← Deel 11a – Nederlands-Indië I
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Capitulatie
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11a – dr. L. de Jong
Op zondag 8 maart 1942, op de dag af drie maanden nadat Japan zich als bondgenoot van Duitsland en Italië in de Tweede Wereldoorlog had gestort, werd de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, des ochtends omstreeks half negen opgebeld door de commandant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, tegelijk hoofd van het departement van oorlog, luitenant-generaal H. ter Poorten. Beiden bevonden zich in Bandoeng (zie kaart I op pag. 2). Daar waren sinds de Eerste Wereldoorlog het genoemde departement en de generale staf gevestigd – het was dus de plaats waar ter Poorten zijn hoge functie uitoefende. Van Starkenborgh was, volgens een tevoren vastgesteld plan, ruim twee weken eerder in het nachtelijk duister uit Indië’s hoofdstad Batavia (thans: Djakarta)1 weggereden, waar hij zijn echtgenote en een van zijn twee dochters (de andere bevond zich in bezet Nederland) had achtergelaten; hij had aanvankelijk zijn intrek genomen in een aan de noordelijke rand van Bandoeng gelegen villa van een Chinese miljonair maar was na enkele dagen verhuisd naar de midden in de stad gelegen ambtswoning van de resident, het hoofd van het Nederlands-Indisch bestuursapparaat in de residentie der Preanger Regentschappen. Daags tevoren, op zaterdag 7 maart, waren evenwel de bijgebouwen van die residentswoning getroffen door een Japanse bom – de gouverneur-generaal was toen naar de miljonairsvilla teruggekeerd.
Het was een onheilspellende mededeling welke hij op die zondagochtend van ter Poorten te horen kreeg: de opperbevelhebber van de Japanse strijdmacht die een week eerder, zondag 1 maart, op vier punten op Java’s lange noordkust was ontscheept, wenste die middag om twaalf uur in Soebang, een plaats ongeveer halverwege Bandoeng en de noordkust, een bespreking te hebben met de gouverneur-generaal en de commandant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Aan ter Poorten was
De Nederlandse regering te Londen had de inwilliging van die eis bij voorbaat uitdrukkelijk verboden.
Wat te doen?
★
Twee dagen eerder, op vrijdag 6 maart, was ter Poorten tot de conclusie gekomen dat, gezien de Japanse overmacht, gezien vooral ook het feit dat de Japanners in de lucht heer en meester waren, de hoogvlakte van Bandoeng moest worden prijsgegeven. Die vlakte welke, omgeven door een krans van goeddeels uitgedoofde vulkanen, omstreeks 700 meter boven de zeespiegel was gelegen (’s avonds, ’s nachts en in de vroege ochtend kwam er de koelte die in het laaggelegen Batavia ontbrak), was, zoals de omstandigheden zich hadden ontwikkeld, het laatste gebied op West-Java dat voor verdediging door het Knil in aanmerking kwam, maar op vrijdag 6 maart stond vast dat de onstuimig aanvallende Japanse troepen binnen weinige dagen naar Bandoeng zouden doorbreken; van de Australische en Britse militaire eenheden die zich in de nabijheid bevonden, was weinig steun te verwachten. Bovendien was Bandoeng volgestroomd met vluchtelingen: duizenden vrouwen en kinderen, niet-gemobiliseerde mannen ook, waren er heen getrokken, zodat de oorspronkelijke bevolking: meer dan honderdduizend inheemsen, meer dan tienduizend Chinezen en ca. twintigduizend Europeanen (hoofdzakelijk Nederlanders), aanzienlijk was toegenomen. Bandoeng was een ruimgebouwde stad maar voor de gouverneur-generaal had vastgestaan dat er, werd zij uit de lucht gebombardeerd, talrijke slachtoffers zouden vallen.
