← Deel 10b – Het laatste jaar II
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Naar de katastrofe
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b – dr. L. de Jong
In de bewogen septembermaand van 1944, ruim vier jaar na het begin van de Duitse bezetting, had het overgrote deel van de Nederlandse bevolking tweemaal gehoopt en verwacht dat de bevrijding op handen was: op dinsdag 5 september (‘Dolle Dinsdag’) toen zich het bericht had verspreid dat de Geallieerde troepen (zij hadden op zondag Brussel en op maandag Antwerpen bereikt) al tot Breda waren doorgedrongen, en op zondag 17 september toen de Londense radio had meegedeeld dat grote Geallieerde luchtlandingen waren uitgevoerd op Nederlands grondgebied. Beide malen was aan die hoop en die verwachting de bodem ingeslagen en dat was de tweede maal nog harder aangekomen dan de eerste. Toen het bericht van de bevrijding van Breda onjuist was gebleken, had men nog kunnen aannemen dat de Geallieerde strijdkrachten op korte termijn een machtig offensief zouden inzetten teneinde Nederland even spoedig van Duitsers te zuiveren als zij, na de moeizame strijd in Normandië, met Frankrijk en België hadden gedaan, en inderdaad: dat offensief wèrd ingezet – en liep vast op de barrière der grote rivieren. Zouden de Geallieerden de kracht hebben om, voordat de winter inviel, alsnog daar overheen te komen? Menigeen blééf er op hopen maar het werd november voordat de Wehrmacht uit de gebieden aan weerszijden van de Wester-Schelde en uit bijna geheel Noord-Brabant –, december voordat zij uit Limburg bewesten de Maas was verdreven.
Hoogst teleurstellend was dit allemaal voor de ca. zeven miljoen Nederlanders die, in tegenstelling tot de ca. twee miljoen in het Zuiden, onder de Duitse overheersing bleven leven, en teleurstellend niet alleen, ook beangstigend. Al vóór de 17de september namelijk (dag waarop in het begin van de middag de Geallieerde luchtlandingen plaatsvonden en in het begin van de avond de Nederlandse regering via de Londense radio opriep tot een algemene spoorwegstaking) was gebleken dat het beleid van de bezetter een geheel ander karakter begon aan te nemen. In het nog niet bevrijde deel van Zuid-Limburg, in Midden- en Noord-Limburg, in Nijmegen en Arnhem, in de Achterhoek, in Den Bosch en in West Zeeuws-Vlaanderen werden mannelijke personen tussen zestien en vijftig jaar onder bedreiging met ernstige strafmaatregelen bij duizenden opgeroepen om nieuwe Duitse verdedigingslinies aan te leggen (in Zevenaar was bekendgemaakt dat het stadje zou worden platgebombardeerd als zich niet voldoende ‘spitters’ kwamen aanmelden); in het westen des lands werden autobussen en vrachtauto’s, paarden en wagens alsook binnenschepen gevorderd in een haast en op een schaal die men tevoren niet had gekend; in de Zuidlimburgse steenkolenmijnen, basis van de voorziening van Nederland met steenkool en energie, werden de electrische installaties vernield; de grote reserve-voorraden van het rijksbureau voor de distributie van textielgoederen werden op vrachtauto’s geladen en naar Duitsland getransporteerd; uit de Philips-fabrieken te Eindhoven werd een groot deel van de machinerieën geroofd en werden vitale onderdelen weggenomen uit de overige; hier en daar ging de SD1 scherper optreden dan ooit tevoren en in de Zaanstreek werden op persoonlijk bevel van Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer, vier illegale werkers doodgeschoten, wier lijken enige tijd aan de openbare weg moesten blijven liggen. Zeker, veel van die gebeurtenissen raakten niet bekend buiten de steden en streken waar zij zich voordeden, maar dat een nieuwe en extra-moeilijke fase in de bezetting was aangebroken, was aan de gehele bevolking al duidelijk sinds haar op 4 september in het kader van de afkondiging van de z.g. Ausnahmezustand (een Duitse staat van beleg) was gelast, voortaan van acht uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens binnenshuis te zijn. Tot kort voor het einde van de septembermaand zaten velen daar in de avonduren bijeen in een mengeling van optimisme en bezorgdheid – na woensdagavond 27 september, toen de Londense radio had bericht dat de Britse luchtlandingstroepen Oosterbeek hadden verlaten (de Geallieerde poging om benoorden de grote rivieren door te dringen was dus mislukt), ging de bezorgdheid overheersen.
Zij zou dat in bijzondere mate hebben gedaan indien men weet had gehad van de instructies van de centrale Duitse overheid welke het beleid van het Reichskommissariat, de SD en de Wehrmacht bepaalden. Van fundamenteel belang was Hitlers besluit dat het Derde Rijk zich op Nederlands gebied tot het uiterste zou verdedigen: daardoor werden Midden-Limburg beoosten de Maas en de Nederlandse provincies benoorden de grote rivieren in militair opzicht een soort voorterrein van Duitsland. Eind augustus had Hitler gelast dat in Midden- en Noord-Limburg achter de Roer en de Maas, in de Achterhoek achter de Rijn en de IJssel en dan verder noordwaarts van Zwolle tot Delfzijl nieuwe stellingen moesten worden aangelegd. Er werd rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Duitse troepen in de provincies Utrecht en Noord- en Zuid-Holland zouden worden afgesneden; deed zich die afsnijding voor (uit gevonden documenten wisten de Duitsers dat Field Marshal Montgomery met zijn op 17 september ingezette offensief in eerste instantie het IJsselmeer had willen bereiken), dan moest de Wehrmacht in het westen des lands standhouden, vooral om te voorkomen dat de Geallieerden gebruik zouden kunnen maken van de havens van Rotterdam en Amsterdam. In beide steden werd op 21 september begonnen met de vernieling der haveninstallaties; in de voorafgaande nacht had de Wehrmachtbefehlshaber, General der Flieger Christiansen, bovendien het bevel doen uitgaan dat in het westen bij dreigende oorlogshandelingen alle installaties die noodzakelijk waren voor het in stand houden van vitale bedrijven moesten worden vernield, de installaties voor de drinkwatervoorziening en de electrische centrales het laatst.
