← Deel 11b – Nederlands-Indië II
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Hoe Japan de oorlog verloor
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11b – dr. L. de Jong
Toen Japan op 8 december 1941 de slagschepen van de Amerikaanse Pacific-vloot in Pearl Harbor uitschakelde en ter verovering van de Britse basis Singapore een troepenmacht ontscheepte in het zuiden van Thailand en het noorden van Brits-Malakka, was het niet zijn bedoeling om de twee grote mogendheden waaraan het de oorlog verklaarde: de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, volledig te verslaan. De Japanse leiders die het besluit hadden genomen om aan de Tweede Wereldoorlog te gaan deelnemen, beseften dat zij dáár de krachten niet voor hadden. Hun was het er om te doen, het gehele gebied van wat in Japan ‘de Zuidelijke Oceaan’, de Nanjo, heette, in te voegen in het Japanse keizerrijk opdat het een groot deel zou leveren van de grondstoffen, in de eerste plaats aardolie uit Nederlands-Indië, welke de ‘Groot-Oost-Aziatische Welvaartssfeer’ tot een gebied zouden maken dat in zijn eigen economische behoeften zou kunnen voorzien. Japan was dus uit op een compromisvrede; had het de Verenigde Staten en Groot-Brittannië er eenmaal toe gebracht zich bij zijn veroveringen neer te leggen, dan zou, zo werd vertrouwd, ook de mogelijkheid geschapen zijn, het Chinees-Nationalistisch bewind van generaal Tsjiang Kai-sjek uit te schakelen.
Niet dat die compromisvrede met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië als permanent gedacht werd! In de laatste maanden van ’40 en in ’41 waren door de research-afdeling van het Japanse departement van oorlog, in samenwerking met de hoofdkwartieren van leger en vloot en met het departement van overzeese gebiedsdelen, nog veel ambitieuzer plannen opgesteld waarin er van was uitgegaan dat Japan, nadat het van de oorlog in Europa had geprofiteerd door niet alleen de Nanjo maar ook de Britse Dominions Australië en Nieuw-Zeeland in de wacht te slepen, omstreeks 1960 een beslissende oorlog met de Verenigde Staten zou aangaan die het tot de sterkste mogendheid moest maken in het gehele gebied van de Pacific. Dat voorts, zodra mogelijk, de macht van de Sowjet-Unie in Oost-Azië moest worden gebroken, was een doelstelling die de Japanse heersers al van de Russische Revolutie (1917) af in het oog hadden gehouden.
Zo was dus de greep naar de Nanjo gezien als onderdeel van de aan het eind van de negentiende eeuw begonnen machtsuitbreiding van het Japanse keizerrijk welke Japan uiteindelijk tot de sterkste mogendheid op aarde moest maken, sterker ook dan bondgenoot Duitsland, welks overwinningen in Europa in ’40 en ’41 door Japans heersers gadegeslagen waren met een mengsel van bewondering, jaloezie en bezorgdheid.
★
Dit eerste hoofdstuk van deel 11b beoogt een beknopt beeld te geven van het algemeen verloop van de Tweede Wereldoorlog voorzover deze tegen Japan is gevoerd. Ook in de delen van ons werk waarin wij bezet Nederland en de activiteiten van de Nederlandse regering in ballingschap beschreven, hebben wij steeds aandacht besteed aan het algemene oorlogsverloop en dan niet zozeer aan de veldslagen en overige gevechten maar vooral aan de strategie van de oorlogvoerende partijen en aan de factoren waardoor deze werd bepaald. Zo ook nu. Het gaat ons er om, de lezer een duidelijk beeld te geven van de brede ontwikkelingen die er toe hebben geleid dat Japan ruim drie jaar nadat het een reeks van op het oog schitterende overwinningen had geboekt, volledig verslagen was en zich moest overgeven.
De relatie tussen dat algemene beeld en datgene wat wij in dit en het volgende deel meer in bijzonderheden zullen weergeven, is evident: het brede verloop van de oorlog vormt de achtergrond zowel van het Japanse beleid en van het daaruit voortvloeiende gebeuren in Nederlands-Indië (de inhoud van deel 11b) als van de bemoeienissen met dat gebeuren van de kant van de Nederlandse en Nederlands-Indische autoriteiten in Australië, op Ceylon, in de Verenigde Staten, in Engeland en tenslotte ook in bevrijd Nederland (de inhoud van deel 11c). Wij gaan bij dat alles niet veel verder dan Japans capitulatie, 15 augustus 1945, en de uitroeping van de Republiek Indonesië, twee dagen later. Aan de op die uitroeping volgende politieke en militaire worsteling tussen Nederland en de Republiek, die er toe heeft geleid dat Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over de Indische archipel, Nieuw-Guinea uitgezonderd, overgedragen heeft aan Indonesië, zullen wij aandacht besteden in deel 12 van ons werk, Epiloog.
