Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Anno 1985
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12 – dr. L. de Jong
Het is zaterdag 4 mei 1985. Overal waar Nederlanders wonen of bijeen zijn, wordt het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa herdacht, voor de veertigste maal al. Die zaterdag staat in het teken van rouw – zondag de 5de zal als de nationale bevrijdingsdag gevierd worden.
Er is op die zaterdag des middags in Washington een groep Nederlanders bijeen: de ambassadeur, leden van zijn staf, functionarissen van in de Amerikaanse hoofdstad gevestigde internationale organisaties, vertegenwoordigers van het Nederlandse bedrijfsleven, toeristen; de meesten zijn vergezeld van hun echtgenoten, sommigen ook van hun kinderen. Tot die groep behoren ook mijn tweede vrouw (mijn eerste, metgezellin in de Londense jaren, is ruim vijf jaar eerder overleden) en ik. Alvorens naar Washington te komen, heb ik in Californië aan drie universiteiten en aan het wetenschappelijk centrum dat de naam draagt van mijn vriend Simon Wiesenthal, voordrachten gehouden over de Jodenvervolging in bezet Nederland – in Washington dien ik nog op een door de ambassade belegde bijeenkomst te spreken over Amerika’s aandeel aan de bevrijding van ons vaderland.
Van Washington uit gezien ligt aan de overzijde van de rivier de Potomac Arlington National Cemetery, de laatste rustplaats van meer dan honderdvijftigduizend Amerikanen: militairen en burgers, van hoog tot laag; ook twee presidenten zijn er begraven, een van hen John F. Kennedy, die in 1963 werd vermoord. Nagenoeg in het centrum van dit immense, in een golvend landschap aangelegde kerkhof rijst een sober monument op: het graf van de Onbekende Amerikaanse Soldaat. Bij de voet van dat monument zal de ambassadeur een krans plaatsen. Een Amerikaanse erewacht, gevormd uit militairen van land-, zee- en luchtmacht, komt aanmarcheren en stelt zich in perfecte orde op. Strakblauw is de lucht – het is warm, warmer dan in die tijd van het jaar in Nederland.
Daar, aan de overzijde van de Atlantische Oceaan, zal om acht uur des avonds twee minuten stilte in acht worden genomen – acht uur in Nederland is twee uur in Washington.
Precies op dat uur verstommen de laatste, nog maar aarzelend gevoerde gesprekken. De groep Nederlanders zwijgt en weet zich in dit zwijgen verbonden met Nederland, verbonden ook met het verleden. Uit brein en hart stijgen beelden op. Ik denk aan mijn vlucht naar Londen, aan de jaren van werkzaamheid bij Radio Oranje, aan de zoveel langere periode waarin ik in Amsterdam belast was met de dagelijkse leiding van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, aan de gestage arbeid aan Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, maar vooral ook aan mijn vader, moeder, zusje en zovele familieleden en vrienden, de meesten in ’43 vergast in Sobibor, aan mijn tweelingbroer die in maart of april ’45 in of bij een kamp in de Harz werd afgemaakt of anderszins om het leven kwam.
Hoe is mijn leven, hoe is dat van ongeteld velen door de oorlog getekend!
Veertig jaar ligt die oorlog achter ons. De wereld is veranderd, Nederland is veranderd. Maar gevoelens veranderen niet en het is alsof de katastrofe zich gisteren voltrok.
★
De wereld is veranderd en Nederland is veranderd, schreven wij.
In welke opzichten?
Daarvan dienen wij al daarom een beeld te geven, hoe beknopt ook, omdat de te vermelden gegevens nodig zijn, wanneer wij in de Nabeschouwing de vraag zullen trachten te beantwoorden welk effect de Tweede Wereldoorlog heeft gehad op de ontwikkelingen die zich in de nadien verstreken veertig jaar in het Koninkrijk der Nederlanden hebben voorgedaan.