Meer nog. In een apart bevel dat Schöngarth, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, in aansluiting op eerdere bevelen van Hitler, van het Oberkommando der Wehrmacht en van het Reichssicherheitshauptamt op 11 september had doen uitgaan, was bepaald dat bijeenkomsten van illegale werkers ‘rücksichtslos’ moesten worden overvallen en dat de deelnemers, ‘sofern nicht besondere Gründe für eine Festnahme sprechen’, ter plaatse afgemaakt (‘niedergemacht’) dienden te worden en de betrokken woningen opgeblazen en in brand gestoken2; hoe ruim de vrijbrief werd geïnterpreteerd welke al vóór Schöngarths bevel in de voorafgaande instructies aan de SD was vervat, bleek op 7 september in Rotterdam waar niet alleen een Duitse deserteur die bij een Nederlander onderdak had gevonden, door SD’ers werd doodgeschoten maar ook zijn gastheer en drie andere in diens woning aanwezige personen, onder wie een groenteboer die een zakje tomaten had afgegeven en was blijven luisteren naar een Londense radio-uitzending. ‘Ziet men’, zo merkten wij in ons vorige deel op, ‘in het Duitse beleid tijdens de hongerwinter razzia’s, roof en terreur, toegepast op de gehele bevolking (en niet dus, als in ’41–’43, op de Joodse bevolkingsgroep alléén), als meest tekenende elementen, dan verdient het de aandacht dat die elementen zich al vóór 17 september manifesteerden’ – anders gezegd: al vóór de Spoorwegstaking die, toen het door Londen gegeven parool door het overgrote deel van de spoorwegmannen bleek te zijn opgevolgd, de bezetter wel moest treffen als een bij uitstek gevoelige aantasting van zijn gezag.
★
Juist omdat wij in dit deel zo veel hebben te schrijven over wandaden van de bezetter, lijkt het ons nuttig dat wij de gezagsverhoudingen aan Duitse kant eerst nog eens duidelijk uiteenzetten. Boven spraken wij van ‘het beleid van het Reichskommissariat, de SD en de Wehrmacht’. Waren dat dan drie nevengeschikte instanties? Ja, inderdaad. Geen van de drie had formeel iets te zeggen over de andere twee. Seyss-Inquart was rechtstreeks ondergeschikt aan Hitler, Wehrmachtbefehlshaber Christiansen stond onder het Oberkommando der Wehrmacht en de SD ontving zijn algemene instructies van het Reichssicherheitshauptamt. Natuurlijk, een zekere mate van coördinatie was wenselijk. Al had Seyss-Inquart onder de Ausnahmezustand zijn bevoegdheden op de bestuurssector overgedragen aan de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, Wimmer, en op de politiesector aan Höherer SS- und Polizeiführer Rauter, hij bleef toch in civiel opzicht verantwoordelijk voor wat in bezet Nederland gebeurde3 en tegen besluiten van hetzij Christiansen, hetzij Rauter en Schöngarth, welke hem niet zinden, kon hij in beroep gaan bij Hitler dan wel bij de Reichsführer-SS, Himmler. Rauter was trouwens behalve Höherer SS- und Polizeiführer óók Generalkommissar für das Sicherheitswesen en als zodanig een van de vier onder Seyss-Inquart ressorterende Generalkommissare. Wat de overige drie betreft: in de praktijk had Wimmer naar boven slechts met Seyss-Inquart te maken en ons is niet gebleken dat hij van zijn grotere bevoegdheden een duidelijk gebruik heeft gemaakt, laat staan een gebruik waarmee Seyss-Inquart zich niet kon verenigen – daar was Wimmer ook te gemakzuchtig voor. Anders lag het met de fanaticus Rauter die zich van meet af aan veel meer had gevoeld als Himmlers dan als Seyss-Inquarts ondergeschikte. Zo ook Schöngarth: hij volgde de lijn die door het Reichssicherheitshauptamt werd aangegeven en trok zich van Seyss-Inquart weinig aan. Trouwens, ook met Rauter had Schöngarth spoedig na de september-crisis aanzienlijk minder te maken dan voordien; Rauter kreeg namelijk in de loop van oktober een militaire functie. Generalfeldmarschall Model, bevelhebber van de Heeresgruppe B, hield het voor wenselijk dat in Nederland een aparte, uit kleinere eenheden van het leger, de Waffen-SS en de marine bestaande Kampfgruppe werd gevormd die in reserve werd gehouden om bij nieuwe Geallieerde luchtlandingen te worden ingezet, en Rauter werd tot bevelhebber van die Kampfgruppe benoemd; zij werd enkele maanden later uitgebreid met andere eenheden en kreeg toen als (vrij zwak) legerkorps het front te verdedigen van Tiel via Arnhem tot Emmerik. Er vloeide hier uit voort dat Rauter, wiens hoofdkwartier van eind ’44 af in Didam was gevestigd, zich slechts eenmaal per week per auto naar Apeldoorn kon begeven om er met Seyss-Inquart overleg te plegen.