Terug naar 1941.
★
Het oorlogsplan voor de Nanjo hield in dat Japan zich, na de onverhoedse uitschakeling van de Amerikaanse Pacific-vloot, in een reeks zorgvuldig op elkaar afgestemde gecombineerde operaties meester zou maken (zie kaart I op de pag.’s 4–5) van het Britse Hongkong, van de Amerikaanse bases Wake en Goeam, van de Philippijnen die nog onder Amerikaans oppergezag stonden, van de Britse Gilbert-eilanden, van de Australische Bismarck-archipel, van Nederlands-Indië, van Brits-Borneo, het schiereiland Malakka en Singapore, van de Andamanen en de Nicobaren in de Golf van Bengalen en tenslotte van Brits-Birma dat veroverd moest worden van Thailand uit – Thailand dat formeel onafhankelijk zou blijven, zou daartoe een Japanse troepenmacht moeten toelaten.
Dit ambitieuze, hoogst gecompliceerde veroveringsprogram was goeddeels verwezenlijkt op de dag, 8 maart 1942, waarop in Kalidjati op Java de algemene capitulatie van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het Knil, tot stand kwam. Afgezien van het verzet, hier en daar, van kleine guerrilla-eenheden, moest Japan toen binnen het te veroveren gebied nog slechts de weerstand breken van de Amerikaanse en Philippijnse troepen die zich op Luzon, het hoofdeiland van de Philippijnen, teruggetrokken hadden op het schiereiland Bataan en die het in de Baai van Manila gelegen fort Corregidor nog in handen hadden (de verdedigers van Bataan zouden begin april, die van Corregidor begin mei capituleren), voorts moest het nog Midden-Celebes en Midden- en Noord-Sumatra veroveren (de laatste eenheden van het Knil zouden zich eind maart overgeven) en tenslotte diende het dieper door te dringen in Birma en bezettingsdetachementen te sturen naar de Andamanen en de Nicobaren.
Het offensief ter verovering van Birma was toevertrouwd aan het Japanse Vijftiende Leger – een van de vier legers die tot de door generaal graaf Hisaïtsji Teraoetsji gecommandeerde Nanjo-legergroep behoorden. De voorhoede van dat Vijftiende Leger was op 8 december ’41 ontscheept in Thailands hoofdstad Bangkok waar de Thaise regering haar niet veel meer dan symbolisch verzet na enkele uren had opgegeven – daarmee was Thailand in de ‘Groot-Oost-Aziatische Welvaartssfeer’ opgenomen.
Het Japanse Vijftiende Leger telde aanvankelijk slechts twee van de over zijn vier legers verdeelde tien infanterie-divisies die Teraoetsji kon inzetten, maar daaraan werden na de val van Singapore, 15 februari ’42, nog twee infanterie-divisies toegevoegd. Bovendien bevond zich bij de eerste twee een uit Birmaanse nationalisten bestaande kleine formatie: het Birmaans Onafhankelijkheidsleger, dat er op rekenen mocht, in Birma steun te ontvangen van een deel van de inheemse bevolking. In de loop
Een moeizame tocht! Gebaande wegen waren er niet in het ontoegankelijk bergland dat Thailand van Birma scheidt – er liepen op enige afstand van elkaar slechts twee primitieve paden; in de loop der eeuwen hadden talloze handelaren en andere reizigers (eind dertiende eeuw was de Venetiaan Marco Polo een hunner geweest) daar gebruik van gemaakt, sommigen gezeten op ossekarren, anderen op olifanten. Het Japanse Vijftiende Leger trof in Thailand niet voldoende olifanten aan en ossekarren werden op dit traject dwars door het tropisch oerwoud (traject bovendien waarop men talloze woeste rivieren, waar geen brug over lag, moest oversteken) te traag geacht. De Japanners gingen gebruik maken van hun kleine legerkarretjes die hier, als er geen olifanten waren, door de militairen zelf werden voortgetrokken. ‘Meermalen heb ik’, schreef later een Knil-officier die met tienduizenden andere krijgsgevangenen en enkele honderdduizenden Aziatische arbeiders van september ’42 tot november ’43 ingezet was om naast een van die twee paden de Birma-spoorweg aan te leggen,
‘Japanse troepen moeizaam langs dit modderige en vrijwel onbegaanbare karrespoor zien trekken. Elke sectie had zo’n Japans karretje bij zich, waarop ze hun veldzakken en munitie vervoerden. Zes man liepen in de touwen en trokken het karretje met veel moeite door de blubber en over de keien en boomstronken heen. Als er rust werd gecommandeerd, vielen ze, zonder er op te letten waar ze stonden, net als honden voor een hondekar, zo in de blubber neer, zo moe waren ze. Na een korte rust trokken ze verder, zo nu en dan losten anderen de trekkers af. Allen zaten ze zeer slecht in de kleren: vuile, gescheurde en versleten jassen en broeken. Vaandels en Japanse vlaggen voerden ze mee. En zo kwam dan het leger, na een wekenlange tocht, doodmoe, uitgeput en stinkend in Birma aan’2 –
er was daartoe door de bergen een afstand afgelegd van meer dan 400 kilometer.