Tot die luchtbombardementen waren de Japanners in staat: al op de eerste gevechtsdag op Java hadden zij, zuidwaarts oprukkend van een punt aan de kust ca. 150 km ten oosten van Batavia, het grote vliegveld Kalidjati veroverd. Daar hadden zij onmiddellijk enkele tientallen bommenwerpers gestationeerd. Vooral met die bommenwerpers hadden zij de pogingen van het Knil, t.w. van de Groep-Bandoeng (de eenheden die op de hoogvlakte in reserve waren gehouden), om Kalidjati te heroveren, verijdeld en van woensdag 4 maart af hadden zij herhaaldelijk intimiderend-laag boven Bandoeng gevlogen en af en toe bommen afgeworpen op het nabij gelegen vliegveld. Van Starkenborgh had op vrijdag tegen ter Poorten gezegd dat het zijn uitdrukkelijke wens was dat de burgerbevolking van de stad zou worden gespaard; ter Poorten had vervolgens generaal-majoor J.J. Pesman, commandant van de Groep-Bandoeng, bevel gegeven om, als de Japanners naar Lembang dreigden door te breken, d.w.z. naar de plaats waar de uit het noorden komende pasweg in de vlakte van Bandoeng begon af te dalen, een officier met een witte vlag voorwaarts te zenden teneinde aan de bevelhebber van de Japanse aanvalstroepen mee te delen dat de vlakte en haar naaste omgeving niet zouden worden verdedigd.
Zaterdagmiddag om vier uur waren de Japanners benoorden Lembang door de Nederlandse stelling heengebroken. Het restant van de Groep-Bandoeng ging wijken – prompt deed ter Poorten aan Pesman weten dat het moment gekomen was om te handelen conform het de vorige dag gegeven bevel. Pesman zond een kapitein die het Japans meester was, noordwaarts. Deze werd voor de bevelhebber geleid van de Japanse troepen die Kalidjati hadden veroverd, kolonel Tosjinari Sjoji2. De kapitein kreeg te horen dat het vuren onmiddellijk zou worden gestaakt en dat kolonel Sjoji zich de volgende ochtend naar het ca. 2 km benoorden Bandoeng gelegen hotel Isola zou begeven waar Pesman zijn stafkwartier had gevestigd; daar wenste Sjoji de capitulatie van het restant van de Groep-Bandoeng en van de overige eenheden die zich op of bij de Bandoengse hoogvlakte bevonden, nader te regelen.
★
Van het bevel dat ter Poorten op vrijdag aan Pesman had gegeven, waren door een misverstand kopieën gezonden aan de staven van alle eenheden op en bij de hoogvlakte. De inhoud er van drong tot talrijke officieren en minderen door, waarmee aan hun toch al geschokt moreel een nieuwe slag werd toegebracht: waarom zou men doorvechten als, kennelijk, de overgave op handen was?
Op zaterdag raakte het bericht van de naderende capitulatie in nog bredere kringen bekend. Wapens werden weggeworpen, militairen staken zich in burgerkleren of maakten ten teken van overgave witte lappen aan stokken vast; sommigen lieten van hun bajonet een witte zakdoek hangen of deden een witte halsdoek om, anderen spanden witte lakens bij de plek waar zij zich bevonden. De nervositeit werd versterkt doordat Japanse bommenwerpers opnieuw boven Bandoeng verschenen – de ene bom die afgeworpen werd, kwam, gelijk vermeld, bij de residentswoning terecht. Van het Nederlandse deel van de burgerij begon zich een paniek meester te maken. Uit pers en radio had men in de invasiemaanden vernomen dat de Japanners op enkele plaatsen in Indië tot wreedheden waren overgegaan en door sommigen werd nu verwacht dat zij in Bandoeng niet anders zouden optreden. Tijdschriften met anti-Japanse artikelen, drukwerken die duidelijk van verbondenheid met de Geallieerde zaak getuigden, rood-wit-blauwe en oranje vlaggen, portretten van leden van het Koninklijk Huis, foto’s van Churchill en Roosevelt werden verbrand en gouden en zilveren sieraden verborgen of haastig in bewaring gegeven bij inheemse of Chinese kennissen – op zichzelf hadden de Chinezen overigens nog meer reden tot angst dan de Nederlanders, want het Japanse leger had enkele jaren eerder bij de bezetting van verschillende steden in China duizenden burgers doodgeschoten en vrouwen en meisjes op grote schaal verkracht. Dat was aan alle Chinezen bekend.