Er resten nu nog twee Generalkommissare: Ritterbusch, Generalkommissar zur besonderen Verwendung (‘voor bijzondere aangelegenheden’), vertegenwoordiger in bezet Nederland van de NSDAP (en in die functie de ondergeschikte van de machtige Martin Bormann) en Fischböck, Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft; deze laatste, die tevens als Reichskommissar für die Preisbildung het prijspeil in het Derde Rijk stabiel moest houden, was maar zelden in bezet Nederland aanwezig – als zijn vervanger trad er Fiebig op.
In Hitlers bevel over de uitbreiding van de Westwall had Ritterbusch een belangrijke taak gekregen: in het gehele gebied van Emmerik tot Delfzijl moest hij het graafwerk organiseren dat voor het aanleggen van nieuwe stellingen nodig was. Binnen enkele weken werd duidelijk dat hij daar niet in de verste verte de capaciteiten voor bezat – de nieuwe taak werd hem ontnomen en de functie die hij behield: verbindingsschakel te zijn tussen Mussert en Seyss-Inquart, had, toen de NSB als politieke beweging in de Dolle Dinsdag-crisis was ineengestort, nog minder om het lijf dan tevoren al het geval was geweest. ‘Ich musste es’, klaagde Ritterbusch in ’47, ‘schweigend ertragen, dass man mich für einen Menschen hielt, der besser nach Hause ginge, der sich aber an sein Amt anklammerte, um nicht seine Existenz zu verlieren.’4
Neen, dan Fiebig! Hij was een man van ongemene bekwaamheid, even snel in zijn handelen als in zijn denken. Sinds begin ’43 had hij wat van de Nederlandse industrie restte, met tomeloze energie zoveel mogelijk ingeschakeld in de Duitse oorlogsproductie – nu ging hij volgens de directieven van zijn eigenlijke superieur: Albert Speer, de Reichsminister für Rüstung und Kriegsproduktion, uit bezet Nederland wegslepen wat nog voor Duitsland van waarde kon zijn. ‘Men zou’, zo kregen Hirschfeld, de secretaris-generaal van handel en nijverheid en van landbouw, visserij en voedselvoorziening, en mr. H.L. Woltersom, directeur van de Rotterdamse Bank en voorzitter van de Raad voor het Bedrijfsleven5, op 15 september (twee dagen dus vóór de afkondiging van de Spoorwegstaking) tijdens een bespreking in Amersfoort van Fiebig te horen, ‘zoveel mogelijk gereed product en grondstoffen, welke voor Duitse orders bestemd waren, afvoeren, alsmede bepaalde machines meenemen of op andere wijze veilig stellen, opdat de tegenstanders van Duitsland daarvan niet zouden kunnen profiteren.’6 Geen toeval was het dat Hirschfeld en Woltersom dat nu juist van Fiebig vernamen: op economisch gebied was deze de belangrijkste Duitse autoriteit geworden en dat zou pas eind ’44 veranderen toen hij weer een nieuwe taak kreeg: de supervisie over het repareren van de duizenden Duitse locomotieven die elke maand door aanvallen van de Geallieerde luchtmachten zwaar werden beschadigd; hij reed toen kriskras in een eigen trein door heel Duitsland rond.
Zo was, vergeleken met de situatie die tot in de zomer van ’44 had bestaan, in de herfst aan de top van het Duitse bestuursapparaat veel veranderd, maar dat apparaat was bovendien in aanzienlijke mate uiteengeslagen. Alleen Christiansen en zijn staf waren nog niet verhuisd: zij zaten nog in Hilversum; het Reichskommissariat evenwel en de bureaus van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD waren verplaatst: het Reichskommissariat goeddeels naar Delden, Schöngarth en zijn staf naar Zwolle. In totaal waren in de zomer van ’44 bij het Reichskommissariat, de bureaus van Seyss-Inquarts Beauftragten in de provinciale hoofdsteden en in Amsterdam en Rotterdam meegeteld, bijna zestienhonderd personen tewerkgesteld – eind september waren dat er nog maar ruim vierhonderd, onder wie een kleine tachtig Nederlandse hulpkrachten.7 Dat betekende dat Seyss-Inquart veel minder greep had op de situatie dan tevoren. Delden lag bovendien wel erg excentrisch; dat beviel Seyss-Inquart niet. Hij nam zijn intrek op het landgoed bij Apeldoorn waar Wimmer woonde, en van daaruit bezocht hij periodiek de verschillende delen van het bezette gebied. Meestal was hij eens in de twee weken in Den Haag om er besprekingen te voeren met zijn Beauftragte, E.A. Schwebel, en af en toe reed hij dan ook wel naar Amsterdam voor contact met zijn Beauftragte in de hoofdstad, dr. H. Schröder. ‘Ikzelf’, aldus in ’46 Schröders medewerker voor persaangelegenheden, prof. dr. G.A.S. Snijder (een van de grote propagandisten van de SS-ideologie, president van de in feite ter ziele gegane Nederlandse Kultuurraad) –
‘Ikzelf had in die tijd geen persoonlijk onderhoud meer met Seyss-Inquart, maar ontmoette hem slechts in algemeen gezelschap. Hij maakte toen de indruk zeer somber gestemd te zijn, maar was steeds volmaakt beheerst, rustig en hoffelijk. Gewoonlijk luisterde hij naar wat kamermuziek, als er na de besprekingen nog wat tijd over was.’8
‘Zeer somber gestemd’ – van Seyss-Inquarts vertrouwen in een Duitse overwinning was dus niet veel over. Ook moet hem, zo nemen wij aan, zijn eigen betrekkelijke machteloosheid pijnlijk hebben getroffen. De gelegenheden waarbij hij persoonlijk nog kon bepalen wat in bezet Nederland stond te geschieden, werden steeds zeldzamer – Hitler greep in, Speer greep in, en vooral ook: de militairen grepen in. Er werd op Nederlands grondgebied gevochten en dat betekende dat in Seyss-Inquarts gezagsgebied door het Oberkommando der Wehrmacht, door de Oberbefehlshaber West (Generalfeldmarschall von Rundstedt), door de bevelhebber van de Heeresgruppe B en door de bevelhebber van het (via Zeeland ontsnapte) Duitse Vijftiende Leger beslissingen werden genomen die diep in de algemene verhoudingen in bezet gebied ingrepen, maar waar hij, de Reichskommissar, in het geheel niet in was gekend.