De Engelsen waren niet in staat, Birma te behouden. De Japanse divisies kregen er de steun van duizenden die zich onder de vanen van het Birmaans Onafhankelijkheidsleger schaarden – linie na linie moesten de Britse troepen, die zich overal van spionnen omgeven wisten, prijsgeven. In Rangoon, dat door de Britse Governor verlaten was, trokken de Japanners op 8 maart binnen en begin mei hadden de laatste Britse en Brits-Indische eenheden alsook de Chinese die hun te hulp gesneld waren, het grootste deel van Birma moeten ontruimen; alleen in het uiterste noorden wisten zij zich te handhaven.
Nog in maart konden de Japanners overgaan tot de bezetting van de Andamanen en de Nicobaren; de voornaamste eilanden van deze twee groepen gingen zij onmiddellijk in staat van verdediging brengen.
Zware tegenslagen voor de Geallieerden! Zwaar vooral omdat de enige landverbinding met Nationalistisch China: de Birma-weg, die Rangoon met Tsjoengking verbond, was weggevallen en omdat de val van Birma een ernstig gevaar leek in te houden voor de positie van de Britten in hun grootste kolonie: Brits-Indië.
★
Churchill had in de herfst van ’41 het modernste Britse slagschip, de ‘Prince of Wales’, en de oude slagkruiser ‘Repulse’ naar Singapore gezonden; zij waren er op 2 december gearriveerd en waren vier dagen later in de Zuidchinese Zee door de Japanners tot zinken gebracht. Nieuwe zware eenheden moesten naar Zuid-Azië worden gezonden – een hachelijke onderneming omdat verscheidene van die eenheden in reserve gehouden moesten worden zowel in de Middellandse Zee als in de Atlantische Oceaan.3 Begin maart werd Admiral Sir Geoffrey Layton, die eerst Singapore op weg naar Java en vervolgens Java op weg naar Ceylon4 verlaten had, tot opperbevelhebber op laatstgenoemd eiland benoemd, eind maart aanvaardde Vice-Admiral Sir James Somerville het bevel over de nieuw-gevormde Britse Eastern Fleet. Deze bestond uit twee grote vliegkampschepen en één klein, vijf slagschepen, twee zware kruisers, vijf lichte (waaronder de ‘Jacob van Heemskerck’), zestien torpedobootjagers (waaronder de ‘Isaac Sweers’) en zeven onderzeeboten (waaronder vijf Nederlandse), maar de twee grote vliegkampschepen, de ‘Formidable’ en de ‘Indomitable’, en het kleine vliegkampschip ‘Hermes’ hadden tezamen slechts 90 vliegtuigen aan boord, verouderde bovendien, en van de vijf, alle uit de Eerste Wereldoorlog daterende slagschepen was slechts één gemoderniseerd.
