← Deel 11c – Nederlands-Indië III
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – ‘Schamele overschotten’
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11c – dr. L. de Jong
Ons vorige deel heeft een beeld gegeven van wat in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting is geschied en daarin hebben wij geen melding gemaakt van de moeite die Nederlandse en Nederlands-Indische autoriteiten zich buiten Indië hebben gegeven om de deelneming van Nederlandse krachten aan de oorlog tegen Japan te bevorderen en om het herstel van het Nederlands gezag in de archipel voor te bereiden. Die autoriteiten hebben namelijk geen greep gekregen op de ontwikkelingen in Indië, ja zij hebben daar nauwelijks iets van af geweten. Indië had in de periode der Japanse bezetting een eigen, in hoge mate door de Japanners bepaalde geschiedenis die los stond van de bemoeienissen dier autoriteiten. Dat is een wezenlijk verschil met bezet Nederland. Daar luisterde een groot deel van de bevolking van de zomer van ’40 af naar de Londense radio-uitzendingen, daar werden eerst enkele, later tientallen geheime agenten actief en daar kwam in de zomer van ’44 een vaste verbinding tot stand van de georganiseerde illegaliteit met de regering in ballingschap. De zich gestaag uitbreidende illegale pers kreeg impulsen uit Londen en beïnvloedde van haar kant het regeringsbeleid op belangrijke sectoren. De aanzet tot de vorming van de Binnenlandse Strijdkrachten werd begin september ’44 van Londen uit gegeven, de Spoorwegstaking waartoe het in het midden van die maand kwam, was gevolg van een consigne van de regering. Konden wij voor de eerste vier bezettingsjaren de gebeurtenissen en ontwikkelingen in bezet Nederland enerzijds en die in Londen anderzijds nog in aparte delen behandelen1 omdat toen de invloed welke de regering op de gang van zaken in bezet gebied uitoefende, nog beperkt was, voor het laatste bezettingsjaar2 was die splitsing niet meer mogelijk, zozeer was toen wat in Londen geschiedde, verweven met wat zich afspeelde in bezet gebied.
Van zulk een verwevenheid is met betrekking tot Indië geen sprake geweest. Naast andere factoren die nog ter sprake zullen komen, hebben daarbij twee een rol gespeeld die thans reeds vermelding verdienen: het geringe aantal van de krachten die uit Indië ontkomen waren, en de grote afstanden. Zeker, ook in Engeland was het regeringsapparaat beperkt en konden slechts bescheiden eigen strijdkrachten worden gevormd maar de regering bevond er zich in een centrum van de Geallieerde oorlogvoering en zij was slechts door de Noordzee van bezet gebied gescheiden. De autoriteiten die Indië tijdig hadden kunnen verlaten, vestigden zich ten dele op Ceylon3, ten dele in Melbourne (later Brisbane) in Australië – van Ceylon was de afstand naar Java, het volkrijkste en in politiek opzicht belangrijkste eiland van de Indische archipel, ca. 4000 km, van Melbourne en Brisbane meer dan 5000 km. Daar kwam dan nog bij dat Ceylon tot een Brits, Australië tot een Amerikaans z.g. War Theatre (operatiegebied) behoorde en dat Indië over die twee War Theatres verdeeld was: Sumatra behoorde tot een Brits dat in september ’43 South-East Asia Command ging heten, de gehele rest van Nederlands-Indië (Java, Borneo en de Grote Oost) tot een Amerikaans: de in april ’42 gevormde South-West Pacific Area. In beide War Theatres bevonden zich Nederlandse dan wel Nederlands-Indische autoriteiten en strijdkrachten.
Die autoriteiten waren gering in aantal, die strijdkrachten miniem.