Andere wereld
De twee atoombommen die in augustus ’45 de doorslag gaven bij Japans besluit om te capituleren, waren de enige waarover de Verenigde Staten toen beschikten. Zij hadden het vermogen om er per maand twee aan toe te voegen en zij waren op dat moment de enige mogendheid welke de technische problemen die bij de vervaardiging van atoomwapens rezen, onder de knie had gekregen. Dat monopolie duurde vier jaar. Spionnen hadden de Sowjet-Unie gegevens geleverd met betrekking tot de oplossingen die de Amerikanen hadden gevonden, en die spionage bevorderde dat de Russen in september ’49 een eerste proefexplosie tot stand konden brengen. Drie jaar later, in ’52, waren de Amerikanen de eersten die over op waterstof gebaseerde atoombommen beschikten, duizend maal krachtiger dan die welke uranium als grondstof hadden, maar binnen een jaar bleken de Russen ook die achterstand te hebben ingehaald. Zij waren op hun beurt de eersten die in ’57 een onbemande en in ’61 een bemande satelliet om de aarde in omloop brachten. Nadien werden steeds vernuftiger raketten geconstrueerd, ook voor intercontinentale afstanden – nòg later ging men trachten, de Russen al in de jaren ’70, de Amerikanen in de jaren ’80, afweersystemen te ontwikkelen die atoomraketten zouden kunnen uitschakelen. In ’85 bezitten zowel de Verenigde Staten als de Sowjet-Unie een arsenaal aan atoomwapens dat, wordt het ooit in aanzienlijke omvang gebruikt, hoogstwaarschijnlijk het einde zal betekenen van de menselijke beschaving.
In laatstgenoemd jaar hebben nog vier andere mogendheden de beschikking over atoomwapens, in heel veel geringere aantallen overigens: Groot-Brittannië dat in alle sinds de Tweede Wereldoorlog verstreken jaren Amerika’s trouwste bondgenoot was; Frankrijk dat een eigen machtspositie heeft wensen te behouden; China dat, hoewel communistisch geworden, overhoop ligt met de Sowjet-Unie, aangezien deze is blijven weigeren, Aziatische gebieden die traditioneel tot China hadden behoord maar die door het keizerlijk Rusland geannexeerd waren, af te staan; het in ’48 gestichte Israël tenslotte dat zich, zover men redelijkerwijs vooruit kan zien, een klein eiland weet te zijn in een zee van in wezen vijandige Arabische staten. Daarnaast zijn er nog twee mogendheden: India en Pakistan, die beide in staat zijn op korte termijn tot de vervaardiging van atoomwapens over te gaan.
Velen zijn er, ook in Nederland, die door de voortdurend opgevoerde atoombewapening ernstig verontrust zijn en in wier denken het pacifisme dat na de Eerste Wereldoorlog in Nederland met name in linkse kringen tot diep in de jaren ’30 had gedomineerd, tot nieuw leven is gekomen – anderen die, bij alle verontrusting, de wederzijdse opeenstapeling van wapens tot massale vernietiging van menselijk leven, ja van alle leven, niet zien als een aanloop tot een nieuwe wereldoorlog maar als een middel om pressie uit te oefenen; de technische bewapeningswedloop, aldus dezen, is niet oorzaak van de bestaande reële tegenstellingen maar gevolg en zij vertrouwen dat die supermoderne wapenen nimmer op grote schaal zullen worden ingezet.