Deze Eastern Fleet was aanzienlijk zwakker dan het Japanse eskader dat, nadat het begin maart bezuiden Java tal van schepen tot zinken had gebracht, eind maart krachtens een bevel van de opperbevelhebber van de Japanse slagvloot, admiraal Isorokoe Jamamoto, de Indische Oceaan opvoer teneinde de bases van de Eastern Fleet te teisteren en die vloot zo mogelijk te vernietigen. Bij dat Japanse eskader waren o.m. vijf vliegkampschepen met tezamen 300 vliegtuigen ingedeeld alsmede vier moderne slagschepen. Een tweede Japans eskader, dat o.m. één klein vliegkampschip en zeven kruisers telde, had opdracht in de Golf van Bengalen zoveel mogelijk Geallieerde koopvaarders tot zinken te brengen. Dat laatste lukte (omstreeks twintig koopvaardijschepen, waaronder drie van de in Indische wateren al zo zwaar getroffen Koninklijke Paketvaart Maatschappij, werden tot zinken gebracht) maar het sterkste Japanse eskader bereikte slechts een gedeeltelijk succes: de meeste eenheden van de Eastern Fleet hadden zich van Ceylon verwijderd – hùn vliegtuigen konden het Japanse eskader, die van dat eskader konden de Eastern Fleet niet vinden. Slechts de ‘Hermes’, twee Britse zware kruisers en één Britse jager werden tot zinken gebracht en de schade die de Japanse vliegtuigen toebrachten aan de twee Britse bases op Ceylon: Colombo en Trincomalee, was beperkt. Nadien splitste Somerville zijn vloot, niet wetend hoe lang de Japanse eskaders in de Indische Oceaan zouden blijven: hij zond enkele snelle eenheden naar Bombay (zie kaart I op de pag.’s 4–5) en de langzame, en dat waren de meeste, naar de haven van Mombasa in Brits-Oost-Afrika.5
Brits-Indië lag in feite open voor een Japanse invasie.
Erger nog: de Japanse vliegkampschepen en slagschepen konden, als zij dat wensten, diep doordringen in de Indische Oceaan tussen Brits-Indië en Afrika. Wat zouden de gevolgen zijn van dat laatste? De Britse Chiefs of Staff lieten niet na, daar de chef van de Amerikaanse legerstaf, General George C. Marshall, die zich in Londen bevond6, met nadruk op te wijzen: de Britten zouden hun vitale aardolie-aanvoer uit de Perzische Golf kwijtraken, de zuidelijke toevoerweg naar de Sowjet-Unie, die via Perzië liep, zou komen te vervallen en men zou de bevoorrading van de Britse strijdkrachten in het oosten van de Middellandse Zee, die goeddeels gebaseerd was op de scheepvaartroute langs Oost-Afrika en dan door de Rode Zee noordwaarts, moeten opgeven. Het gevolg van dit alles zou zijn dat de Britten, in Noord-Afrika al in het nauw gebracht door Rommels Afrika-Korps, zich in het Midden-Oosten niet zouden kunnen handhaven, dat Turkije zou bezwijken onder de Duitse druk en dat, naar men moest aannemen, de Duitsers zich meester zouden maken van de aardoliebronnen van de Kaukasus – ja, het leek mogelijk dat de Duitsers en de Japanners elkaar in het Midden-Oosten of in Zuid-Azië de hand zouden reiken. Kon, aldus het klemmend beroep van de Britse Chiefs of Staff, Amerika niet helpen deze katastrofale ontwikkeling te voorkomen door de Eastern Fleet met spoed te versterken met Amerikaanse vliegkampschepen, slagschepen en kleinere eenheden?
Dat denkbeeld werd door de opperbevelhebber van de Amerikaanse vloot, Admiral Ernest J. King, en de Chief of Naval Operations, Admiral Harold E. Stark, met beslistheid verworpen. Beiden, aldus de Amerikaanse historica Grace Person Hayes in haar The History of the Joint Chiefs of Staff in World War II, The War against Japan7,
‘were opposed to combining vessels of the two nations in the Indian Ocean under British command. They had never approved the British scheme of concentrating on the defensive in that area, and they felt that the US Navy’s job was to engage the enemy wherever possible in the US Navy’s own area of strategic responsibility – the Pacific. Such operations, they felt, would also serve to divert Japanese attention from the Indian Ocean.’8
Spoedig werd duidelijk dat King en Stark dat laatste goed hadden gezien: uit opgevangen radioberichten, gesteld in een code welke de Amerikanen kort tevoren hadden gebroken, bleek later in april dat de meeste eenheden van Jamamoto’s slagvloot naar Japan waren teruggekeerd.