In de zee-oorlog die in de Indische archipel was gevoerd, had de Koninklijke Marine bijna al haar bovenwaterschepen verloren, van de Marineluchtvaartdienst, de MLD, waren slechts weinige vliegboten veilig bij Ceylon of Australië neergestreken, van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, het Knil, kwamen slechts twee compagnieën in Australië terecht en daar bevond zich, toen het Knil op Java capituleerde, maar een klein aantal toestellen van de Transportafdeling van de Militaire Luchtvaart. Een wezenlijke uitbreiding van al die militaire krachten zou pas mogelijk zijn als het moederland was bevrijd en die uitbreiding zou dan ook nog tijd vergen. Zolang er ter plaatse geen belangrijke versterkingen waren gearriveerd, beschikte het koninkrijk in de gebieden vanwaaruit de oorlog tegen Japan werd gevoerd, dus niet over machtsmiddelen van betekenis. Samenhangend met het feit dat er twee War Theatres bestonden, waren de militaire krachten die wèl beschikbaar waren, bovendien verdeeld: een deel opereerde van Ceylon, een deel van Australië uit. Zij ressorteerden alle onder de vroegere commandant-Zeemacht in Indische wateren, vice-admiraal C.E.L. Helfrich, die na de verloren Slag in de Javazee door gouverneur-generaal jhr. mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer naar Ceylon was gezonden en daar door de Londense regering was benoemd tot Bevelhebber Strijdkrachten Oosten oftewel BSO. Hij bevond er zich evenwel zo ver van Australië dat hij voor de dáár aanwezige strijdkrachten een onderbevelhebber moest benoemen: de Onderbevelhebber Strijdkrachten Oosten oftewel de OBSO. Die vier letters gingen in Australië spoedig de aanduiding vormen van een ander begrip: de Onderbevelhebber Schamele Overschotten.
Inderdaad, van wat zich in Indië in de maanden van de Japanse invasie bevonden had aan Nederlandse en Nederlands-Indische krachten op bestuurs-, militair en economisch gebied, waren slechts schamele overschotten op Ceylon en in Australië beland en wat in eerste instantie van Londen uit aan hen werd toegevoegd, had ook maar zeer weinig om het lijf.
Wij willen nu eerst naar Ceylon, vervolgens naar Australië zien.
Ceylon
Gelijk vermeld, was het gouverneur-generaal van Starkenborgh geweest die admiraal Helfrich opdracht had gegeven, naar Ceylon te gaan. Hij moest er zich in de hoofdstad, Colombo, bij de bevelhebber van de Britse Eastern Fleet, Vice-Admiral Sir Geoffrey Layton, melden en er een nieuw hoofdkwartier inrichten. Dat van Starkenborgh Helfrich niet naar Australië maar naar Ceylon zond, was niet onbegrijpelijk: ook General Sir Archibald Wavell was na de opheffing van Abda-Command naar Ceylon vertrokken, zulks in de nacht van 25 op 26 februari ’42, en in Australië bevond zich in die tijd geen enkel Geallieerd hoofdkwartier.
Door twintig marine-officieren (onder wie het hoofd van de Marinevoorlichtingsdienst, luitenant-ter-zee eerste klasse H.V. Quispel) en vier minderen vergezeld, verliet Helfrich Java in de vroege uren van 2 maart. Hij en zijn gezelschap werden door vier vliegboten, Catalina’s, van de MLD naar Ceylon overgebracht.
Wat kwam daar nog meer aan krachten aan? Uit Indië geen bestuursfunctionarissen en geen Knil-militairen, wèl enkele marine-eenheden: vier onderzeeboten (de ‘K 11’, ‘K 14’, ‘K 15’ en ‘O 19’), de kanonneerboot ‘Soemba’, de mijnenlegger ‘Willem van der Zaan’ en het voorraadschip ‘Zuiderkruis’. Voorts arriveerden met diverse schepen een groep adelborsten, ca. twintig functionarissen van scheepvaartmaatschappijen, ca. vijftig personeelsleden van de Soerabaja Droogdok Maatschappij en, als grootste groep, ca. driehonderdzestig krachten van het Marine-etablissement te Soerabaja.
Behalve uit Indië arriveerden op Ceylon ook uit de Britse wateren en uit de Middellandse Zee Nederlandse zeestrijdkrachten die van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (tegelijk minister van marine), luitenant-admiraal J.Th. Furstner, opdracht hadden gekregen de Geallieerde vloot in Indische wateren te versterken maar daar te laat arriveerden en naar Colombo werden gedirigeerd: de lichte kruiser ‘Jacob van Heemskerck’, de torpedobootjager ‘Isaac Sweers’ en drie onderzeeboten: de ‘O 21’, ‘O 23’ en ‘O 24’. Tenslotte kwam op Ceylon met het tot onderzeebootmoederschip omgebouwde vracht- en passagiersschip ‘Colombia’ uit Engeland een eerste detachement aan van de Irene-brigade: negentien officieren (onder wie vijf van de zes officieren van het Knil die in ’41 naar Engeland gezonden waren om er het kader van de Irene-brigade te versterken4), vijf-en-zestig onderofficieren en korporaals, zeventig soldaten.