Een van die beslissingen was geweest, de haveninstallaties van Rotterdam en Amsterdam grondig te vernielen.
Vernieling van de havens van Rotterdam en Amsterdam
Het was Hitler geweest die besloten had dat de havens van Rotterdam en Amsterdam vernield moesten worden. Zoals wij in deel 10a vermeldden, ging dat bevel van hem uit op de dag waarop de haven van Antwerpen ongeschonden in Geallieerde handen viel: 4 september. De uitvoering van het bevel werd enige tijd aangehouden; in afwachting daarvan begon de Kriegsmarine op 12 september Nederlandse arbeiders te ronselen om in de havens van Rotterdam en Amsterdam gaten te maken in de kademuren en daags daarna waren daartoe al vierhonderd arbeiders aan het werk, acht uur per dag. Op dinsdagochtend 19 september kwam bij de Admiral in den Niederlanden von Rundstedts bevel binnen, met de vernielingen te beginnen (alsook de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal te versperren) – de eerste explosies weerklonken op 21 september. De burgemeester van Amsterdam, E.J. Voûte (in ’41 benoemd vanwege zijn pro-Duitse gezindheid), protesteerde onmiddellijk bij Schröder. Daags daarna, 22 september (alle Nederlandse arbeiders werden op die dag ontslagen), verscheen Seyss-Inquart in de hoofdstad, belde van daaruit Berlijn op en kreeg te horen dat er niets meer aan de zaak te doen was. ‘Het OKW had beslist dat de vernietiging door moest gaan’, tekende Voûte enkele dagen later aan, daaraan toevoegend: ‘De levensader van Amsterdam is doorgesneden en niet door een chirurg maar door een varkensslachter!!’9
Dagenlang deden zich in Rotterdam en Amsterdam enorme explosies voor die tot op tientallen kilometers afstand duidelijk hoorbaar waren.10 In Rotterdam werd ruim 13 km kademuur, meer dan een derde van de totale lengte, verwoest; vernield (of weggevoerd) werd bijna de helft van alle grote hijskranen; vernield (of tot zinken gebracht) werden de dokken; alle petroleumtanks (ze waren leeg) gingen in vlammen op, van de tanks voor eetbare oliën werd een aantal gespaard. Op de linker Maasoever werd bij een deel van de explosies weinig voorzichtigheid betracht: alleen al in de wijk Katendrecht werd zoveel schade aan de woningen toegebracht dat vijfduizend Rotterdammers dakloos werden; elders in de havenstad sprongen ruiten en waren straten bedekt met glasscherven. Vernield werden evenwel niet alleen de belangrijkste haveninstallaties maar ook de voornaamste scheepswerven en machinefabrieken in Rotterdam en in de wijde omgeving; wat op die werven aan materialen en onderdelen gereed lag, bestemd voor de uitvoering van Duitse opdrachten, werd op lichters geladen en naar Duitsland getransporteerd samen met de eigen voorraden der werven. Tenslotte werden in de mond van enkele grote Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg ter hoogte van Maassluis schepen tot zinken gebracht – er bleef in de Nieuwe Waterweg, nadat later nòg enkele schepen tot zinken gebracht waren (de eerste versperring was op een nogal ondeskundige wijze uitgevoerd), slechts een smalle geul open. Met de uitvoering van plannen om ook nog de pieren bij Hoek van Holland op te blazen werd voorlopig gewacht.11
Niet minder grondig waren de vernielingen in en bij Amsterdam: meer dan 9 kilometer kademuur werd verwoest (ruim 5 kilometer bleef over); van de 280 kranen werden bijna 180 vernield; grote dokken, elevatoren en drijvende bokken werden tot zinken gebracht, het grootste droogdok samen met een Italiaans schip dat er in was geplaatst ter reparatie; alle petroleumtanks gingen in vlammen op; scheepswerven en machinefabrieken werden vernield of leeggeroofd – personeelsleden wisten slechts sommige machines en voorraden te redden door ze haastig op boerderijen te verbergen.
Dat het onbruikbaar maken van de havens de bevolking van Rotterdam en Amsterdam diep schokte, spreekt vanzelf. ‘Dit is’, schreef op de zevende dag van de explosies een Rotterdams rustend arts in zijn dagboek,
‘een wel zeer zwarte week voor Rotterdam; alles wat in onze tijd in de haven met zoveel ijver en liefde was opgebouwd, al die monumenten van onze ondernemingsgeest, durf, volharding, techniek, waarop iedereen zo trots was, dit alles wordt nu stelselmatig in enkele dagen vernietigd; steeds trillen en schommelen onze huizen, zodat sommigen er zeeziek van worden.’12
Diezelfde dag schreef een tweede Rotterdammer, een journalist: ‘In het havenkwartier is het de gehele dag druk op de straten. Een onrustige bevolking beweegt zich … al maar heen en weer. Scholen zijn gesloten. Er wordt nergens gewerkt … De bevolking is hier en daar wezenloos’13 – wezenloos van angst voor de toekomst. De explosies die men hoorde, de rookwolken die men zag opstijgen, toonden aan dat de vijand oppermachtig was; velen waren bovendien van mening dat hij tot zijn immense vernielingen was overgegaan om de gehele naoorlogse wederopbouw van Nederland vrijwel onmogelijk te maken. Hoe zou men weer werk kunnen krijgen en zijn brood kunnen verdienen als Nederland ter zee geïsoleerd was?