Naar het keerpunt
De formidabele successen die de Japanners bij hun offensief ter verovering van de Nanjo hadden behaald, hadden niet alleen in Londen en Washington maar vooral ook in Australië’s hoofdstad Canberra diepe bezorgdheid gewekt. De Australische publieke opinie verwachtte niet anders dan dat een invasie van Australië op handen was – hoe deze te keren? Australië had begin ’42 drie infanterie-divisies te velde, alle drie in het Midden-Oosten. Van die drie werden, zoals in ons vorige deel vermeld, twee: de 6de en 7de, in januari voor Nederlands-Indië bestemd – die twee waren het waarvan Wavell in het telegram dat hij op 16 februari naar Londen en Washington zond, voorstelde dat zij naar Birma gezonden zouden worden. Australië’s Prime Minister, John Curtin, zette evenwel zijn voet dwars, gaf ondanks Churchills woedende protesten geen verlof dat zij in Birma werden ingezet en eiste dat zij naar Australië zouden terugkeren. Dat geschiedde.9
Inmiddels had de Amerikaanse opperbevelhebber op de Philippijnen, General Douglas MacArthur, zich op bevel van president Roosevelt naar Australië begeven. Hij kwam er op 17 april aan en werd er op voorstel van Roosevelt door Curtin benoemd tot, zo heette het, ‘Supreme Commander of all Allied Forces in the Southwestern Pacific’. Wat zouden de grenzen zijn van zijn gezagsgebied? Wat zou met name de grens in het westen worden waar MacArthurs gebied zou overgaan in dat waar de Brit Layton van Ceylon uit het opperbevel voerde? Toen het in de tweede helft van februari duidelijk werd dat Java en Sumatra verloren zouden gaan, hadden de Britse Chiefs of Staff aan hun collega’s, de Amerikaanse Joint Chiefs of Staff, voorgesteld dat Sumatra, Java en de Kleine Soenda-eilanden onder Layton zouden vallen, maar dat denkbeeld werd door de Amerikanen verworpen. Java en de Kleine Soenda-eilanden, betoogden dezen, moest men zien als het militaire voorterrein van Australië en militaire operaties in dat deel van de Indische archipel konden van Australië uit beter georganiseerd worden dan van Ceylon en Brits-Indië uit. Zij kregen hun zin: de Combined Chiefs of Staff, beslisten begin maart dat slechts Sumatra onder Layton’s opperbevel zou vallen maar dat de overige Buitengewesten en Java onder een nieuwe opperbevelhebber in Australië zouden ressorteren. Die beslissing werd door Roosevelt en Churchill goedgekeurd. Vervolgens werd zij in Londen aan de orde gesteld in een vergadering van de Pacific War Council welke op 10 maart plaatsvond. De Australische vertegenwoordiger drong er daar op aan dat Australië met al zijn omringende zeegebieden duidelijk in de Amerikaanse sfeer zou vallen en de Nieuwzeelandse sloot zich daarbij aan. Nederlands minister-president, Gerbrandy, ‘said’, aldus de notulen10, ‘that his government agreed with the main division of the areas, provided that no special rigidity was implied in the arrangement.’ Een begrijpelijke opmerking! Immers: Nederlands-Indië werd, wat de toekomstige militaire operaties betrof, in tweeën gedeeld. Churchill, voorzitter van de Pacific War Council, ging met geen woord op de gemaakte opmerking in maar beperkte zich er toe, warme waardering te uiten voor de moedige houding welke de Nederlandse regering in de kritieke periode van de strijd om Indië aan de dag had gelegd.
Op Java was Abda-Command een inter-Geallieerde bevelsorganisatie geweest: onder die ene opperbevelhebber, Wavell, waren Amerikanen, Britten en Nederlanders bevelhebber geweest. Roosevelt en Marshall drongen er bij MacArthur op aan dat deze als Supreme Commander dat voorbeeld zou volgen, maar MacArthur weigerde: de staf waarmee hij op 18 april in zijn nieuwe standplaats Melbourne, spoedig Brisbane (zie kaart I op de pag’s 4–5), in functie trad, bestond nagenoeg uitsluitend uit Amerikanen, aan wie slechts enkele Australische officieren en één officier van het Knil als verbindingsofficieren waren toegevoegd.