Wat die tegenstellingen betreft: hoe simpel leek de wereld in ’45! De Organisatie der Verenigde Naties, in de zomer van dat jaar in San Francisco opgericht, telde slechts een-en-vijftig leden – zes die tot het door de Russen gedomineerde Oostblok behoorden: de Sowjet-Unie, Wit-Rusland, de Oekraïne (om de instemming der Russen met de opzet der Verenigde Naties te verwerven hadden Roosevelt en Churchill er in berust dat de Sowjet-Unie door drie lidstaten zou zijn vertegenwoordigd), Polen, Tsjechoslowakije en Joegoslavië, vijf-en-veertig die òf van het Westblok deel uitmaakten òf, als het op stemmen aankwam, meestal met dat Westblok meestemden, en binnen dat Westblok waren het in de regel de Verenigde Staten die de toon aangaven. Veertig jaar later evenwel tellen de Verenigde Naties honderdnegen-en-vijftig lidstaten: niet alleen zijn de mogendheden met welke de Geallieerden en de Sowjet-Unie in oorlog waren geweest, er geleidelijk in opgenomen maar vooral ook heeft het dekolonisatieproces er toe geleid dat in Azië, Oceanië, het Caraïbisch gebied en met name in Afrika nieuwe staten zijn ontstaan die tot de VN zijn toegelaten. De meeste van die nieuwe staten behoren tot wat men ‘de Derde Wereld’ is gaan noemen: een wereld welks armoede schril afsteekt bij de gestegen welvaart in de industrieel ontwikkelde landen. Die tegenstelling werd, alle verleende hulp ten spijt, alleen maar scherper.
Opmerkelijk is dat het niet tot een Derde Wereldoorlog kwam: niet in ’48, toen de Sowjet-Unie door middel van een blokkade Amerikanen, Britten en Fransen trachtte te bewegen tot het opgeven van hun positie in de westelijke helft van de vroegere hoofdstad van het Derde Rijk, Berlijn; niet in ’50, toen communistisch Noord-Korea het tot de Amerikaanse machtssfeer behorende Zuid-Korea aanviel; niet in ’62, toen president Kennedy wenste te verhinderen dat de Sowjet-Unie atoomraketten installeerde op Cuba; niet in ’67, toen Israël, door de Verenigde Staten gesteund, het met de Sowjet-Unie verbonden Egypte een zware nederlaag toebracht; niet later in de jaren ’60, toen de Verenigde Staten van het door hen gesteunde Zuid-Vietnam uit communistisch Noord-Vietnam op de knieën trachtten te dwingen (een poging die deerlijk mislukte); niet in ’73, toen Israël, nu door Egypte aangevallen, bij zijn verdediging de Egyptische strijdkrachten in een nagenoeg hopeloze positie bracht – en zo zouden wij meer voorbeelden kunnen geven. De kern van de zaak was steeds dat de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie uit welbegrepen eigenbelang een ten top gevoerde directe confrontatie uit de weg gingen. Wèl gaf elk economische en veelal ook militaire hulp aan betrouwbaar geachte regimes in de Derde Wereld (of aan opposanten tegen die regimes) maar ook daarbij werden de vitale belangen van de grote tegenspeler steeds ontzien.
Geen wereldoorlog dus – lokale oorlogen, burgeroorlogen ook, waren er jaar in, jaar uit in overvloed.
★
De grens die de twee supermogendheden in acht wensten te nemen, speelde vooral ook in Europa een grote rol.