Wat te doen met al deze krachten? Wij komen op hun activiteiten in latere hoofdstukken terug – hier willen wij ons er toe beperken, te vermelden dat de adelborsten naar Engeland werden gezonden om er hun opleiding te voltooien, dat de scheepvaartfunctionarissen in de havens van Ceylon en Brits-Indië de zorg op zich namen voor de Nederlandse koopvaardij, dat de krachten van de droogdokmaatschappij en van het Marine-etablissement voor een groot deel in Zuid-Afrika belandden waar zij bij scheepsreparaties werden ingeschakeld (en voor een klein deel in de Verenigde Staten waar zij tot in de zomer van ’43 geen zinvol werk kregen), dat de ‘Jacob van Heemskerck’, de ‘Sweers’ en de ‘Colombia’ in verband met het verschijnen van de Japanse slagvloot in de Indische Oceaan mèt het grootste deel van de Eastern Fleet spoedig naar Mombasa in Afrika voeren en dat het detachement uit de Irene-brigade, waarvan de leden eerst als havenarbeiders waren ingezet (in Colombo en in de oorlogshaven op Ceylon, Trincomalee, waren de inheemse arbeiders er vandoor gegaan na de eerste Japanse luchtbombardementen), in drieën werd gesplitst: een deel werd naar Engeland teruggestuurd, een deel aan het Knil in Australië toegevoegd en uit de ca. tachtig resterende militairen werd een speciale eenheid gevormd, het Korps Insulinde, dat bedoeld was voor het uitvoeren van geheime operaties op Sumatra.
De vorming van dat Korps Insulinde vloeide voort uit de eerste opdracht die Helfrich uit Londen kreeg. Op 4 maart ’42, daags na zijn aankomst op Ceylon, werd hem bericht dat hij enkele tientallen personen: Europeanen (d.w.z. Nederlanders of Indische Nederlanders) dan wel inheemsen, naar Noord-Sumatra diende te zenden waar zij in eventueel door de Japanners bezette gebieden actief moesten worden – wij tekenen hierbij aan dat die opdracht gegeven werd op een moment waarop het nog niet tot de algemene capitulatie van het Knil was gekomen en waarop, los daarvan, in Londen werd vertrouwd dat de Knil-eenheden zich op Noord-Sumatra lang zouden kunnen handhaven.
Een algemene instructie kreeg Helfrich aanvankelijk niet – die ontving hij pas in december ’42, toen hij Londen bezocht. Het door de ministeriële Commissie Oorlogvoering vastgestelde stuk5 hield in dat hij in het Indian War Theatre en in de South-West Pacific Area het bevel voerde over alle Nederlandse en Nederlands-Indische strijdkrachten (ook dus over de uit Indië afkomstige die daar onder het opperbevel van van Starkenborgh hadden gestaan). ‘Operational control’ had Helfrich evenwel niet: alle bedoelde strijdkrachten vielen daartoe onder de opperbevelhebbers van de twee War Theatres. Op nog een tweede punt werden Helfrichs bevoegdheden beknot: werden delen van Indië bevrijd en ging daar dan een militair gezagsapparaat functioneren, dan zou dat apparaat niet onder hèm staan als Bevelhebber Strijdkrachten Oosten – onder wie wèl, werd in de instructie niet gezegd. Te dien aanzien zouden ‘bij beschikking van de minister van koloniën’ (dat was toen dr. H.J. van Mook, die Indië als luitenant-gouverneur-generaal had verlaten) ‘nadere regelingen getroffen (worden), doch’, aldus de instructie, ‘te uwer informatie diene, dat het in de bedoeling ligt, het militair gezag … zo spoedig mogelijk door civiele gezagsdragers te doen uitoefenen.’