’s Avonds (auto’s reden weer met volle lichten aan) werd het druk in café’s, restaurants en eetzalen van hotels. De militaire autoriteiten hadden bevel gegeven, alle voorraden sterke drank en andere alcoholica te vernietigen, en dat bevel werd over het algemeen opgevolgd maar op enkele plaatsen werd anders gehandeld: daar vluchtte men in zijn wanhoop in de drank. Geschiedde dat veelvuldig? Wij weten het niet – aannemelijk lijkt ons dat de meeste Nederlandse burgers diep terneergeslagen thuis zaten.
Zondagmorgen om negen uur zond de Bandoengse radio een proclamatie van generaal ter Poorten uit.3 Er werd in meegedeeld dat het Knil in Bandoeng en omgeving zijn georganiseerde weerstand opgaf, ‘het Knil als eenheid’, zo heette het, ‘heeft opgehouden te bestaan’ (het was de bedoeling dat, conform de aanwijzingen van de Nederlandse regering, de eenheden die zich elders op Java bevonden of in de Buitengewesten, voorzover nog niet door de Japanners veroverd, de strijd zelfstandig zouden voortzetten). ‘Soldaten van het Knil en van de met ons strijdende bondgenootschappelijke troepen, van welke rang of landaard gij ook zijt, ik, uw commandant,’ aldus het slot,
‘dank u voor al hetgeen gij voor onze rechtvaardige zaak hebt gedaan! Burgers van Nederlands-Indië: ik dank u voor uw steun en uw medewerking, welke gij allen in zo ruime mate hebt gegeven bij de vervulling van onze defensietaak. God zij met ons allen, leve de koningin!’
Het Wilhelmus weerklonk, menigeen onder de Nederlanders die de proclamatie hadden gehoord, brak in tranen uit.
De formaties van het Knil gingen nu verder uiteenvallen – talrijke inheemse militairen deden hun uniform uit en verlieten het verband waarvan zij deel uitmaakten. Bij velen van diegenen die bleven, was sprake van opluchting: men zou dus niet sneuvelen! Menigeen meende dat hij door de Japanners niet eens als krijgsgevangene zou worden behandeld: hij was immers niet in het gevecht gevangen genomen en de inrichting van kampen zou de overwinnaar maar last bezorgen. Een ieder had in elk geval uit de bewoordingen van ter Poortens proclamatie afgeleid dat de overgave een feit was en dat een daartoe strekkend aanbod door de vijand was aanvaard, zodat er geen schot meer zou vallen.
Die conclusie was voorbarig.
★
Op zaterdagavond had kolonel Sjoji zich bereid verklaard, de capitulatie van de strijdkrachten die zich op en bij de Bandoengse hoogvlakte bevonden, nader te regelen, maar de Japanse opperbevelhebber, generaal Hitosji Imamoera, was daarmee niet accoord gegaan.
Toen deze, pas in Batavia aangekomen, er omstreeks middernacht van in kennis werd gesteld wat Sjoji had bereikt, besefte hij onmiddellijk dat de kolonel zijn doel veel te laag had gesteld: wilden de Nederlanders een luchtbombardement van Bandoeng voorkomen, dan diende men als prijs niet een gedeeltelijke capitulatie te eisen, maar een algemene, die dus geregeld moest worden met de hoogste Nederlandse gezagdragers: de gouverneur-generaal, de legercommandant. In de vroege uren van zondag ging radiografisch bericht naar Sjoji dat de Japanse opperbevelhebber die twee hoogste Nederlandse gezagdragers ’s middags om twaalf uur in Soebang wenste te ontmoeten – deze mededeling was het waarmee een van Sjoji’s stafofficieren zondagochtend vroeg in hotel Isola verscheen waar generaal Pesman zich bevond. Pesman lichtte telefonisch generaal ter Poorten in en deze bracht, gelijk reeds vermeld, omstreeks half negen Imamoera’s wens aan van Starkenborgh over.
Van Starkenborgh weigerde die wens in te willigen.
