Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 13 – Bijlagen

Leesfragment

Verantwoording

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 13 – dr. L. de Jong

Het geschiedwerk tot welks samenstelling ik in 1955 opdracht kreeg en waarvan de voltooiing meer dan dertig jaar in beslag heeft genomen, heeft niet alleen een eigen geschiedenis maar ook een eigen voorgeschiedenis gekend. In deze Verantwoording wil ik weergeven hoe ik tot mijn opzet kwam, welke werkwijze ik heb gevolgd, welke bronnen ik bestudeerde, hoe mijn concept-teksten tot stand kwamen, welke personen of instanties met die concept-teksten bemoeienis hadden en wat mijn verantwoordelijkheid inhield. Dat ik eerst op de voorgeschiedenis inga, heeft niet alleen te maken met het feit dat zij er bij hoort maar vooral ook met de omstandigheid dat vele van de denkbeelden die ik bij het opzetten van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ging verwezenlijken, mij al voor ogen stonden voordat ik de opdracht tot de samenstelling kreeg.

Voorgeschiedenis

Een klein deel van de voorgeschiedenis ligt in Londen, een veel groter deel eerst in bezet en vervolgens in bevrijd Nederland.

Wat Londen betreft, het volgende.

Ik was in september ’32, achttien jaar oud, geschiedenis (en sociale aardrijkskunde) gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar van alle hoogleraren N.W. Posthumus (economische geschiedenis) mij het meest had aangesproken, vooral met zijn doctoraal-colleges over de Leidse lakenindustrie van de zestiende tot de achttiende eeuw – uit een veelheid van bronnen had hij een boeiend beeld opgebouwd. Ik had in november ’37 het doctoraal examen afgelegd, had vergeefs getracht een functie te krijgen bij het door Posthumus opgerichte Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (er was geen geld), was in februari ’38 redacteur geworden van het weekblad De Groene Amsterdammer en was èn op grond van mijn werkzaamheid bij dit blad èn op grond van mijn Joodse afkomst op 14 mei ’40 naar Engeland uitgeweken.

Daar werd ik per 1 juli ’40 redacteur van Radio Oranje – een functie waar ik mij met hart en ziel aan gaf. Maar ik bleef ook mijn studievak trouw. Begin ’41 schreef ik op verzoek van het hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst, A. Pelt, voor de Britse uitgever Lindsay Drummond een boekje over de gebeurtenissen in Nederland tijdens de Duitse invasie en in de eerste maanden van de Duitse bezetting dat onder de titel Holland fights the Nazi’s uitkwam. Vervolgens vroeg de Netherlands Publishing Company te Londen, uitgever van het ‘Londense’ Vrij Nederland, mij een samenvatting te schrijven van wat in Londen bekend was over Nederland in het eerste bezettingsjaar. Er is hieruit geresulteerd dat ik successievelijk vier boeken schreef (Je Maintiendrai I t.e.m. IV), handelend over het eerste, tweede, derde en vierde jaar van de Duitse bezetting. De Nederlandse dag- en weekbladen (alle via Lissabon of Stockholm binnengekomen), de in Londen opgenomen uitzendingen van Radio Hilversum, de illegale bladen (in april ’42 arriveerden de eerste in de Britse hoofdstad), mededelingen van Engelandvaarders en (voor de delen III en IV) een snel wassende stroom van door de inlichtingengroepen naar Londen gezonden stukken en rapporten vormden mijn belangrijkste bronnen. Deel I steekt vol pathos, deel II is informatiever en dat geldt, meen ik, vooral voor de delen III en IV. Dat alle delen nogal aan de oppervlakte moesten blijven, spreekt vanzelf. Ook ontbraken alle gegevens over de illegaliteit – die werden door het Bureau Inlichtingen terecht geheimgehouden. Met dat al heeft deze Londense serie in twee opzichten betekenis gehad voor mijn latere werk: zij noopte mij, een eerste structuur aan te brengen in mijn kennis van de ontwikkelingen in bezet gebied en ik leerde met grote snelheid een boek te componeren. Alle gegevens die ik per deel nodig meende te hebben, had ik door de typistes van Radio Oranje op aparte papiertjes, ‘fiches’, laten overtypen (een systeem dat ik als student al voor mijn doctoraal-scripties had gebruikt) en aan de hand van die ‘fiches’ typte ik elk deel van een paar honderd bladzijden in twee of drie weken – meer tijd had ik er niet voor.

