerken in Noord-Frankrijk werden in augustus ’43 door Geallieerde luchtverkenners ontdekt – die verkenners maakten ook foto’s van talloze simpeler bouwwerken, een soort ‘ski-schansjes’, die, zo nam men terecht aan, als lanceerbanen gebruikt zouden worden; de meeste van die ‘ski-schansjes’ waren op Londen gericht, de overige (op het schiereiland Cotentin) op de havenstad Bristol. Al die doelen werden onophoudelijk aangevallen; daartoe werden van begin december ’43 tot midden juni ’44 niet minder dan 25.000 vluchten ondernomen.

Die vluchten hadden, zo schreven wij al in deel 7, in zoverre effect dat General der Artillerie Erich Heinemann, aan wie de operationele inzet van de V-wapens was toevertrouwd, eind december ’43 tot de conclusie kwam dat men de grote bouwwerken en de ‘ski-schansjes’ niet zou kunnen gebruiken. Hij liet ze wel telkens herstellen, maar dat was misleiding. De assemblage van de V-1’s verplaatste hij naar Duitsland en hij liet bij de Franse kust veel simpeler lanceerbanen aanleggen (ruim 40 bij het Nauw van Calais, ruim 20 op het schiereiland Cotentin) die zo goed gecamoufleerd waren dat ze vóór D-Day niet één keer werden gebombardeerd.

Na D-Day konden de lanceerbanen op het schiereiland Cotentin niet in gebruik worden genomen, maar die bij het Nauw van Calais wèl. In de vroege ochtend van 13 juni, precies een week na D-Day, kwamen de eerste vier V-1’s in Engeland neer, op de avond van de 15de werd de massale aanval ingezet: binnen achttien uur werden niet minder dan 244 V-1’s gelanceerd. De Duitse propaganda buitte de inzet van het nieuwe wapen terdege uit, daarbij de suggestie wekkend dat het een beslissende keer in de oorlog teweeg zou brengen (dat werd in Nederland door alle ‘foute’ elementen maar al te graag geloofd) – in werkelijkheid bleef de uitwerking van de V-1’s beperkt. Zeker, Bomber Command werd gedwongen een niet onaanzienlijk deel van zijn krachtsinspanning op de nieuwe lanceerbanen en de depots van de V-1’s te richten (30% in de periode van D-Day tot eind augustus19), en ook werd in Londen schade aangericht en vielen er slachtoffers maar de keer in de oorlog bleef uit. Ca. de helft van de 9000 V-1’s die Heinemann tot 5 september ’44 op Londen liet lanceren20, werden uitgeschakeld (door jagers, door luchtafweergeschut of door de kabels van luchtballons) – de andere helft kwam ergens in de metropool terecht. Daar paste zich het grootste deel van de bevolking snel aan het nieuwe gevaar aan.


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 1 november 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 4,99