Er waren verscheidene motieven die hem daartoe brachten.
Als gouverneur-generaal was hij inderdaad niet alleen hoogste vertegenwoordiger van Nederland en hoofd van het Nederlands bestuursapparaat geweest maar ook opperbevelhebber van alle in Indië aanwezige Nederlandse strijdkrachten – dat opperbevelhebberschap had hij evenwel neergelegd. In een telegrafische gedachtenwisseling met de Nederlandse regering te Londen was namelijk enkele dagen eerder komen vast te staan dat het in Indië onder geen beding mocht komen tot een algemene capitulatie. Om die te voorkomen waren twee maatregelen getroffen. Van Starkenborgh had op woensdag 4 maart zijn opperbevelhebberschap overgedragen aan generaal ter Poorten (voor het leger) en aan vice-admiraal C.E.L. Helfrichs opvolger4 als commandant-Zeemacht en chef van de marinestaf, schout-bij-nacht J.J. van Staveren (voor de marine), en ter Poorten had op donderdagavond in een telegram aan de lagere commandanten van het Knil doen weten dat zij, zo hij ooit per radio of anderszins bevel zou geven tot het neerleggen van de wapens, er van moesten uitgaan dat zodanig bevel onder dwang was gegeven en dus als van nul en gener waarde moest worden beschouwd. Na die donderdag had van Starkenborgh formeel niets meer te maken met het militaire apparaat – hij had zijn bevelsbevoegdheid verloren. Een oproep van een Japans militair, hoe hoog ook, kon hij in eerste instantie naast zich neerleggen. Bovendien: Imamoera had een wèns geuit, meer niet, en van Starkenborgh, hoezeer ook verstoken van het ceremonieel waarmee hij als gouverneur-generaal omgeven was geweest, had een te sterk gevoel van waardigheid dan dat hij een simpele wens van de Japanner zomaar zou inwilligen.
De gouverneur-generaal had uitzonderlijk zware maanden achter de rug. In de Indische archipel was eiland na eiland door de Japanners veroverd. Men had er, niet eens steeds in voldoende mate, vernielingen kunnen aanrichten maar de eenheden van het Knil (het was niet veel meer dan een politieleger) hadden geen successen van betekenis kunnen boeken – soms was dapper gestreden, soms had aan de strijdlust van de troepen veel ontbroken. Op 15 februari was de voor onneembaar gehouden Britse marinebasis Singapore gevallen. Nadien hadden de hoogste Geallieerde oorlogsleiders, van Starkenborgh wist het, Java opgegeven. Schout-bij-nacht Doormans Combined Striking Force was in de Javazee ten onder gegaan, de Japanners hadden vrijwel ongehinderd op Java’s noordkust kunnen landen en de strijd op het eiland was voor de verdedigers een opeenvolging van nederlagen geworden. Het einde van die strijd, ook dàt wist van Starkenborgh, naderde – bij dat einde wenste hij door een rustige en zelfbewuste houding te getuigen van vertrouwen in de toekomst. Zijn geestkracht had niet geleden.
Niet aldus ter Poorten. Hij, de legercommandant, opperbevelhebber ook sinds donderdag 5 maart, was diep gedemoraliseerd. Nog voordat de Japanners op Java waren geland, had hij beseft dat de strijdkrachten waarvoor hij de verantwoordelijkheid droeg, een hopeloze strijd voor de boeg hadden. Hij had in zijn gehele carrière veel belangstelling gehad voor het luchtwapen (als eerste Nederlandse beroepsofficier had hij in 1911 het internationale vliegbrevet verworven) en zijn kennis van de luchtoorlog had hem doen beseffen dat, daar hij zelf geen bommenwerpers en vrijwel geen jagers meer bezat, Java onverdedigbaar was. Hij miste de evenwichtigheid die van Starkenborgh kenmerkte. Twee weken nadat Japan ten aanval was getogen, had hij er in een radiotoespraak van getuigd dat het zijn wens was, ‘liever staande te sterven dan knielende te leven’ – nu was hij van het ene uiterste in het andere gevallen. Hij had nachtenlang nauwelijks zijn bed gezien, hij was uitgeput, hij voelde zich ziek, hij had geen strijdlust meer. Elke dag, elk uur dat de gevechten langer duurden, beschouwde hij als zinloos. Wilde Imamoera hem in Soebang ontmoeten, dan zou hij naar Soebang gaan. Imamoera had evenwel niet alleen hèm, maar ook de gouverneur-generaal ontboden en deze weigerde.