Begin ’44 won ik de Londense minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. G. Bolkestein, voor het denkbeeld dat de regering na de bevrijding een rijksinstelling zou oprichten die zich zou belasten met het verzamelen van historisch materiaal over Nederlands oorlogsgeschiedenis. Het tweede kabinet-Gerbrandy keurde dit denkbeeld goed en Bolkestein deed er vervolgens in maart ’44 mededeling van aan de luisteraars in bezet gebied, zulks in een door mij geschreven toespraak.1

Niet aan dit initiatief is het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie ontsproten maar aan een initiatief dat in bezet gebied was genomen.

Posthumus, in januari ’42 door de bezetter ontslagen, had nadien allerlei clandestien circulerend materiaal laten verzamelen en medio ’43 een memorie geschreven2 waarin hij bepleit had, ten eerste, dat na de bevrijding de functie van ‘directeur-generaal voor ’s rijks oorlogsarchieven’ (die had hij zichzelf toegedacht) zou worden ingesteld, welke functionaris met zijn dienst alle Duitse archieven en archieven van ‘foute’ instellingen en organisaties zou moeten verzamelen, en, ten tweede, dat een particuliere organisatie zou worden opgericht om in opdracht van de overheid tot publikaties over te gaan. ‘Daarvoor zullen’, schreef hij, ‘in alle lagen der bevolking en in alle delen des lands vele maanden lang de gegevens verzameld moeten worden, in het bijzonder die welke als mondelinge wetenschap bestaan’ – evenwel zou voor ‘enige onderwerpen’ ‘een officiële enquêtecommissie’ moeten worden ingesteld: een commissie dus met wettelijke bevoegdheden. De particuliere organisatie zou van haar bevindingen ‘in een geregeld verschijnende wekelijkse, soms tweewekelijkse, periodiek’ verslag doen en in drie jaar klaar moeten zijn. Dat alles zag Posthumus ‘als voorbereidend werk voor de wetenschappelijke publikatie over de geschiedenis van de bezettingstijd in al haar aspecten’, welk werk hij wilde doen schrijven door ‘een aantal vooraanstaande historici of historisch aangelegde personen (juristen, kerkhistorici enz.)’. Het moest in drie delen, elk van ca. 600 pagina’s, verschijnen in een oplaag van 3000 exemplaren maar daarnaast diende in een oplaag van 10.000 exemplaren een uit één deel bestaand populair werk uit te komen.

Voor zijn memorie vond Posthumus de instemming van een hoofdambtenaar die op een sleutelpositie zat: mr. J.K. van der Haagen, chef van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (onder die afdeling ressorteerde o.m. het rijksarchiefwezen). De secretaris-generaal van dat departement, prof. dr. J. van Dam, was ‘fout’, van der Haagen was ‘goed’ – hij stimuleerde Posthumus om door te gaan en bracht hem in contact met van Dams voorganger, prof. dr. G.A. van Poelje, in de zomer van ’40 door de bezetter ontslagen, van wie aangenomen mocht worden dat hij na de bevrijding weer secretaris-generaal zou worden. Posthumus had vele contacten in socialistische kringen – van Poelje ried hem aan, de basis van het te ondernemen werk te verbreden en Posthumus betrok daar toen een katholieke en een gereformeerde hoogleraar bij, resp. prof. mr. B.H.D. Hermesdorf (Katholieke Universiteit Nijmegen) en prof. dr. Z.W. Sneller (in die tijd verbonden aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, spoedig na de bevrijding aan de Vrije Universiteit te Amsterdam). Met hen beiden voerde Posthumus enkele clandestiene besprekingen. Zonder hun medeweten vroeg hij bovendien aan zijn Amsterdamse, eveneens door de bezetter ontslagen collega dr. J.M. Romein, een opzet te ontwerpen voor de eerder bedoelde ‘wetenschappelijke publikatie’. Ook Romein dacht aan een werk van drie delen. Deel 1, Kroniek, zou ‘bestaan uit een beredeneerd verslag der feitelijkheden, gevolgd door een chronologische lijst der gebeurtenissen’, deel 2, Aspecten, ‘een aantal onderwerpen systematisch moeten behandelen’, deel 3, Geschiedenis, de ‘synthese’ bevatten, ‘die geschreven kan worden op grond van de delen 1 en 2 en van andere, inmiddels eventueel verschenen publikaties, documentenverzamelingen, verhoren, enz.’