In deze, wat Amerika betrof, vroege fase van de Tweede Wereldoorlog was van alle Amerikaanse hoge militairen MacArthur de enige wiens naam bij de Amerikaanse publieke opinie grote bekendheid was gaan genieten: de strijd op Luzon en met name de hardnekkige verdediging van het schiereiland Bataan waren in de Verenigde Staten met spanning gevolgd, waarbij van belang was dat, al hadden Duitsland en Italië krachtens een tevoren met Japan gemaakte afspraak op de Japanse oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten onmiddellijk de hunne laten volgen11, Japan als de mogendheid die de verraderlijke overval op Pearl Harbor had gepleegd, door een groot deel van het Amerikaanse volk veel meer als de eigenlijke vijand werd beschouwd dan Duitsland en Italië. Was het dan niet zinvol, alle tegen Japan te ondernemen militaire operaties door één opperbevelhebber te laten leiden en moest dat dan niet MacArthur zijn? Voor de admiraals King en Stark was dat onaanvaardbaar: de oorlog tegen Japan zou in de eerste plaats een oorlog ter zee zijn, een oorlog dus van de US Navy met steun (voor landingsoperaties) vooral van de mariniers van het US Marine Corps, dus moest die oorlog door een admiraal, niet door een generaal, geleid worden. De constructie die na lange, soms heftige discussies uit de bus kwam (evenals in Japan en elders was er in de Verenigde Staten sprake van een aanzienlijke rivaliteit tussen leger en vloot), was deze dat, onder president Roosevelt als Amerikaans opperbevelhebber en de Combined Chiefs of Staff als gecommitteerden van Roosevelt en Churchill, de strategische leiding van de tegen Japan te ondernemen operaties bij de Amerikaanse Joint Chiefs of Staff kwam te berusten; zij gaven via Marshall, Chief of the US Army Staff, hun aanwijzingen aan MacArthur door en via King, Commander-in-Chief of the US Navy, aan de marinebevelhebbers in de drie gebieden waarin het uitgestrekte zeegebied van de Stille Oceaan werd verdeeld: het noorden, het midden en het zuiden. Van die drie gebieden zou het middengebied, dat in de richting van Japan-zelf wees, zich als het belangrijkste ontpoppen – opperbevelhebber werd hier Admiral Chester W. Nimitz met zijn hoofdkwartier in Pearl Harbor; als Commander-in-Chief Pacific Ocean Area voerde hij óók het opperbevel in het noordelijke gebied, niet in het zuidelijke dat onder opperbevel van Vice-Admiral Robert L. Ghormley rechtstreeks onder King stond; Ghormley vestigde zijn hoofdkwartier in Auckland (Nieuw-Zeeland).
Gelijk gezegd: MacArthur, Nimitz en Ghormley kregen hun aanwijzingen van de Joint Chiefs of Staff. Hun positie verschilde dus van die welke generaal Wavell als opperbevelhebber van Abda-Command had ingenomen en van die welke generaal Eisenhower ging innemen toen eenmaal tot de Geallieerde landingen in Frans-Marokko en Frans-Algerië was besloten: zij kregen hun aanwijzingen van het Amerikaans-Britse college van de Combined Chiefs of Staff. Dat verschil vloeide voort uit het feit dat de Britse, de Australische, de Nieuwzeelandse en de Nederlandse regering begin april ’42 hadden goedgekeurd12 dat de strategische verantwoordelijkheid voor de oorlog in de Pacific uitsluitend bij de Verenigde Staten zou berusten. Van die goedkeuring zouden de Amerikanen een vèrgaand gebruik maken: bijzonderheden over het verloop van de strijd tegen Japan werden noch aan de Britse, noch aan de Australische, Nieuw-zeelandse en Nederlandse autoriteiten meegedeeld en van al die autoriteiten waren de Britse de enige die in het kader van de besprekingen tussen Roosevelt en Churchill en van het overleg binnen de Combined Chiefs of Staff althans over de hoofdlijnen van de Amerikaanse strategie werden ingelicht.
★
Was de Japanse strategie, gelijk eerder vermeld, gericht op het bereiken van een vrede door compromis, de Amerikaanse had van meet af aan een veel verder strekkende doelstelling: Japan moest volledig verslagen worden.
Maar hoe?