Dit alles betekende dat Helfrich weinig te doen kreeg. ‘In feite’, zo constateert de marinehistoricus K.W.L. Bezemer, ‘was de BSO in Colombo niet veel meer dan een papieren admiraal … Zelfs bleef hij als regel onkundig van voorgenomen operaties, hetgeen hem bijzonder dwars zat.’6
Waarom werd Helfrich meestal buiten de operationele plannen gehouden? Was dat louter en alleen een zaak van normale geheimhouding? Neen. Een belangrijke bijkomende reden was dat in hoge Britse en, in versterkte mate, in hoge Amerikaanse marinekringen de opvatting bestond dat hij de zeestrijdkrachten van Abda-Command nodeloos zware verliezen had doen lijden. Aan die verliezen bleef trouwens ook hij zwaar tillen. De ‘ruwe zeebonk’, waarvoor hij door velen werd gehouden, was in werkelijkheid een gevoelige man, die bij tijd en wijle gekweld werd door de vraag of zijn beslissingen wel verantwoord waren geweest, alsook door de scheiding van zijn vrouw en kinderen die hij op Java had moeten achterlaten. Zelfs de overtuiging dat hij in ’s lands belang had gehandeld, kon hem dan niet helpen. Was hem een nuttige taak toebedeeld, dan had hij zijn gedeprimeerdheid wellicht kunnen overwinnen, maar het werk dat hij te doen kreeg, kon hij niet als zinvol zien. ‘Ik mag alleen maar ‘administreren’ ’, klaagde hij in ’43 in een brief aan de Nederlandse marine-attaché in Washington.7
Dat administreren deed hij van een verre van imposant hoofdkwartier uit; het werd kort na zijn aankomst te Colombo gevestigd op de zolderverdieping van een bankgebouw, waar voordien Admiral Layton’s staf ondergebracht was – die staf had een betere behuizing gekregen. Helfrich en de zijnen bleven jaar in, jaar uit op die zolder zitten, die met dunne schotten in kamertjes was verdeeld. Air-conditioning was er niet: het kon er ondragelijk heet zijn. ‘Men heeft mij’, aldus Helfrich in zijn Memoires, ‘ook van Britse zijde wel eens gezegd dat het te eenvoudig was en dat ik naar een ‘waardiger’ omgeving moest verhuizen. Maar wij zijn gebleven’8 – hij spande zich kennelijk zelf niet in om conform het Britse advies te handelen. Het was alsof een veer in hem was geknapt. Toen hij in de eerste helft van ’43 na zijn bezoek aan Londen in Australië vertoefde, was hij, aldus Ch.O. van der Plas, de voorzitter van de daar gevestigde Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland, ‘sterk, rustig, … zeer verdiept en gezuiverd’9, maar van Mook vond hem, zo vertelde deze ons in ’61, ‘een zielige figuur’10 en mr. J.E. van Hoogstraten, een van de leden van de genoemde commissie, zag hem als ‘een in elkaar gezakte pudding van ellende.’11 Een feit is dat hij, Helfrich, over zich heen liet lopen. De vlootvoogd, die zich met alle vezelen van zijn ziel met Indië verbonden voelde, had geen enkele invloed op de strategie die tot de bevrijding van Indië moest leiden en zat op Ceylon ver verwijderd niet alleen van Londen en Washington, waar besluiten werden genomen waar hij geen weet van had en die hij, als ze uit de offensieven bleken, ook niet kon waarderen12, maar ook ver verwijderd van Australië, waar de bevrijding van het grootste deel van Indië moest worden voorbereid. Diende hij daar niet bij te zijn? Zelf vond hij van wel. In Londen drong hij er dan ook eind ’42 met klem op aan dat hij verlof zou krijgen, zijn hoofdkwartier naar Australië te verplaatsen – dat werd eerst goedgevonden maar enkele maanden later, toen hij in Australië op bezoek was, werd dat verlof, hoewel MacArthur gewenst had dat Helfrich daar zou blijven, door Furstner geannuleerd (naar wij vermoeden: op aandrang van de Britse Admiralty) en bij die annulering legde Helfrich zich neer. Hij bleef dus op Ceylon zitten.
De gehele atmosfeer daar werd door van Mook ongunstiger geacht dan die in Australië. ‘Er is hier’, schreef deze laatste, na een verblijf van enkele weken op Ceylon, in mei ’44 aan van der Plas,
‘iets ongezonds in het geheel, niet alleen in de algemene vuilheid en de haast even algemene afkeer die de bevolking in een sombere onwilligheid tegenover de blanke toont, maar ook in de corruptie en de traagheid waarmee de dingen tot stand komen … Ik had hier geen kantoor en soms maar bij de gratie gods een hotelkamer.’
Van Colombo uit had van Mook in Kandy, in de bergen van Ceylon, Mountbattens hoofdkwartier bezocht waar de toegevoegde Nederlands-Indische autoriteiten (toegevoegd om de uitoefening van het militair gezag op Sumatra voor te bereiden) in barakken waren ondergebracht die zeven kilometer van het hoofdkwartier verwijderd waren.