Ook onder de Duitsers waren er die het fanatisme dat uit de havenvernielingen bleek, allerminst toejuichten. Met name Seyss-Inquarts Beauftragter in Rotterdam, dr. C. Völckers, had zich met hand en tand, maar vergeefs, tegen de vernieling van de Rotterdamse haven verzet. Op een van de laatste septemberdagen wist hij Seyss-Inquart naar Rotterdam te halen voor een gesprek waaraan ook de Rotterdamse Kampfkommandant zou deelnemen. Toen de Reichskommissar, aldus later Völckers, ‘uit de auto stapte en ik hem voor mijn woning begroette, trapte hij op de glasscherven van de door de luchtdruk vernielde deurruit van mijn woning.’ De Kampfkommandant stelde voor dat men de vernielingen die nog steeds gaande waren, van een schip af zou gadeslaan. ‘Aber meine Herren’, antwoordde Seyss-Inquart, ‘das ist doch kein Schauspiel, das man sich ansieht!’ ‘Toen ik’, aldus weer Völckers, ‘bij zijn vertrek de Reichskommissar in zijn jas hielp, drukte hij mij zwijgend de hand en zei daarop: ‘Das geht allerdings gewaltig auf die Nerven.’ ’14
Wel te verstaan: de havenvernielingen waren, gelijk reeds gezegd, buiten Seyss-Inquart om gegaan.
Voor de Duitse reactie op de Spoorwegstaking gold dat niet.
De bezetter en de Spoorwegstaking
Eerder schreven wij dat de Spoorwegstaking de bezetter wel moest treffen als een bij uitstek gevoelige aantasting van zijn gezag. Dat deed zij inderdaad. In Seyss-Inquarts op 5 september gepubliceerde bekendmaking over de Ausnahmezustand was o.m. gezegd: ‘De bevolking moet orde en rust bewaren … Ieder verzet, iedere verstoring van de openbare orde, ieder benadeling van het arbeidsproces en ieder optreden dat de voorziening in gevaar brengt, wordt gestraft met de dood of zware vrijheidsstraffen.’ Maar ziet: op zondagavond 17 september gaf de Nederlandse regering via de Londense radio ‘naar aanleiding van een uit Nederland ontvangen vraag’ (een openlijk onderstrepen van het bestaan van geheime contacten) ‘en na overleg met het Opperbevel’ (het Geallieerde!) ‘instructie … tot een algemene staking van het spoorwegpersoneel, teneinde het vijandelijk vervoer … zoveel mogelijk te beletten’, en daags daarna, op maandag, waren er grote delen van het land, met name ook in het westen, waar de stations verlaten waren en geen trein meer reed. Ingrijpen op aanzienlijke schaal tegen de duizenden stakers was de bezetter onmogelijk – hij kon slechts pogen om, met verzwijging van de onmiddellijke nadelen welke voor de Wehrmacht voortvloeiden uit het wegvallen van de treintransporten naar de frontgebieden, er op te wijzen dat een spoorwegstaking de voedselvoorziening van het Nederlandse volk in gevaar kon brengen. Dittmar, de perschef van het Reichskommissariat, gaf op maandag het (van het begin der bezetting af volledig gelijkgeschakelde) Algemeen Nederlands Persbureau opdracht, de hoofdredacties van de nog verschijnende dagbladen het volgende telexbericht te doen toekomen15:
‘De perschef van de Rijkscommissaris deelt mee:
De bladen worden verzocht, in de eerstvolgende editie een beschouwing te schrijven over de spoorwegstaking in de geest van hetgeen hier volgt:
Stilstand van de spoorwegen betekent stilstand van het levensmiddelenvervoer. Niet voor de bezettingstroepen; die beschikken over genoeg middelen om zich van het nodige te voorzien. Spoorwegstaking betekent echter voor het eigen volk gebrek als het even langer duurt en hongersnood als zij aanhoudt.’
Dittmars verzoek werd slechts door Het Nationale Dagblad, het dagblad van de NSB, ingewilligd, ten dele ook door de Nieuwe Rotterdamse Courant waarin de hoofdredacteur, mr. J. Huijts, Völckers aan het woord liet – de hoofdredacteuren van de overige bladen legden het naast zich neer. Algemeen werd op die maandag verwacht dat de grote Geallieerde luchtlandingen van de vorige dag tot een snelle bevrijding van heel Nederland zouden leiden – de betrokken hoofdredacteuren beseften dat het hun extra zwaar kon worden aangerekend als zij steun verleenden aan de Duitse poging om een staking te doen afbreken welke gelast was door de Nederlandse regering na overleg met het Geallieerde opperbevel. Wat moest Dittmar doen? Strafmaatregelen nemen tegen vrijwel de gehele dagbladpers? Hij besefte dat het geen zin had, onmiddellijk de verhoudingen toe te spitsen. Hij wachtte enkele dagen en droeg er op vrijdag 22 september (de Britse Airbornes hadden inmiddels de Rijnbrug te Arnhem moeten prijsgeven) zorg voor dat het ANP een eigen persbericht op de telex zette van de volgende inhoud16:
‘Naar aanleiding van de ernstige stremming in het verkeer, veroorzaakt door de spoorwegstaking, hebben wij (ANP) ons tot de bevoegde autoriteiten gewend om inlichtingen over de voedselvoorziening.