Die weigering werd door ter Poorten aan Pesman bericht – Pesman lichtte Sjoji’s verbindingsofficier in. Sjoji reageerde met bevel te geven, aan de gouverneur-generaal te doen weten dat, als hij in zijn weigering volhardde, Bandoeng van tien uur af zwaar zou worden gebombardeerd. Er kruisten al Japanse bommenwerpers boven de stad en boven het hotel Isola hing een klein Japans verbindingstoestel in de lucht van waaruit in het oog werd gehouden welke tekens er van het hotel uit werden gegeven.
Telefonisch bracht Pesman het Japanse dreigement aan ter Poorten over en deze laatste lichtte van Starkenborgh in. Het was toen ca. half tien. Van Starkenborgh zwichtte, de Japanners werden daarvan op de hoogte gesteld en bij Isola werden signaallappen neergelegd ten teken dat het bombardement van Bandoeng voorlopig niet doorging.
Kort na tien uur verscheen de auto van de legercommandant bij de villa waar van Starkenborgh zich bevond met enkele van zijn naaste medewerkers. Ter Poorten bracht de chef van zijn staf, generaal-majoor R. Bakkers mee, alsook generaal Pesman. De drie hoge militairen twijfelden er niet aan dat Imamoera de algemene overgave zou eisen en betoogden met klem dat die eis diende te worden ingewilligd: men mocht Bandoeng niet aan bombardementen blootstellen, wat aan troepen van het Knil en aan andere eenheden op en bij de hoogvlakte van Bandoeng aanwezig was, kon geen weerstand van betekenis meer bieden, talrijke militairen waren doodmoe, uitgehongerd en gedemoraliseerd, van de inheemse krachten was een groot deel spoorloos verdwenen, daags tevoren, zaterdag, was op oproepen om zich als vrijwilliger aan te melden voor het voeren van een guerrilla-oorlog door bijna niemand gereageerd en met de Australiërs en Britten was men het verband kwijtgeraakt; zonder ter Poorten in te lichten hadden dezen zich zaterdag in de bergen ten zuidoosten van Bandoeng teruggetrokken in de hoop, de Japanners te kunnen bestoken totdat zij door schepen van Australië uit zouden worden opgehaald, maar voor de drie Nederlandse generaals stond vast dat geen enkel schip er in zou slagen de zuidkust van Java te bereiken, dat ook ter zee omsingeld was.
Al die feiten en omstandigheden waren ook aan van Starkenborgh bekend maar dat betekende niet dat zij zijn zienswijze bepaalden. Hij was gewend in politieke, niet in militaire begrippen te denken en hij zag het als vruchteloos om van de algemene overgave uit te gaan als van een vaststaand feit terwijl ze nog niet eens was geëist. Zou die eis worden gesteld, dan zou men wellicht, hoopte hij, aan de inwilliging voorwaarden kunnen verbinden – zou men niet de eigen positie fataal ondermijnen wanneer men de Japanner van meet af aan duidelijk maakte dat men tot overgave bereid was? Van Starkenborgh was gezant geweest voordat hij tot gouverneur-generaal was benoemd; hij had in zijn diplomatieke carrière geleerd wat onderhandelen was. Het ergerde hem dat de afloop van het te voeren gesprek voor de drie generaals kennelijk al vaststond. Ter Poorten lag hem bovendien niet als mens – hij had hem (het had ter Poorten gekwetst) nooit in vertrouwen genomen, hem niet eens geraadpleegd inzake de overdracht van het opperbevelhebberschap. Wat dit alles aan spanningen had doen ontstaan, kwam nu naar boven: het gesprek met ter Poorten en de twee onderbevelhebbers kende momenten waarop men haast als kemphanen tegenover elkaar stond. Van Starkenborgh slaagde er niet in, een gemeenschappelijke beleidslijn aanvaard te krijgen – opleggen kon hij die niet; hij was geen opperbevelhebber meer.