In de hongerwinter bestendigde Posthumus zijn contact met van Poelje en van der Haagen en het gevolg was dat enkele dagen na de bevrijding van West-Nederland, nl. op 8 mei ’45, door van Poelje, weer secretaris-generaal van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een besluit werd ondertekend waarbij een ‘Rijksbureau voor documentatie van de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd’ werd ingesteld hetwelk tot taak had, die documentatie bijeen te brengen en te ordenen en aan de hand daarvan ‘publikaties te doen verschijnen.’ Het besluit werd gepubliceerd op gezag van het College van Vertrouwensmannen en, mèt alle andere door het college genomen of goedgekeurde besluiten, om formele redenen vrijwel onmiddellijk door het Militair Gezag geannuleerd. Dat verhinderde het Rijksbureau (het ging zich spoedig ‘Rijksinstituut’ noemen, omdat de term ‘Rijksbureau’ te veel deed denken aan de Rijksbureaus voor handel en nijverheid) niet om zijn werk aan te vatten – dat gebeurde van 15 september ’45 af onder mijn dagelijkse leiding. Posthumus, voorzitter van het zich toen ‘Directorium’ noemend bestuur, had mij dat gevraagd en ik wilde niets liever dan juist deze functie uitoefenen.

In samenwerking met van der Haagen ontwierp Posthumus een wet die het Rijksinstituut een nieuwe formele basis zou geven en bovendien een commissie in het leven zou roepen met enquêtebevoegdheden, gelijk aan die welke de Tweede Kamer bezat. Dat wetsontwerp, goedgekeurd door het kabinet-Beel, werd door koningin Wilhelmina veel te omslachtig geacht – het kabinet besloot toen een eenvoudiger regeling te treffen en het Rijksinstituut werd in september ’47 bij koninklijk besluit3 heropgericht; dat besluit bepaalde kortaf: ‘Er is een Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, dat tot taak heeft een wetenschappelijk onderzoek in te stellen naar de geschiedenis van Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog’; naast het Directorium kwam er (dat was een denkbeeld van mij geweest) een Commissie van Bijstand, waarin o.m. de georganiseerde oud-illegaliteit en de belangrijkste Kamerfracties vertegenwoordigd waren.

Enkele maanden later nu, in januari ’48, verzocht de minister, dr. Jos J. Gielen, het Directorium, hem een publikatieplan voor te leggen. Het stuk, door mij in overleg met de wetenschappelijke staf van het instituut in concept opgesteld, werd in mei aan de minister toegezonden4 en bevatte omtrent wat binnenskamers ‘het Hoofdwerk’ was gaan heten, het volgende:

‘Van de aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen van het Directorium, de arbeid van het Rijksinstituut te bekronen met een wetenschappelijk werk, dat op grond van de totale verzamelde kennis een gedetailleerd beeld zou geven van de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Het Directorium hoopt, dat in deze geschiedenis te zijner tijd ook de lotgevallen van de overzeese gebiedsdelen beschreven zullen kunnen worden. Het accent zal echter stellig vallen op de geschiedenis van bezet Nederland in engere zin. Kennisneming van hetgeen tot dusver als samenvattende historie van Nederland in de Tweede Wereldoorlog verschenen is of verschijnt, heeft bij het Directorium slechts de overtuiging versterkt, dat een samenvattend werk, als hier bedoeld, wenselijk is.