Algemeen ziet men de toestand zeer somber in, vooral voor de honderdduizenden mensen in de steden. Er liggen hier en daar voorraden, doch deze zijn slechts voor korte tijd voldoende om in de behoeften te voorzien. Wanneer het personeel van de spoorwegen niet zeer spoedig het werk hervat, wordt een groot deel der Nederlandse bevolking, waaronder ook de gezinnen van talrijke spoorwegmannen, met hongersnood bedreigd. Algemeen sprak men de wens uit dat de stakers thans tot bezinning komen om te voorkomen dat de reeds ernstige moeilijkheden bij de voedselvoorziening tot een algemene katastrofe leiden.’
Wie waren de geciteerde ‘bevoegde autoriteiten’? Hirschfeld en de directeur-generaal van de voedselvoorziening, ir. S.L. Louwes, deden, zodra zij omtrent het tweede bericht in kennis waren gesteld, aan de pers weten dat geen enkele instantie terzake overleg met hen had gepleegd.
Het tweede bericht verschilde van het eerste in zoverre dat er in gesproken werd van ‘de ernstige stremming in het verkeer’. Kennelijk was die stremming een grote hinder voor de Wehrmacht – reden te meer voor een aantal hoofdredacteuren om het tweede bericht niet op te nemen, ook niet toen zij via het ANP vernamen dat de getergde Dittmar die opneming verplicht had gesteld. Het Algemeen Handelsblad en Het Volk behoorden tot de dagbladen die het tweede bericht wèl plaatsten, maar in De Telegraaf en de Haagse Courant verscheen het niet en dit had voor laatstgenoemd blad, dat nu eenmaal in Dittmars standplaats werd gedrukt, ernstige gevolgen.
Het personeel had op vrijdag geweigerd, het door de hoofdredacteur John Ch.A. Coucke persklaar gemaakte bericht te zetten en te drukken en had (Coucke had de Duitsers gewaarschuwd) en masse met beide directeuren en alle redacteuren het gebouw verlaten; toen nu op maandag bleek dat redactie en technisch personeel, op twee personen na, niet bereid waren de arbeid te hervatten en dat de beide directeuren waren ondergedoken, werden de technische installaties van de Haagse Courant door de bezetter vernield; alles wat verder van waarde was, de auto’s incluis, werd gekonfiskeerd.
Ook tegen De Telegraaf werden maatregelen genomen. Hoofdredacteur J.C. Fraenkel die eind augustus alle zeggenschap had verloren over het nevenblad van De Telegraaf, De Courant/Het Nieuws van de Dag (daarvan was de hoofdredactie door de directeur, ex-Waffen-SS-vrijwilliger H. Holdert jr., toevertrouwd aan de vroegere SS-oorlogsverslaggever Wim Sassen), werd na een tweede weigering om in de door de bezetter gewenste geest op de Spoorwegstaking te reageren, ontslagen en, nadat NSB- en SS-krachten enige tijd achter de schermen hadden touwgetrokken17, ook al door een SS-oorlogsverslaggever vervangen. Een en ander betekende dat de twee dagbladen van het Holdert-concern wat hun topleiding betrof, min of meer bij de SS waren ingelijfd18 (vrijwel alle redacteuren namen ontslag en werden door pro-Duitse figuren vervangen) – dat wekte bij de overgebleven abonnees extra ergernis.
Wat de pers in het algemeen betrof: natuurlijk was de bezetter zich bewust dat zij geen enkele uitdrukking meer gaf aan wat in de bevolking leefde; voor hem waren de dagbladen nog van belang als vehikels van het Duitse oorlogsnieuws, maar hij besefte dat hij, als hij reële krachten tegen de Spoorwegstaking wenste te mobiliseren, heel andere personen moest inschakelen dan gediscrediteerde hoofdredacteuren; hij besefte óók dat er twee waren die daartoe voor hem van bijzonder belang konden zijn omdat zij op de economische sector nog steeds een stevige greep hadden op de gehele Nederlandse overheid: Hirschfeld en Louwes.
★
Niet alleen het Duitse maar ook het Nederlandse overheidsapparaat was, toen zich de crisis van september ’44 voordeed, lelijk uiteengeslagen. Begin ’43 had de bezetter de departementen van binnenlandse zaken, van algemene zaken, van justitie en van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming naar Apeldoorn en omgeving laten evacueren; het departement van financiën naar Deventer, dat van koloniën naar Zutfen, dat van waterstaat naar Utrecht, die van sociale zaken en van bijzondere economische zaken naar Amsterdam, grote delen van de twee economische departementen naar Amersfoort en het afwikkelingsbureau van defensie naar Velp. In Den Haag was toen slechts het departement van volksvoorlichting en kunsten achtergebleven maar daar hadden Hirschfeld en mr. K.J. Frederiks (binnenlandse zaken) een soort kern-departement mogen handhaven; Frederiks was begin september ondergedoken – nadien was Hirschfeld van de vóór de bezetting benoemde secretarissen-generaal de enige die nog in Den Haag in functie was.