Men vertrok in drie auto’s, alle gereden door inheemse chauffeurs; kussenslopen dienden als witte vlaggen. Voorop reed de auto met de drie generaals; in de tweede bevonden zich van Starkenborgh, zijn adjudant en de directeur van zijn kabinet, dr. P.J.A. Idenburg, in de derde het hoofd van de Algemene Secretarie van het gouvernement, J.M. Kiveron, en twee deskundigen inzake Japan, H. Hagenaar en dr. A.P.F. Hulsewé – beiden waren verbonden geweest aan de Dienst der Oost-Aziatische Zaken die vóór de oorlog veel aandacht had besteed aan de Japanse spionage.
Spoedig werd het hotel Isola bereikt waar een Japanse officier in een eigen auto voorop ging rijden, nadien ging de kronkelende weg verder klimmen in de richting van Lembang. Op de hoogvlakte lagen hier en daar de rijstvelden van de inheemse bevolking en temidden daarvan haar simpele dorpjes, hogerop tegen de berghellingen de thee- en kinaplantages die Nederlandse ondernemingszin had doen ontstaan. Keek men terug, dan zag men boven Bandoeng op verscheidene plaatsen rook hangen: daar werden (het was daags tevoren begonnen) archiefstukken verbrand.
Men passeerde Lembang dat, ruim 1200 meter boven de zeespiegel, schilderachtig lag temidden van de vulkaanhellingen aan de noordkant van de Bandoengse hoogvlakte – verscheidene Nederlandse en Chinese welgestelden hadden er hun villa’s laten bouwen. Al die villa’s, verlaten door de bewoners die naar Bandoeng waren gevlucht, waren door inheemsen geplunderd en hetzelfde gold voor de huizen en winkels der Chinezen. Deprimerend was het om te zien en ook veelzeggend: er was geen gezag meer, geen Nederlands en geen inheems.
Een eindweegs achter Lembang bereikte men de gevechtspost van kolonel Sjoji. De kolonel had er een rij stoelen en een tafeltje doen plaatsen waarbij zich Japanse militairen en Japanse burgers bevonden (vermoedelijk waren dat journalisten) van wie velen een fototoestel gereed hielden. De Nederlanders moesten uitstappen en kolonel Sjoji die zich, aldus van Starkenborgh in ’48 jegens de Enquêtecommissie, ‘netjes (had) aangedaan door een paar hardgroene handschoenen aan te trekken’5, hield een toespraak in plechtig Japans. Dr. Hulsewé kon uit de tekst niet goed wijs worden en van Starkenborgh zat alweer in zijn auto toen hem duidelijk werd gemaakt dat de Japanner onder meer verklaard had, te begrijpen hoe pijnlijk de tocht naar Soebang voor de Nederlanders was – de gouverneur-generaal vroeg Hulsewé toen, aan de kolonel zijn waardering over te brengen voor zijn hoffelijkheid.
Over de nogal primitieve pasweg die noordwaarts voerde, vorderden de auto’s slechts langzaam. Nu waren aan weerskanten van de route de tekenen te zien van de strijd die er daags tevoren had gewoed: vernielde bunkers (Japanse vlaggen waren in de schietgaten gestoken), kapotte militaire auto’s, lijken van gesneuvelde militairen van het Knil.
Het begon te regenen.
Omstreeks half één kwam het Nederlands gezelschap in Soebang aan. Daar vernam het van een Japans officier dat generaal Imamoera de plaats van samenkomst had gewijzigd: hij wenste de Nederlanders op het vliegveld Kalidjati te ontmoeten, ca. 15 km verder westwaarts. Waarom de Japanse opperbevelhebber tot die wijziging had besloten, was, zo zij het niet al eerder hadden begrepen, de Nederlanders duidelijk toen zij bij het vliegveld kwamen: Japanse bommenwerpers en jagers stonden er in rijen opgesteld.