In de Tweede Wereldoorlog was het bondgenootschap tegen Duitsland en Italië op wederzijdse opportuniteit gebaseerd: intieme samenwerking was er geweest tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië (de Geallieerden), niet tussen deze en de Sowjet-Unie. Dat bondgenootschap viel dan ook spoedig uiteen. Wederzijds wantrouwen speelde daarbij een grote, ja een dominerende rol: wantrouwen bij de Russen dat de Amerikanen en Britten voornemens waren de Sowjet-Unie te vernietigen, althans haar te verdringen uit de gebieden in Midden-Europa en op de Balkan die zij had bezet – wantrouwen bij Amerikanen en Britten dat de Sowjet-Unie er op uit was, geheel Europa aan zich te onderwerpen. Van het afgesproken gemeenschappelijke bestuur van het verslagen en bezette Duitsland (en van Oostenrijk dat na Duitslands ineenstorting weer een aparte republiek was geworden) kwam niets terecht: bezet West-Duitsland werd mèt West-Berlijn steeds duidelijker in de Westelijke wereld opgenomen, bezet Oost-Duitsland van meet af aan in de Russische sfeer. Dat laatste betekende dat een communistische minderheid aan de macht geholpen werd en met tyrannieke onderdrukking van alle andersgezinde stromingen haar stempel drukte op het gehele openbare leven. Niet alleen in Oost-Duitsland speelde zich dat proces af maar ook in Polen, Roemenië, Hongarije en Bulgarije (en in Joegoslavië door krachten van binnen uit). De daardoor reeds gewekte ongerustheid werd belangrijk versterkt, toen een communistische minderheid begin ’48 tenslotte ook in Tsjechoslowakije de macht greep: Groot-Brittannië, Frankrijk en de drie Benelux-landen (hun samengaan was in de oorlog in Londen voorbereid) sloten zich aaneen tot de Westeuropese Unie – het belangrijkste gevolg van dat symptoom van de wil om een gemeenschappelijk afweerfront op te bouwen was dat met volledige inschakeling van de Verenigde Staten (en Canada) in april ’49 de Noordatlantische Verdragsorganisatie, de Navo, tot stand kwam. Dat was een vorm van geïntegreerde militaire samenwerking met aan het hoofd een Amerikaanse opperbevelhebber (General Eisenhower was de eerste). Amerika’s deelneming aan de Navo lag in de lijn van de Amerikaanse politiek: in ’46 had president Truman aangekondigd dat hij hulp zou bieden aan staten die door de Sowjet-Unie bedreigd werden en in ’48 had het Congres op voorstel van de regering besloten, de opbouw van de door de oorlog geschonden economie der Europese staten te bevorderen door een voor die tijd gigantisch hulpprogram: de Marshall-hulp, genoemd naar de vroegere stafchef van het Amerikaanse leger die als president Trumans Secretary of State (minister van buitenlandse zaken) als eerste dat denkbeeld had gelanceerd. Daarbij was een belangrijke rol gespeeld door de beduchtheid dat, als het niet tot een wederopbouw zou komen van het Westeuropese bedrijfsleven, een voortdurende misère de communistische partijen (deze hadden met name in Frankrijk en Italië een sterke aanhang gekregen) aan de macht zou brengen.
De Marshall-hulp had het beoogde effect en de Navo hield de Sowjet-Unie in toom. De betekenis van de nieuwe verdragsorganisatie lag vooral hierin dat de Verenigde Staten ten nauwste betrokken werden en bleven bij de verdediging van de niet-communistische landen in Europa – verder ging de opzet niet. In ’53 kwam het tot grote anti-communistische stakingen in Oost-Duitsland, in ’56 tot een indrukwekkende volksopstand in Hongarije, in ’68 tot een massaal zich afkeren van het traditionele communisme in Tsjechoslowakije en in al die gevallen grepen Russische troepen in en verhinderden dat de diepe weerzin van de betrokken volkeren tegen het hun opgelegde dwangsysteem tot een wijziging van regime leidde.
De Navo onthield zich van ingrijpen.
★
Was Groot-Brittannië van meet af aan een stuwende factor bij de opbouw van een gemeenschappelijke afweer jegens de Sowjet-Unie, deelneming aan het proces van politiek-economische integratie in West-Europa werd enkele tientallen jaren lang afgewezen: de Britten hadden nooit deel uitgemaakt van wat zij ‘het Continent’ noemden en stelden prijs op handhaving van hun speciale band met de Verenigde Staten alsook met de landen van het Britse Gemenebest. Het gevolg was dat zij terzijde bleven staan toen het in West-Europa kwam tot op integratie gerichte economische samenwerking. Daartoe werd in ’51 een eerste stap gezet: in de vorm van de Europese Kolen- en Staalgemeenschap werd door de drie Benelux-landen, Frankrijk, Italië en de (in ’49 opgerichte) Duitse Bondsrepubliek een gemeenschappelijke markt gevormd voor steenkool en staal die een Hoge Autoriteit als leidend orgaan kreeg; de onbeperkte nationale soevereiniteit die, wat Europa betrof, in wezen al prijsgegeven was op militair gebied, werd nu dus afgestaan op twee belangrijke sectoren van het economische leven. Dat was slechts een begin. Op 1 januari ’58 begon de Europese Economische Gemeenschap, de EEG, te functioneren mèt een (over weinig macht beschikkend) Europees Parlement en mèt een overeenkomstige organisatie op het gebied van de atoomenergie: de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie oftewel Euratom. De Europese Kolen- en Staalgemeenschap, de EEG en Euratom werden in ’67 samengevoegd. Zo ontstond de Europese Gemeenschap oftewel de EG. Nadien werden nog andere landen tot de Gemeenschap toegelaten: Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken in ’73, Griekenland in ’81, Spanje en Portugal in ’86 – het vertrouwen van de oprichters was niet beschaamd: de praktijk had aangetoond dat de grotere markt een wezenlijke factor was geweest bij de groei van de produktie en bij de stijging van de welvaart en van die voordelen wilden na de zes oprichters ook anderen profiteren.