In functie, met acute zorgen, en die waren er al vóór de Spoorwegstaking. De energievoorziening berustte op steenkolen (aardolieproducten werden nauwelijks ingevoerd) en steenkolen waren bovendien nodig om alle werk- en woonruimten te verwarmen. Al die steenkolen waren afkomstig uit de Zuidlimburgse mijnen, maar na 1 september kwam door allerlei stremmingen in het vervoer de aanvoer uit Zuid-Limburg te vervallen en in het midden van die maand drongen de Amerikanen in Zuid-Limburg door, hetgeen betekende dat men, als niet heel Nederland spoedig werd bevrijd, met een langdurige onderbreking van de aanvoer rekening moest houden. Slechts een deel van de bevolking had toen een gedeelte van de huisbrand ontvangen die onder de distributieregeling was toegezegd. Bij de kolenhandel lag begin september in het gehele land nog 250.000 ton steenkool – die voorraad werd door Hirschfeld onmiddellijk geblokkeerd. De aflevering van huisbrand werd stopgezet; wat nog aan kolen bij de handel lag, werd gereserveerd voor de Centrale Keukens (bedoeld om gekookt voedsel af te leveren als de burgerij dat zelf niet meer kon toebereiden) en voor de tuinbouwkassen. Men moest er van uitgaan dat de electrische centrales en de gasfabrieken benoorden de grote rivieren na eind september nog maar een korte tijd in werking zouden kunnen blijven en dat ook aan het overgrote deel van de industrie geen steenkool meer zou kunnen worden verstrekt. Hirschfeld hoopte intussen dat men met een deel van de beschikbare voorraden en met invoer uit Duitsland (als de bezetter tenminste tot die invoer bereid was!) bedrijven en fabrieken die voor de voedselvoorziening van belang waren, aan het werk kon houden: de bakkerijen, de gistfabrieken, de maalderijen, de zuivelindustrie, de oliefabrieken, de suikerraffinaderijen, de fabrieken voor het vervaardigen van gort en havermout, alsook de koelhuizen en abattoirs. Met dat al stond reeds begin september voor Hirschfeld, Louwes en hun naaste medewerkers vast dat, als de oorlog niet spoedig eindigde, een redelijke voedselvoorziening van Nederland zelfs op een laag peil alleen maar mogelijk zou zijn als er hulp van buiten kwam. Louwes onderhield al geruime tijd regelmatig contact met het hoofd van de spionagegroep-‘Peggy’ (onderdeel van de spionagegroep-‘Kees’), H.J. de Koster, en deze kreeg op 8 september van hem te horen dat het ‘de hoogste tijd (wordt), dat men in Engeland gaat inzien dat er deze winter internationale maatregelen worden getroffen om een minimale voedselvoorziening te waarborgen … De toestand bij ons (is) vrijwel ondraaglijk geworden.’ Midden oktober, zo verwachtte Louwes, zouden de electrische centrales en gasfabrieken de productie voor het overgrote deel moeten staken.19
Toen Hirschfeld en Woltersom op 15 september in Amersfoort het eerder al gememoreerde overleg pleegden met Fiebig, wees Hirschfeld op het wegvallen van de steenkolentoevoer uit Zuid-Limburg; Fiebig zegde toe dat de Duitse mijnen steenkool aan Nederland zouden gaan leveren, beperkte hoeveelheden evenwel. Het transport zou plaatsvinden per trein – kanaalverbindingen waren er niet. Duidelijk was dat Fiebigs toezegging op losse schroeven kwam te staan toen de Spoorwegstaking uitbrak, en het was van de kant van de bezetter dan ook een redelijke veronderstelling dat hij Hirschfeld bereid zou vinden, de nadelen van die staking publiekelijk te onderstrepen. Door het Reichskommissariat werd besloten dat een van de Duitse hoofdambtenaren die steeds een open oog had gehad voor de belangen van de Nederlandse voedselvoorziening, een beroep zou doen op Hirschfeld alsook op Louwes; dit was J.C.G. von der Wense, hoofd van de Hauptabteilung Ernährung und Landwirtschaft van het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft.
In de loop van vrijdag 22 september werd Hirschfeld van Enschede uit opgebeld door von der Wense die Louwes en hem namens Seyss-Inquart met spoed te spreken vroeg. Zij verklaarden zich tot dat gesprek bereid. Von der Wense arriveerde des avonds om elf uur per auto in Den Haag en sprak er bijna vier uur lang met de twee Nederlanders. Hij begon met een waarschuwing. De Spoorwegstaking moest afgebroken worden; ‘de maatregelen die men van Duitse zijde zou willen overwegen, zouden’, aldus het verslag dat Hirschfeld enkele dagen later opstelde20,
‘daarop neer komen, dat in ieder geval alle toevoer naar de grote steden stopgezet zou worden en dat men de hand zou leggen op bepaalde voorraden die daar nog aanwezig zijn om op die wijze het Nederlandse volk onmiddellijk voor het vraagstuk van de honger te stellen en op deze wijze eventueel de Spoorwegstaking te breken. Daarom was het verzoek of wij stappen zouden kunnen ondernemen teneinde de Spoorwegstaking, althans wat betreft de voedselvoorziening, te kunnen doen beëindigen, door bijvoorbeeld een oproep te richten in de een of andere vorm tot het Nederlandse spoorwegpersoneel. Wij moesten ons realiseren dat wij er met een lijdelijke houding zo maar niet af zouden komen, aangezien deze aangelegenheid van bepaalde Duitse zijde zeer hoog opgenomen werd’ –
doelde dat op Seyss-Inquart, de Wehrmacht, de SD, of soms op Hitler? Von der Wense liet dat in het midden.