‘Vervoer is primitief: enige malen per dag een truck … In het hoofdkwartier is geen drinkbaar water. Kantooruitrusting allereenvoudigst: van die kasten, tafels en stoelen die je op Kebajoran13 voor een paar gulden kon kopen; een oude veldtelefoon; bij de gratie gods een schrijfmachine; een soort slecht boterhammenpapier om op te schrijven; doorns (!) in plaats van paperclips. Als afgang een alleronzindelijkst emmertjessysteem.’14
Luxe was er in Colombo evenmin, trouwens: in Trincomalee, de basis van de Britse en Nederlandse marine-eenheden en van de vliegboten (die van de MLD inbegrepen), was die ook ver te zoeken. De duizenden marinemannen van diverse nationaliteiten moesten er aan de wal tevreden zijn met twee restaurants en twee bioscopen. De verschillen tussen Ceylon en Australië waren frappant en troffen dan ook de opvarenden van de lichte kruiser ‘Tromp’ die in februari ’44 een tijdlang voor reparatie in de haven van Colombo lag. ‘Men ziet hier niet veel van oorlogsinspanning’, tekende een van de officieren aan (zes maanden na de oprichting van South-East Asia Command!).
‘Grote havens als deze en Bombay hebben nog steeds geen kaden; alles moet geladen of gelost worden met prauwen. De haven ligt dan ook barstens vol met schepen; als er een paar bommenwerpers over komen, blijft er niets van heel. De Amerikanen daarentegen maken in zes maanden zelfs in Engeland kaden van 1500 meter lengte, met olieleidingen, kranen, spoorrails en alles compleet. Dat is de enige manier om de oorlog te winnen. Maar hier gaat men om vijf uur naar huis. Zaterdags en zondags wordt er niet gewerkt en men slaapt rustig verder. Vanmiddag was ik op een nieuw Engels schip, een korvet van de ‘Black Swan’-klasse, en daar vertelde een der Engelse officieren hoe de Amerikanen en hoe de Engelsen een basis inrichten:
‘De Amerikanen sturen eerst twee officieren die kijken wat ze plaatselijk kunnen krijgen aan terreinen, gebouwen enz.; ze kopen dat en seinen dan nauwkeurig naar Amerika wat ze nog nodig hebben. Drie weken later komen de schepen met voorraden en de mensen die voor alles moeten zorgen. Na een maand komen de eerste troepen en na twee maanden loopt de zaak. Dagelijks komen voorraden en troepen binnen.
En nu de Engelsen.
Die beginnen met een paar duizend man te sturen. Daarna begint de commandant lange brieven naar Engeland te schrijven dat het zo niet gaat, want er zijn geen voorraden. Na een jaar dringt het door tot de autoriteiten, die dan kwaad worden en zeggen: ‘Wat zitten die lui daar nu al een jaar niets te doen, roep ze terug!’ Tegen dat ze weg zijn, komen de voorraden aan. De troepen worden vanuit Engeland weer teruggestuurd en als ze aankomen, zijn de voorraden gestolen of verrot.’ ’
‘Dat is niet overdreven’, voegde de officier van de ‘Tromp’ hieraan toe, denkend aan ‘de ellende die ik heb om een doodgewoon schroefje te vinden en dan de moeilijkheden om een passend moertje te vinden voor dat schroefje’ – een ontboezeming welke, evenals trouwens het relaas van de officier van het Britse korvet, door Bezemer ‘gechargeerd’ werd geacht, maar ontboezeming en relaas ‘bevatten’, vond hij, ‘stellig een kern van waarheid.’15
Ceylon was een backwater – ver van Delhi, Brits-Indië’s hoofdstad (brieven uit Colombo naar Delhi en omgekeerd waren in de regel tien dagen onderweg), nog veel verder van Australië, Washington en Londen, en het bewustzijn om op dat weinig inspirerende eiland op een hete zolderverdieping en vrijwel zonder bemoeienis met de eigenlijke oorlogvoering louter administratieve taken te verrichten ten behoeve van kleine groepjes Nederlandse en Nederlands-Indische militairen, droeg er toe bij dat Helfrich, de Bevelhebber Strijdkrachten Oosten, zich fanatiek ging verzetten tegen alles wat hij als een aantasting van zijn positie zag; dat leidde tot een reeks van conflicten tussen hem en van Mook die nog uitvoerig aan de orde zullen komen.
Australië
Wij vermeldden al dat zich, toen vrijwel heel Indië door de Japanners was veroverd, in Australië twee compagnieën van het Knil bevonden; de ene had bewakingsdiensten verricht op de twee schepen waarmee in december ’41 bijna tweeduizend Japanse burgers (ruim veertienhonderd mannen, ruim driehonderd vrouwen, ruim tweehonderd kinderen) uit Indië naar Australië waren overgebracht, de andere was midden februari ’42 uit het uiterste westen van Nieuw-Guinea naar Australië geëvacueerd. Het waren geen volwaardige compagnieën – ook toen de in Australië woonachtige Nederlandse dienstplichtigen, niet velen (er woonden toentertijd in Australië slechts omstreeks zeshonderd volwassen Nederlanders16), gemobiliseerd waren en aan hen de uit Timor teruggetrokken guerrillastrijders waren toegevoegd, beschikte het Knil er slechts over omstreeks vierhonderd militairen voor de strijd te land.