Werd met dat alles de eenheid van het niet-communistische deel van Europa gerealiseerd? Nog niet.
In het merendeel van de Duitse landen was in 1834 een Tolunie tot stand gekomen – nadien had het zeven-en-dertig jaar geduurd eer als uitvloeisel van de Frans-Duitse oorlog van 1870–71 het Duitse Keizerrijk was gesticht, welks samenstellende delen evenwel nog een zekere mate van autonomie kenden. Pas ruim zestig jaar later, onder Hitler, was Duitsland een echte eenheidsstaat geworden. Bedenkt men daarbij dat de Duitsers ook in de negentiende eeuw één taal spraken en zich van een gemeenschappelijk historisch verleden bewust waren, dan is in 1985 duidelijk dat in het niet-communistisch deel van Europa (waar vier landen een eigen koers varen: Noorwegen, sterk door zijn aardoliereserves voor de kust, Zweden, prat op zijn isolement, Zwitserland, principieel afzijdig1, en Oostenrijk, tot neutraliteit verplicht krachtens het verdrag waarmee het in ’55 zijn onafhankelijkheid herkreeg) de volledige staatkundige eenwording, zo zij ooit verwezenlijkt wordt, in elk geval nog lange tijd op zich zal laten wachten. Er zijn barrières die diep in de historie van elk volk wortelen – een ‘Europees bewustzijn’ bestaat nog maar nauwelijks. Anderzijds zijn er krachtige economische factoren die naar verdergaande eenwording stuwen: nieuwe produktietechnieken die alleen in supranationaal verband kunnen worden toegepast èn de wenselijkheid om de EG in staat te stellen, het hoofd te bieden aan de concurrentie van de Verenigde Staten en van Japan.
Wat dat laatste land betreft: was in ’45 zijn droom vervlogen om binnen afzienbare tijd met militaire middelen de sterkste mogendheid ter wereld te worden, het lijkt wel of Japans machthebbers zich nadien hebben voorgenomen op economisch gebied te bereiken wat aan een vorige generatie op militair gebied mislukt is – anno ’85 heeft het land, welks bevolking nog steeds gekenmerkt wordt door een grote mate van gedisciplineerdheid, zich ontwikkeld tot een centrum voor de vervaardiging, op de meest efficiënte wijze, van de meest geavanceerde industriële produkten.
Een andere wereld, niet langer door Europa gedomineerd! Maar in veel opzichten dezelfde: vervuld zo al niet van oorlog, dan toch van strijd. Strijd van arme volken onderling èn tegen de rijke. Strijd binnen menig volk van de niet-bezittenden tegen de bezittenden. Strijd van minderheden om meer autonomie. Strijd om fundamentele menselijke vrijheden die in de totalitair geregeerde staten (daaronder de communistische en een groot aantal onafhankelijk geworden koloniën) met voeten getreden worden. Strijd vanuit religieus en politiek fanatisme dat zich in telkens nieuwe vormen openbaart. Het is een veelvormige strijd – gevoerd terwijl de mensheid als geheel voor het eerst sinds haar tot in de vroegste prehistorie teruggaande ontwikkeling langs de rand van de afgrond loopt.