In de eerste maanden van ’42 nam in het denken van alle Amerikaanse autoriteiten die met dit probleem worstelden, Nationalistisch China een belangrijke plaats in; de meeste Japanse legerdivisies stonden in China en moesten dus, zo nam men aan, in China verslagen worden, anders gezegd: het grote Amerikaanse offensief moest met een boog door het zuiden van de Pacific niet op Japan maar op China afstevenen. Ook werd China gezien als het enige gebied waar men te zijner tijd voldoende Amerikaanse zware bommenwerpers kon stationeren om de industriële bedrijven in Japan en Mandsjoerije te teisteren. Het offensieve plan dat de War Plans Division van het Navy Department in Washington medio april ’42 op schrift stelde, voorzag (zie kaart I op de pag.’s 4–5) in landingen in de Bismarck-archipel, op de noordkust van Nieuw-Guinea, op de Marshall-eilanden en op de Carolinen – hoe men vandaar dan verder zou gaan (naar de Philippijnen? naar Nederlands-Indië?), werd in het midden gelaten. Duidelijk was dat MacArthur als opperbevelhebber in de Southwest Pacific Area bij de uitvoering van dat plan een belangrijke rol zou gaan spelen. Dat was geheel in overeenstemming met zijn eigen wensen. In de Amerikaanse militaire hiërarchie was zijn positie uniek: in ’35, toen de man die hem nu zijn directieven toezond, Marshall, nog slechts kolonel was geweest, had hij de hoogste legerfunctie, die van Chief of Staff of the US Army, neergelegd – nadien was hij in dienst getreden van de regering van de Philippijnen waar hij de Philippijnse strijdkrachten was gaan opbouwen. Wij hebben in ons volgende deel, 11c, meer over hem te schrijven – hier willen wij er slechts op wijzen dat MacArthur er zich in mei ’42 met kracht tegen uitsprak dat de Verenigde Staten zich zouden houden aan de afspraak die zij al begin ’41 met Groot-Brittannië hadden gemaakt: dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, als zij met Japan, Duitsland en Italië in oorlog zouden geraken, er samen naar zouden streven, eerst Duitsland en Italië en pas daarna Japan te verslaan. Wilde men, naast het Duits-Russische front in Oost-Europa, een ‘Tweede Front’ om de Sowjet-Unie te ontlasten? Dan, zo betoogde MacArthur, moest dat niet tegen Duitsland gevormd worden maar tegen Japan, omdat zulk een front bij de Russen de vrees zou wegnemen dat Japan hen zou aanvallen – de Russen zouden dan een groot deel van hun strijdkrachten uit Oost-Siberië naar Europa kunnen verplaatsen. Bovendien zou men aldus kunnen voorkomen dat maarschalk Tsjiang Kai-sjek, die zich ten zeerste geërgerd had aan het feit dat de besluitvorming in Washington geheel buiten hem om ging, een accoord met de Japanners zou gaan nastreven.
Roosevelt hield zich aan de begin ’41 gemaakte afspraak. Toen in mei en juni ’42 was komen vast te staan dat het Amerikaanse plan om op korte termijn in West-Frankrijk te landen onuitvoerbaar was, werd eind juli door de Combined Chiefs of Staff besloten dat er later in het jaar een grootscheepse landing zou plaatsvinden in Frans-Noord-Afrika. Bij het Amerikaanse leger behield het Europese strijdtoneel dus een zekere prioriteit maar in de omstandigheden die door het Japanse Nanjo-offensief waren geschapen, betekende dat niet dat er van de nieuwe Amerikaanse eenheden die in allerijl werden geformeerd, in ’42 wezenlijk méér naar het Europese strijdtoneel dan naar dat in de Pacific werden gezonden. In die Pacific moest vóór alles voorkomen worden dat Japan voet aan land zette in Australië of op de eilandengroepen tussen Australië en de Hawaii-eilanden. De opbouw van een reeks van steunpunten, hetgeen de voorwaarde was voor een later grootscheeps offensief tegen Japan, slorpte in de loop van ’42 veel meer krachten op dan in Washington was voorzien. Trouwens, in december ’41, toen niemand wist welke verrassingen Japan na Pearl Harbor nog in petto had, was óók besloten, Alaska en het gebied van het Panamakanaal in betere staat van verdediging te brengen. Er werden in de Verenigde Staten in het eerste jaar na Pearl Harbor 73 nieuwe legerdivisies geformeerd, maar door het gebrek aan scheepsruimte kon men daarvan slechts 17 overzee transporteren en van die 17 werden er 9 naar het gebied van de Pacific gezonden. Van de vliegtuigen die de Amerikaanse Army Air Forces in de strijd konden
★
Hoeveel krachten de defensie aanvankelijk ook vergde, de Amerikanen bleven offensief denken. De slagschepen van de Pacific Fleet waren uitgeschakeld, maar niet de zeven vliegkampschepen (Japan had er elf), niet de meeste kruisers, torpedobootjagers en onderzeeboten. Al in februari en maart gingen lichte Amerikaanse zeestrijdkrachten brutaalweg tot aanvalsacties over in de gebieden van de Gilbert- en de Marshalleilanden. Veel hadden die niet om het lijf maar de desbetreffende communiqué’s waren de Amerikaanse publieke opinie bijzonder welkom: Amerika viel aan!