Wat kwam verder aan strijdkrachten in Australië aan?
Van de Transportafdeling van de Militaire Luchtvaart van het Knil streken elf Lockheeds neer (er kwam ook een op 8 maart van Java ontsnapte Glenn Martin-bommenwerper aan) en daaraan voegen wij toe dat zich begin maart ’42 in Australië achttien volledige bemanningen bevonden voor Amerikaanse middelzware bommenwerpers, Mitchells, die toen met Indië als bestemming uit de Verenigde Staten onderweg waren.17
Van de Koninklijke Marine lag de bij Bali beschadigde lichte kruiser ‘Tromp’ begin maart ’42 in Australië in reparatie en er arriveerden nog de oude onderzeeboten ‘K 8’, ‘K 9’ en ‘K 12’ (die laatste met de marinecommandant van Soerabaja, kapitein-ter-zee P. Koenraad, aan boord), de mijnenveger ‘Abraham Crijnssen’ en drie kleine hulpmijnenvegers. Van de vliegboten van de Marineluchtvaartdienst, de MLD, werden er, zoals in ons vorige deel beschreven, zeven in de ochtend van 3 maart bij Broome in noordwest-Australië door de Japanners in brand geschoten – er waren toen in Australië nog maar zeven over (waaronder de vijf oudste Dorniers die gebruikt waren om de instructeurs van de vliegschool van de MLD naar Australië te evacueren) en daar kwamen in de laatste dagen van de strijd op Java nog drie bij; evenwel: vier nieuwe, Amerikaanse Catalina’s, waren uit de Verenigde Staten onderweg.
Behalve de instructeurs waren ook de ca. honderdvijftig leerlingen van de vliegschool van de MLD tijdig naar Australië geëvacueerd en hetzelfde gold voor de veel grotere groep van de vliegschool van de Militaire Luchtvaart van het Knil: enkele tientallen instructeurs en omstreeks driehonderd leerlingen. Alleen de leerlingen van de MLD beschikten over enkele lestoestellen.
Een en ander betekende dat voor ca. vierhonderdvijftig jongeren die hetzij bij de MLD, hetzij bij de Militaire Luchtvaart in opleiding waren, mogelijkheden gevonden moesten worden om die opleiding te voltooien.
Ook van de KLM en van de Knilm (de Koninklijke Nederlands-Indische Luchtvaart Maatschappij) waren verscheidene toestellen naar Australië ontkomen: vijf DC-3’s en drie Lockheed-Electra’s, die tezamen omstreeks tweehonderd personen, onder wie de directeur van de Knilm, W.C.J. Versteegh sr., in veiligheid hadden gebracht. Van talrijke personeelsleden, maar niet van alle, waren de gezinnen mee-geëvacueerd: drie-en-vijftig van de in totaal vijf-en-tachtig KLM’ers en Knilm’ers hadden in Australië hun vrouw bij zich, twee-en-dertig niet, en die laatsten waren hoogst verontwaardigd dat men hun gezinnen niet uit Java had mee-geëvacueerd.
Dan waren er de koopvaardijschepen. In totaal waren 57 er in geslaagd uit de Indische wateren aan de Japanners te ontkomen, de meeste in de tweede helft van februari ’42, en van die 57 kwamen er ruim 20 in Australische havens terecht. Verscheidene hadden groepen passagiers aan boord die in opdracht van de autoriteiten Indië hadden verlaten (marine-officieren, lager marinepersoneel en directieleden van scheepvaartmaatschappijen bijvoorbeeld), maar anderen waren vertrokken zonder daartoe verlof te hebben.
Schamele overschotten dus: kleine tot miniem-kleine groepen personen wier wereld in elkaar was gestort en die zich, veelal na een angstige overtocht, in een hun onbekende wereld bevonden: in Australië, dat, zo werd gemeend, het volgende doelwit zou zijn van de Japanse expansiedrift. Er was veel demoralisatie. Taak van de ontkomen autoriteiten was het, al die verspreide, neerslachtige groepen (geschat wordt dat zij in totaal, de kinderen inbegrepen, omstreeks vijftienhonderd zielen telden) op te vangen en er zorg voor te dragen dat zij zich weer voor de oorlogvoering zouden inzetten.