Ander Nederland
In de zeventiende eeuw was de Republiek der Verenigde Nederlanden, hoe klein ook, een der machtigste staten van Europa en in de negentiende ging het jonge Koninkrijk geleidelijk een speciale positie innemen dank zij het bezit van het meest profijtelijke koloniale gebied ter wereld: Nederlands-Indië. Een grote mogendheid was Nederland niet meer maar het voelde zich verheven boven de talloze kleine. In de wereldeconomie en speciaal in de economie van Europa vervulde het als handelsland een bemiddelende functie – het onthield zich van deelneming aan de militaire bondgenootschappen die tussen zijn handelspartners gesloten werden. Het was neutraal. Die neutraliteit werd in de Eerste Wereldoorlog ontzien – was dat niet het geval geweest, dan zou al in ’14–’18 zijn aangetoond hoe zwak Nederland was.
Dat laatste bleek in mei ’40: na vijf dagen strijd moest het capituleren.
Na de bevrijding van het gehele land was de eerste impuls het zelfstandigheidsbeleid te hervatten. In de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30 was vertrouwd dat de Volkenbond grote conflicten zou kunnen bezweren – dat vertrouwen, hoezeer ook beschaamd, herrees als vertrouwen in de prille Organisatie der Verenigde Naties: nauwere samenwerking in Europa en a fortiori Europees federalisme werden afgewezen. Spoedig bleek dat dit beleid gebaseerd was op illusies. Nederland was niet in staat zijn gezag in Nederlands-Indië te herstellen en werd dus op Europa teruggeworpen. De eerste twee naoorlogse kabinetten: het kabinet-Schermerhorn (’45–’46) en het kabinet-Beel (’46–’48) hadden gehoopt dat het in dat Europa zou komen tot blijvende samenwerking tussen West en Oost, in welk kader de economische eenheid van Duitsland, Nederlands belangrijkste vooroorlogse handelspartner, zou worden gehandhaafd en Nederland toegang zou krijgen tot de Oosteuropese markt. Niets daarvan: Duitsland werd in tweeën gesplitst en Oost-Europa werd onbereikbaar. In ’47 werd Nederland door het deviezentekort genoopt zich aan de Marshall-hulp als aan een reddingsboei vast te klampen – die hulp, ook aan Polen en Tsjechoslowakije aangeboden maar door de regeringen van beide landen onder Russische druk afgewezen, maakte West-Europa, waar ter verdeling van de hulp de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking werd opgericht, op economisch gebied duidelijk afhankelijk van de Verenigde Staten. Die lijn werd doorgetrokken en daarbij speelde het beleid van de Sowjet-Unie een belangrijke rol: de communistische staatsgreep in Praag, februari ’48, versterkte de angst voor verdere Russische expansie in hoge mate en wekte grote animositeit tegen de Communistische Partij Nederland; in Amsterdam, waar de CPN de sterkste partij was geworden, werden de twee communistische wethouders genoopt hun functie neer te leggen, in Rotterdam trad de communistische wethouder eigener beweging af.
Enkele weken na de gelijkschakeling van Tsjechoslowakije sloot Nederland zich bij de Westeuropese Unie aan en ruim een jaar later, in april ’49, zette mr. D.U. Stikker, minister van buitenlandse zaken in het in ’48 gevormde kabinet-Drees/van Schaik, zijn handtekening onder het verdrag waarmee de Navo werd opgericht. Deze ontwikkeling dreef de CPN in een pijnlijk isolement waarbij zij door velen gezien werd als een potentiële Russische ‘Vijfde Colonne’: een opvatting die af en toe voedsel vond o.m. in uitlatingen van haar leider Paul de Groot.2
In Navo-verband werd het Nederlandse militaire apparaat, dat aanvankelijk vrijwel geheel geconcentreerd was op de strijd met de Republiek Indonesië, geleidelijk versterkt: niet onmiddellijk maar pas van de zomer van ’50 af, toen Noord-Korea Zuid-Korea had aangevallen. De Verenigde Staten grepen in, in dit geval optredend namens de Verenigde Naties (hiertoe had de Veiligheidsraad kunnen besluiten doordat de Sowjet-Unie die over het vetorecht beschikte, zich tijdelijk uit het college had teruggetrokken), en deden een beroep op militaire steun van hun bondgenoten. Nederland zond vervolgens een infanterie-bataljon, het Korea-bataljon (officieel heette het: het Nederlands Detachement Verenigde Naties), naar het Verre Oosten.