Generaal Imamoera liet op zich wachten. Hij had Batavia in de vroege ochtend per auto verlaten maar was, nadat hij al veel tijd had verloren (de weg was herhaaldelijk versperd geweest door Japanse colonnes), ca. 50 km ten oosten van Batavia op een punt gekomen waar de brug over een brede, door de regens gezwollen rivier was opgeblazen – het duurde enkele uren voordat hij op een geïmproviseerde voetbrug de rivier kon oversteken en voordat aan de oostelijke oever, in Krawang (zie kaart I), voor hem en zijn gezelschap auto’s waren gearriveerd. Het inheemse bestuur legde geen spoor van animositeit aan de dag. Dat verbaasde Imamoera niet, of beter: niet meer. Enkele jaren lang had hij Japanse eenheden gecommandeerd in bezet China – hij had er de haat van de Chinezen leren kennen, maar sinds hij een week eerder op Java was aangekomen, had hij de sterke indruk gekregen dat de komst der Japanners althans aan een deel van de inheemse bevolking welkom was: hij had vernomen dat inheemsen spontaan naar voren waren gekomen om wegversperringen op te ruimen en om als gids op te treden voor de Japanse troepen, hij had hier en daar inheemsen zien zwaaien met primitieve Japanse vlaggetjes, kinderen hadden de Japanse militairen cocos-sap te drinken gegeven.
★
Terwijl Imamoera naar Kalidjati onderweg was, werden de Nederlanders daar geleid naar een van de bij het vliegveld gelegen woningen die inmiddels door officieren van de Japanse luchtmacht als recreatieverblijf in gebruik was genomen. Zij kwamen er in een luidruchtig gezelschap terecht – in de vrij kleine, benauwde kamer, waar een deel van de Japanners met ontbloot bovenlijf rondliep, daverde het van harde Japanse keelklanken. Het werd er stil toen de bevelhebber van de Japanse luchtvloot die alle luchtoperaties boven Nederlands-Indië had geleid, het woord nam. Hij sprak in het Japans en wat hij had gezegd, werd in het Maleis vertaald. Hij bleek de volledige overgave te hebben geëist en had er de bedreiging aan toegevoegd dat, als die eis niet werd ingewilligd, de gereedstaande bommenwerpers onmiddellijk zouden opstijgen om Bandoeng te teisteren. Op dat alles reageerden de Nederlanders niet. Nadien verstreek uur na uur. Meer dan een kopje slappe thee werd hun niet aangeboden. Het grootste deel van de tijd zaten zij te zwijgen.
Tegen het einde van de middag verscheen Imamoera in Kalidjati. De Nederlanders werden nu naar de aangrenzende woning gebracht waar men in een kamer en suite de dubbele deuren had opengeschoven. Het gesprek nam een aanvang6. Imamoera sprak Japans – de Japanse tolk die hij naast zich had, was het Nederlands goed meester: de man had het zich in Den Haag eigen gemaakt en was nadien enkele jaren vice-consul in Batavia geweest; als Hulsewé moeilijkheden had met het vertalen uit het Japans, nam hij die taak over.