Wie waren die autoriteiten?
Behalve kapitein-ter-zee Koenraad die wij al noemden, waren ook verscheidene andere marine-officieren naar Australië ontkomen. Hetzelfde gold voor de commandant van de Militaire Luchtvaart, generaal-majoor L.H. van Oyen, en voor een aantal stafofficieren van het Knil: majoor jhr. J.M.R. Sandberg, die te Bandoeng directeur van de Hogere Krijgsschool was geweest, de beroepskapiteins D.C. Buurman van Vreeden, A.L.A. Coppens, G.L. Reinderhoff, S.H. Spoor en H.J. de Vries. Maar ook hooggeplaatste burgers hadden Australië bereikt: luitenant-gouverneur-generaal van Mook, twee leden van de Raad van Nederlands-Indië: van der Plas en Soejono, twee departementsdirecteuren: mr. N.S. Blom (Justitie) en Loekman Djajadiningrat (Onderwijs en Eredienst), en zeven personen die op economisch gebied vooraanstaande overheidsposities hadden bekleed: A. Bos, hoofd van de afdeling Invoerzaken van het Kantoor voor de Handel, mr. D. Crena de Iongh, directeur van het Nederlands-Indisch Deviezeninstituut, B.S. van Deinse, hoofdagent van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de KPM, te Singapore, prof. mr. J. Eggens, eerste gedelegeerde van de Indische Commissie voor Rechtsverkeer in Oorlogstijd, dr. ir. P. Honig, directeur van het Instituut voor Rubberonderzoek, ir. P.H.W. Sitsen, hoofd van de afdeling Nijverheid van Economische Zaken, en dr. R.E. Smits, directeur-secretaris van de Indische circulatiebank, de Javase Bank. Die groep van zeven was samengesteld door van Mook, die eerder al, namelijk kort na de 19de februari (de dag waarop hij van besprekingen in Washington op Java was teruggekeerd), zijn opvolger als directeur van Economische Zaken, mr. J.E. van Hoogstraten, naar Australië had gezonden. Aan die groep van zeven had van Starkenborgh nog enkelen toegevoegd: A.H.J. Lovink, hoofd van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken (de functionaris die leiding had gegeven aan de bestrijding der Japanse spionage) en ir. C.J. Warners, hoofd Technische Dienst en Telefoonexploitatie der PTT, die een van zijn ondergeschikten, ir. J. Jansen, opdracht gegeven had bruikbare zenders voor eventueel geheim radiocontact te construeren – Jansen, die óók tijdig was geëvacueerd, had een van die toestellen dat bijna af was, naar Australië meegenomen. Dat zulks voor de oorlogvoering van belang was, zou spoedig blijken.
Veel namen? Wij erkennen het, maar de lezer zal ze alle in dit deel opnieuw tegenkomen. Trouwens, twee moeten wij er nog aan toevoegen: in februari ’42 waren schout-bij-nacht Doormans voorganger als eskadercommandant, schout-bij-nacht G.W. Stöve, en een lid van het inheems bestuurskorps, Raden Abdoelkadir Widjojoatmodjo, naar de Verenigde Staten gezonden: Stöve naar Washington om er samen met de oud-minister van oorlog, generaal-majoor A.Q.H. Dijxhoorn, Nederland te vertegenwoordigen bij het college dat leiding gaf aan de gehele Geallieerde oorlogsinspanning, de Combined Chiefs of Staff, Abdoelkadir om toegevoegd te worden aan de staf van het Netherlands Information Bureau te New York.
Er behoorden dus tot de min of meer vooraanstaanden die zich in maart ’42 buiten Indië bevonden, slechts drie Indonesiërs: Soejono, Loekman Djajadiningrat en Abdoelkadir.