Werd steun aan de Navo, en daarmee aan de Verenigde Staten, één hoofdlijn in het Nederlandse buitenlandse beleid, een tweede tekende zich af in de Europese politiek: steun aan het streven naar politiek-economische integratie. Niet zonder aarzelingen! Door de afzijdigheid van Groot-Brittannië was er vrees dat Frankrijk, eventueel in samenwerking met de Duitse Bondsrepubliek, binnen de EEG, later de EG, zou gaan domineren. Franse pogingen daartoe werden enkele malen afgewezen, trouwens: de toetreding van Groot-Brittannië, gevolgd door die van andere, minder belangrijke staten, verkleinden het gevaar dat Fransen en Duitsers in de EG de toon zouden aangeven. Evenwel: in de groep van die minder belangrijke staten werd Nederland niet méér dan één uit vele – de middelgrote mogendheid Nederland had afgedaan.
★
Het verdient de aandacht dat Nederlands toetreding tot de eerste vorm van Europese integratie: de Europese Kolen- en Staalgemeenschap (1951), niet zozeer bepaald werd door de wens om die integratie te bevorderen als wel door beduchtheid voor Duitsland. Staal was in die tijd nog de basis van elke bewapening en voor de produktie van staal is steenkool nodig. Welnu, werd de steenkool- en staalproduktie in de Bondsrepubliek onder effectieve gemeenschappelijke controle geplaatst, dan ontnam men Duitsers de mogelijkheid om over te gaan tot een herhaling van wat zich tussen de twee Wereldoorlogen had afgespeeld: geheime voorbereiding van een nieuwe bewapening al tijdens de Weimar-republiek, opbouw van die bewapening onder Hitler, eerst in het geheim, van ’35 af openlijk.
Hoe begrijpelijk is het dat de jaren ’40–’45 bij talrijke Nederlanders een diepe afkeer hadden gewekt van alles wat Duits was – een diepe angst ook voor wat Duitsers weer zouden kunnen ondernemen! In het bevrijde Nederland was aanvankelijk sprake van een wijdverbreide behoefte om Duitsland gevoelig te straffen voor wat het had misdreven, eventueel ook door annexatie van Duitse gebieden. Afgezien evenwel van de vervolging van Duitsers die in Nederland gearresteerd of, na in Duitsland opgepakt te zijn, aan Nederland uitgeleverd werden, kon Nederland binnen de eigen rechtssfeer slechts twee dingen ondernemen: Duitse eigendommen confisqueren en Duitse staatsburgers uitwijzen. Op dat eerste komen wij in hoofdstuk 3 terug – over de uitwijzingen willen wij hier schrijven3 en daarbij stellen wij voorop dat dat een zaak was waarin Nederland het niet alléén voor het zeggen had: de Britse bezettingsautoriteiten in de aan Nederland grenzende zone van Duitsland moesten medewerking verlenen. Trouwens, tot annexatie van delen van Duitsland kon Nederland evenmin alléén besluiten.