De tolk begon met de aanwezigen aan elkaar voor te stellen. Toen dit was geschied, uitte van Starkenborgh de wens dat de Japanse journalisten en persfotografen die de kamer waren binnengekomen, zouden worden verwijderd. Imamoera willigde die wens in en de suite-deuren werden bovendien gesloten. De Japanner eiste vervolgens zonder verdere plichtplegingen de algemene overgave, daaraan toevoegend dat, indien zijn eis werd ingewilligd, de verslagen Nederlanders zouden ervaren hoe ridderlijk de Japanners zouden optreden. Toen bij de vertaling van dit betoog de woorden ‘algemene overgave’ weerklonken, wendde ter Poorten zich tot van Starkenborgh, zijn handen uitstrekkend alsof hij wilde zeggen: ‘Ziet u wel, dat heb ik voorspeld!’ Die reactie versterkte van Starkenborgh in zijn overtuiging dat van ter Poorten geen weerbare houding te verwachten was; hij, de twee-en-zestigste in de lange rij van gouverneurs-generaal die sinds het begin van de zeventiende eeuw in Batavia en Buitenzorg7 (zie kaart I) hadden geresideerd, betreurde zulks; ‘ik dacht’, zei hij ons bijna twintig jaar later, ‘we zijn hier bijna driehonderdvijftig jaar geweest, ik kan dat niet zomaar opgeven.’8 Hij besloot de leiding van het gesprek aan Nederlandse kant in handen te nemen. Dat werd hem gemakkelijk gemaakt doordat Imamoera hèm als eerste de vraag stelde of hij bereid was zich over te geven. Hij zei neen. Waarom bent u dan hier gekomen, vroeg Imamoera. Van Starkenborgh antwoordde dat hij niet anders had gedaan dan gevolg geven aan de uitnodiging die hem had bereikt en dat hij nu als gouverneur-generaal graag met de Japanse opperbevelhebber zou bespreken hoe het burgerlijk bestuur van Nederlands-Indië (hij wilde bereiken dat het Nederlands bestuursapparaat zijn werk zou kunnen voortzetten) het best kon worden ingericht. Imamoera wees dat af: wij zijn nog in oorlog, zei de Japanner, en de enige vraag waarvoor wij staan is of het vechten gestaakt dan wel voortgezet wordt; hij was niet bereid, over vraagstukken van burgerlijk bestuur te gaan discussiëren – de Nederlanders moesten capituleren.
Van Starkenborgh zei dat hij geen enkele bevoegdheid had om over capitulatie te spreken. Verbazing bij Imamoera: u bent toch opperbevelhebber! Van Starkenborgh antwoordde met er op te wijzen dat hij door de regering van zijn opperbevelhebberschap was ontheven en dat ook de aanwezige militaire autoriteiten niet de bevoegdheid hadden, tot een algemene overgave te besluiten – een plaatselijke overgave was wèl mogelijk, bijvoorbeeld met betrekking tot de strijdkrachten die zich in en bij Bandoeng bevonden; die plaatselijke overgave was, zei hij, al aangeboden.
Bandoeng noemend was het van Starkenborghs bedoeling dat Imamoera het dreigement van kolonel Sjoji en van de bevelhebber van de Japanse luchtvloot zou herhalen. ‘Ik speculeerde daarop’, schreef hij in een in ’47 door hem opgestelde verslag,
‘om aldus de gelegenheid te krijgen, met volle kracht te reageren op het immorele van deze bedreiging ten aanzien van een niet meer verdedigde stad en te wijzen op de vlek die voor de overwinnaar aan een aldus verworven algehele overgave zou blijven kleven … Het dezerzijds prestige in het debat zou er door zijn verhoogd, hetgeen waarschijnlijk geen materiële winst, maar toch zedelijke voldoening, ook voor later, zou hebben gebracht.’
Van Starkenborghs speculatie ging niet op: Imamoera uitte geen dreigementen. De Japanner zei slechts dat het voor hem onbegrijpelijk en ook onaanvaardbaar was dat zich in Nederlands-Indië geen enkele Nederlandse autoriteit meer bevond die bevoegd was tot een algemene overgave. Opnieuw wees van Starkenborgh op de bindende opdracht van de regering – hij sprak nu van een opdracht van de koningin, aannemend dat dat meer indruk zou maken op de Japanse opperbevelhebber die zijn keizer beschouwde als een wezen van goddelijke afkomst wiens bevelen blindelings gehoorzaamd moesten worden. Pogende tijd te winnen, voegde de gouverneur-generaal er aan toe, bereid te zijn, de koningin telegrafisch te verzoeken haar bindende instructie te wijzigen. Imamoera ging daar niet op in. Hij werd ongeduldig. Het gesprek had al ongeveer twintig minuten geduurd en hij was geen stap verder gekomen. Hij zei dat hij het vertrek zou verlaten en dat hij tien minuten bedenktijd gaf. Na die tien minuten zou hij terugkomen en dan verwachtte hij maar één ding: een duidelijk ja of neen op de eis tot algemene overgave die hij, zei hij, handhaafde.
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 15 november 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 4,99