★
Voordat wij nu gaan weergeven wat er met de uit Indië ontkomen, in Australië gearriveerde groepen is geschied, lijkt het ons wenselijk, iets dieper op de Australische verhoudingen in te gaan. Niet ook op de Ceylonese? Neen. Ceylon was een deel van de grote Britse kolonie Brits-Indië en het Ceylonees milieu heeft, afgezien van de al gememoreerde lethargische stemming die er heerste, geen effect uitgeoefend op de ontwikkelingen welke wij in dit deel hebben weer te geven. Australië daarentegen was een volwaardige democratie, lid van het Brits Gemenebest, the British Commonwealth of Nations, maar een onafhankelijke staat, zelf een Commonwealth van deelstaten, die evenwel een gemeenschappelijke regering en een gemeenschappelijk parlement alsook een gemeenschappelijke hoogste rechterlijke macht en gemeenschappelijke strijdkrachten bezaten – een democratie waarin zich tegengestelde politieke krachten vrij konden ontplooien. Daar waren krachten onder die Nederland welgezind waren – andere evenwel voor wie dat slechts in mindere mate of in het geheel niet gold. Afgezien daarvan: op Ceylon hadden de daar belande Nederlandse burgers of onderdanen slechts te maken met Britten, maar in Australië verkeerden zij met Australiërs, die wel veel met de Britten gemeen hadden maar toch ook van dezen verschilden.
Het Australisch milieu droeg een eigen karakter.
★
Om te beginnen: in geografische zin is Australië een werelddeel. Zijn oppervlak (zie kaart I op pag. 15) is ongeveer drie-vierde van dat van Europa. In het noorden is het klimaat tropisch, in het zuiden en op het eiland Tasmanië is het meer gematigd – daar kan het in de winter (die, gelijk bekend, samenvalt met de zomer op het Noordelijk Halfrond) aan de koele kant zijn. In de zeventiende en achttiende eeuw werd de kust van het continent, toen slechts bewoond door misschien driehonderdduizend primitieve inboorlingen, de Aborigines zoals zij gingen heten, door Nederlandse en Britse zeevarenden aangedaan – ook de Britten noemden Australië toen New Holland (en de twee grote, beoosten Australië’s zuidoostpunt liggende eilanden New Zealand). In het jaar van de Franse Revolutie, 1789, werd dat New Holland in plaats van twee vroegere Britse koloniën in de Verenigde Staten, die zich van Groot-Brittannië afgescheiden hadden, als strafkolonie in gebruik genomen; het bleef als zodanig bijna zeventig jaar dienst doen – geschat wordt dat in totaal ca. honderdzestigduizend in Groot-Brittannië gestraften (onder hen ca. vijfduizend Ieren die zich tegen het Britse gezag in Ierland hadden verzet) naar Australië zijn gedeporteerd. Zij werden daar in strafkolonies geplaatst maar wie zich goed gedroeg, kon na enige tijd in vrijheid gesteld worden en kreeg dan van het gouvernement een stuk land toegewezen. Van een vroeg stadium af trokken evenwel ook ‘vrije’ kolonisten naar Australië en van hen werd het toestromen aangewakkerd, toen er in 1849 goud was ontdekt.
Sinds 1820 heette het werelddeel ‘Australië’ – negen jaar later maakte de Britse regering bekend dat het nu in zijn geheel een Britse kolonie was. Een Britse Governor bleef met het algemeen bestuur belast. De blanke bevolking nam evenwel in de tweede helft van de negentiende eeuw snel toe en toen op 1 januari 1901 de (Tasmanië insluitende) Commonwealth of Australia werd opgericht, kreeg deze volledig zelfbestuur. De zes staten die tezamen dat federatief gemenebest vormden, hadden elk een eigen regering en een eigen parlement (de volkrijkste staat, New South Wales, had al in 1824 een eerste Wetgevende Raad gekregen) – daarboven kwamen nu een federale regering en een uit een Huis van Afgevaardigden en een Senaat bestaand parlement te staan. Politieke partijen hadden zich in het laatste kwart van de negentiende eeuw gevormd – de in 1891 opgerichte Labour Party, waarin Ieren veel invloed hadden18, werd spoedig de best georganiseerde; zij werkte nauw met de inmiddels ook ontstane, nogal militante vakbonden samen. Naast de arbeiders kregen de bourgeoisie en de boeren eigen partijen die zich tenslotte consolideerden als de United Australian Party en de Country Party. Fel was de onderlinge strijd, maar op één punt waren alle partijen het eens: Australië moest blank blijven, anders gezegd: Chinese, Japanse en Polynesische immigranten dienden te worden geweerd. Kort voor de eeuwwisseling werd de immigratie van alle Aziaten en Polynesiërs alsook van alle Afrikanen zelfs wettelijk verboden; dat verbod werd door de Britse overheid opgeheven, waarna men in Australië de regel ging toepassen dat immigratieverlof alleen aan hen werd verleend die een Europese taal goed meester waren – konden diegenen die men wilde weren, zich redelijk in het Engels uitdrukken, dan werd van hen wel gevergd dat zij zich in het Keltische Gaelic of in het Tsjechisch lieten examineren.
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 15 november 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 3,99