Er was toen al een spectaculairdere actie in studie die, zo werd vertrouwd, de Amerikaanse publieke opinie zou bemoedigen en aan het moreel der Japanners een zware slag zou toebrengen: een luchtbombardement van Tokio. Het was een plan van de staf van admiraal King. Moeilijk uitvoerbaar! De Amerikaanse marine zou met haar vliegkampschepen minstens 800 km uit de kust van Japan moeten blijven en de marine had geen bommenwerpers welke die afstand zouden kunnen afleggen – men besloot, het er op te wagen met bommenwerpers van het leger, B-25’s, Mitchells. Die zouden evenwel niet kunnen terugkeren naar het ene vliegkampschip vanwaar ze zouden zijn opgestegen (dat vliegkampschip zou zich met een tweede, dat de gehele operatie dekte, zo spoedig mogelijk weer van Japan moeten verwijderen), maar zouden moeten doorvliegen om ergens op het vasteland van Azië te landen. De Sowjet-Unie, bevreesd haar door Japan gerespecteerde neutraliteit in gevaar te brengen, weigerde begrijpelijkerwijs medewerking, maar Tsjiang Kai-sjek stelde in zijn gebied een aantal vliegvelden ter beschikking die evenwel niet ver lagen van punten welke in handen waren van de Japanners.
Het gevolg van al deze voorbereidingen was dat op 18 april volslagen onverwachts zestien Mitchells (meer had men niet van het vliegdek van het betrokken vliegkampschip kunnen laten starten) boven Tokio verschenen en er hun bommen afwierpen. ‘The extent to which the Japanese were surprised by this attack from the air was’, zo noteerde enige tijd later de Nederlandse tolk van de Nederlandse legatie te Tokio die van het uitbreken van de oorlog af geïnterneerd was in het legatiecomplex,
‘clearly to be seen in the small circles of our closed and guarded Legation. For our ‘protectors’ and for the Japanese house servants it was a real shock. In vain they tried to hide it behind their expressionless faces, but their nervous walking to and fro between the guard room and the houses and their whole reaction betrayed them. The Police Inspectors were so confused that they allowed the Netherlands members of the staff the opportunity of observing the events from the roof of the Minister’s house, and even joined them there. Only after we had seen fires break out in three places … and had been able to see that the anti-aircraft fire was slight and late, while no opposition was given by Japanese aircraft, were we requested to go below ‘for our safety’ … The air-raid alarm was not sounded for about a quarter of an hour after we had heard the first explosion.
… I got the impression that the psychological results of the attack were out of all proportion to the damage done. Shortly after this happened, the newspapers gave an emphatic warning against the spreading of rumours, which would be severely punished.’13
Eén van de zestien Mitchells raakte uit de koers en landde bij Wladiwostok (de bemanning werd er geïnterneerd), de vijftien overige wisten, geholpen door een krachtige oostenwind, over een afstand van ca. 2000 km het gebied te bereiken waar Tsjiang Kai-sjeks vliegvelden lagen. Vier Mitchells maakten er noodlandingen, de bemanningen van de overige elf sprongen per parachute af; daarbij werd één bemanningslid, aan zijn parachute hangend, door de Japanners beschoten en gedood; acht anderen werden door hen krijgsgevangen gemaakt en die acht werden krachtens een regeling, eind juli ’42 ingevoerd, waaraan Japans minister-president en minister van oorlog, generaal Hideki Todjo, terugwerkende kracht had gegeven, door een Japanse rechtbank in China ter dood veroordeeld. Aan vijf veroordeelden liet Todjo gratie verlenen, drie werden in oktober geëxecuteerd, zulks als eersten van een lange reeks, want het werd meer en meer gewoonte van de Japanners om militairen van de Geallieerde luchtmachten die hun als krijgsgevangenen in handen waren gevallen, van het leven te beroven.14
Het gebied waar de vliegvelden lagen waarvan de Mitchells gebruik hadden gemaakt, werd spoedig door de Japanners veroverd.
★
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 15 november 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 4,99