Hirschfeld en Louwes wezen zijn beroep af: interventie van hun kant lag niet op hun weg en zou, gegeven de bij de volksmassa’s levende gevoelens (het nagenoeg algemeen karakter dat de staking had aangenomen, was een duidelijke vingerwijzing), alleen maar beschouwd worden als laakbare hulp aan de bezetter en dus ‘onze autoriteit bij het Nederlandse volk ten enenmale breken, waardoor de laatste mogelijkheid om nog iets in het belang van de voedsel- en kolenvoorziening te doen, zou zijn gebroken. Wanneer’, vervolgden Hirschfeld en Louwes, ‘de militaire ontwikkeling … niet overeenkomstig de verwachtingen en wensen der Geallieerden zou plaatsvinden’ (de Londense berichtgeving had al doen uitkomen dat de positie der Airbornes bij Arnhem zeer moeilijk was), ‘dan’, zo betoogden zij, ‘zou bij hèn de verantwoordelijkheid voor het leed der Nederlandse bevolking liggen en zouden zij ook hun houding eventueel moeten herzien’ (oproepen dus tot afbreken van de staking). ‘Ieder ingrijpen van de zijde van de Duitse autoriteiten in deze materie, voorzover het de Nederlandse sector betreft, zou’, zeiden zij tenslotte,
‘de verantwoordelijkheid van de gehele calamiteit op de Duitse autoriteiten afwentelen. Wij waren van mening dat in deze omstandigheden van de Duitse autoriteiten de wijsheid verwacht zou mogen worden, zich van het geïncrimineerde ingrijpen te onthouden en zich te beperken tot het opvangen van de nadelen die de staking eventueel voor de Duitse oorlogvoering zou hebben.’
Von der Wense keerde met lege handen naar Seyss-Inquart terug.
Over de besluitvorming aan Duitse kant die op von der Wense’s vergeefse stap volgde, zijn onze gegevens onvolledig. Dat er op de 22ste nog geen definitief besluit was genomen, is duidelijk uit de woorden die hij gebruikt had; hij had immers gesproken van een ‘overwegen’ van het stopzetten van ‘alle toevoer naar de grote steden.’ Aanwijzingen zijn er dat het hier een nogal ver uitgewerkt plan betrof, opgesteld op een bespreking bij Christiansen te Hilversum, gehouden op donderdag 21 september, waar Christiansen volgens zijn stafchef, Generalleutnant H.H. von Wühlisch, gezegd had: ‘Ich bin für Angriff.’21 Lages, hoofd van de Aussenstelle Amsterdam van de Sicherheitspolizei und SD, stelde in ’50 op schrift dat zijn bureau evenals alle andere Duitse bureaus in Amsterdam ‘kurz nach Beginn des Eisenbahnerstreiks’ een als ‘geheime Reichssache’ aangeduid bevel van Seyss-Inquart had ontvangen hetwelk inhield dat Amsterdam hermetisch van de buitenwereld zou worden afgesloten (aangezien von der Wense van ‘de grote steden’ had gesproken, nemen wij aan dat voor Rotterdam, Den Haag en Utrecht hetzelfde zou gelden); de hongersnood zou tot oproeren leiden; die oproeren zouden door Wehrmacht en Ordnungspolizei telkens met geweld worden onderdrukt en, aldus Lages, ‘dieser Zustand wird so lange ausgedehnt, bis sich durch die Not der Verhältnisse die niederländischen Eisenbahnbeamten bequemen, die Arbeit wieder geregelt aufzunehmen.’ Lages zou zich in Ouderkerk vestigen, Beauftragter Schröder in Hilversum, ‘die technischen Telex-Anlagen wurden bereits verlegt und andere technischen Massnahmen streng geheim durchgeführt.’ Lages en Schröder zouden zich op praktische en humanitaire gronden met kracht tegen de definitieve uitvoering van dit bevel hebben verzet en, aldus Lages, ‘in der entscheidenden Sitzung beim Reichskommissar’ (volgens A.J.C. Rüter, de historicus van de Spoorwegstaking, was dit een bespreking in Den Haag, waar ook de Haagse Beauftragte Schwebel ernstige bezwaren uitte22) ‘waren dann unsere herangetragenen Argumente so stark, dass sogar Seyss-Inquart von den Folgen und Ausführungen beeindruckt war und seinen Befehl in letzter Minute zurückzog.’23
Wij houden het relaas van Lages voor aannemelijk. Van belang lijkt ons intussen dat het er na de eerste stakingsweek reeds naar uitzag dat Bahnbevollmächtigter Selzer er met het in bezet Nederland aanwezige en het uit Duitsland ontboden Duitse spoorwegpersoneel in zou slagen, voldoende Duitse treinen te laten rijden op het Nederlandse net – de Spoorwegstaking zou dus geen belangrijk nadelig effect meer hebben op de Duitse belangen in engere zin. Hoe dat zij, het besluit tot het hermetisch afsluiten van de grote steden in het westen werd niet uitgevoerd. Er viel een ander besluit waarop volgens von der Wense vooral Rauter en Fiebig zouden hebben aangedrongen: alle voedseltransporten naar het westen des lands zouden onmogelijk worden gemaakt; vermoedelijk is dit besluit op woensdag 27 september in werking getreden – het kan dus één of enkele dagen eerder zijn genomen. De uitvoering was betrekkelijk eenvoudig. Voor de bedoelde voedseltransporten kwamen slechts binnenschepen in aanmerking – het werd die schepen onmogelijk gemaakt, het IJsselmeer over te steken; veel schepen werden daarbij in beslag genomen en die inbeslagnemingen, volgend op die welke zich eerder in september hadden voorgedaan (toen waren schepen gevorderd met het oog op het overzetten van het Duitse Vijftiende Leger over de Wester-Schelde), leidden er toe dat talloze schippers zich met hun schip verborgen; sommige schippers lieten hun schip zelfs zinken.
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 1 november 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 5,99