★
Afgezien van de Joodse en andere vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk (aan de Joodse werd in ’41 het Duitse staatsburgerschap ontnomen en van hen werden de meesten gedeporteerd) leefden in mei ’40 in Nederland vermoedelijk ca. tachtigduizend Duitsers, velen werkzaam in de Limburgse mijnen, in industriebedrijven in de Achterhoek en in de grote steden in het westen des lands. Bijna negenduizend hunner waren aangesloten bij de sociale afdeling van de Landesgruppe Niederlande van de Auslands-Organisation der NSDAP – lid van die Landesgruppe, d.w.z. lid van de NSDAP, waren er vermoedelijk ca. vijf-en-twintighonderd. Er waren onder al die Duitsers vrij velen die met een Nederlandse vrouw gehuwd waren en wier kinderen slechts Nederlands spraken – wij zijn geneigd aan te nemen dat, toen na de bevrijding bleek dat zich nog maar ca. vijf-en-twintigduizend Duitse burgers in Nederland bevonden, daaronder talrijken waren die met het oog op het behoud van hun positie en terwille van hun gezin in Nederland wilden blijven.
Daar werd aanvankelijk geen verlof toe verleend: terwijl de overheid, vreemd genoeg, op de Oostenrijkers (landgenoten van Seyss-Inquart en Rauter, om slechts dezen te noemen) nauwelijks lette4, werd in beginsel besloten, de Duitsers en bloc uit te wijzen, Joodse en andere vluchtelingen incluis. Van de Joodse vluchtelingen werd zelfs een aantal in kampen bijeengebracht – Joodse organisaties wisten hun gedwongen vertrek te verhinderen. Van de politieke vluchtelingen bleek dat velen deel hadden gehad aan het illegale werk: hun werd verlof verleend, voorlopig in Nederland te blijven, en uit deze groep verwierf nadien menigeen het Nederlanderschap. Wat de uitwijzing van de overige Duitsers betreft: de Britse bezettingsautoriteiten die de meesten zouden moeten opnemen in de Britse bezettingszone waarin aan alles gebrek was, maakten spoedig duidelijk dat zij een terughoudend beleid wensten te voeren.
De uitwijzingen begonnen in september ’46 – zij leidden tot protesten toen bleek dat de Rijksvreemdelingendienst gezinnen des nachts uit hun woningen haalde.5 Die gezinnen werden geconcentreerd in kampen bij de Duitse grens – ‘Mariënbos’ bij Nijmegen was het grootste. Zo werden in ’46 en ’47 enkele duizenden Duitsers over de grens gezet.
In laatstgenoemd jaar deden de Britse autoriteiten weten dat zij bereid waren er in totaal ca. tienduizend op te nemen. Ook dat cijfer werd evenwel niet gehaald. Toen namelijk de ca. vijfhonderd Duitsers die in mei ’48 in ‘Mariënbos’ opgesloten zaten, er in geslaagd waren een brief door te geven aan prinses Juliana, minister-president Beel, het Rode Kruis, de kerken en enkele internationale instanties, waarin zij stelden dat zij bijna allen al twintig jaar in Nederland woonden en dat velen hunner met een Nederlandse vrouw gehuwd waren en slechts Nederlands sprekende kinderen hadden, namen de protesten tegen de uitwijzingen toe. Vooral de katholieke kerk en de Nederlandse Hervormde kerk drongen op clementie aan – uit die kerkelijke kringen werd bovendien menigmaal geïntervenieerd in individuele gevallen, zelfs in die van Duitsers die felle nationaal-socialisten waren geweest. Het gevolg van dit alles was dat in ’48 in totaal slechts een paar honderd doorgewinterde Nazi’s over de grens gezet werden. In ’49 en ’50 vertrokken telkens nog enkele tientallen, nadat hun door de Rijksvreemdelingendienst was meegedeeld dat hun verder verblijf in Nederland ongewenst was.
Van uitwijzing van de Duitse groep als geheel was dus geen sprake. In totaal zijn in ’45–’46 omstreeks duizend Duitsers eigener beweging naar Duitsland getrokken (en in ’48–’49 onder pressie van de autoriteiten enkele tientallen) maar het gros kreeg vergunning om in Nederland te blijven – uitgewezen werden er bijna drieduizendzevenhonderd oftewel één op de zeven.
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 1 december 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 5,99