In dat samenvattende werk zullen alle aspecten van het onderzoek van het Rijksinstituut, welke niet in andere publikaties tot uiting gebracht worden, hun plaats kunnen vinden. Met de voorbereiding dier uitgave zal veel tijd gemoeid zijn. Men hoede zich voor overhaasting. Zou men te vroeg overgaan tot het op schrift stellen van een relaas, dan zou men de kans lopen, het geschrevene telkens op grond van nieuw materiaal te moeten herschrijven.

Over de vraag, of de leiding bij het voorbereiden en schrijven van dit hoofdwerk aan één dan wel meerdere historici toevertrouwd moet worden, hoopt het Directorium Uwe Excellentie binnen afzienbare tijd een nader advies te doen toekomen. Het vertrouwt echter, dat met inachtneming van alle genoemde factoren deze wetenschappelijke geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog in de periode 1955–1960 zal kunnen verschijnen. Aan de voorbereiding zullen uiteraard de medewerkers van het Rijksinstituut op tal van gebieden onontbeerlijke assistentie kunnen verlenen.’

Voorgesteld werd óók om naast dat Hoofdwerk een samenvattende uitgave te doen verschijnen ten behoeve van het voortgezet onderwijs – die ‘schooluitgave’ diende in een omvang van minder dan 10 vel (160 pagina’s) in ’50 gereed te zijn, voor het Hoofdwerk werd gedacht aan vijf in de jaren ’56 t.e.m. ’60 te publiceren delen, elk van meer dan 20 vel (320 pagina’s).

Drie maanden na het indienen van het publikatieplan bereikte het instituut de mededeling dat de ministers Gielen en Lieftinck (Financiën) samen besloten hadden, het instituut per 1 januari ’50 op te heffen. Dat werd voorkomen. Met steun van Drees (nu minister-president) werd bereikt dat het instituut na 1 januari ’50 buiten de rijksbegroting om zou worden gefinancierd uit overheidsgelden die door de Stichting Nationaal Steunfonds werden beheerd, en dat het voorlopig tot 1 januari ’59 mocht doorwerken – een termijn die enkele malen werd verlengd, de eerste keer tot 1 januari ’61, waarna de voor het instituut nodige gelden tenslotte van het begrotingsjaar ’65 af weer normaal op de rijksbegroting werden aangevraagd.

Het denkbeeld van de ‘schooluitgave’ verdween uit het zicht maar voor de plannen voor het Hoofdwerk (nu als ‘het Geschiedwerk’ aangeduid) gold dat niet.

Toen eenmaal de financiering van het instituut via de Stichting Nationaal Steunfonds was geregeld, vond ik dat het op mijn weg lag, het Directorium mijn visie te geven op de problemen die bij de voorbereiding van dat Geschiedwerk zouden rijzen: ik dicteerde daartoe begin juli ’49 een lange nota5 waarin ik allereerst de wenselijkheid van dat werk onderstreepte. ‘Men kan de vraag opperen’, stelde ik in dat verband,

‘of het niet de voorkeur verdient, het schrijven van het Geschiedwerk over te laten aan een later geslacht: dat zou, zo is wel betoogd, de uitgebreidheid der documentatie en de objectiviteit van oordeel ten goede komen. Ik acht die voordelen gering. Historici plegen, uitgaande van hun eigen levens- of wereldbeschouwing, elkaar over kwesties van eeuwen her even fel te bestrijden als over ‘actuele’ historische vraagstukken: dat de ‘objectiviteit’ met het tijdsverloop zou toenemen, is een onbewezen stelling. Voorts geloof ik, dat latere generaties aan de documentatie, die wij in het Geschiedwerk kunnen verwerken, relatief weinig zullen hebben toe te voegen. Daarentegen kunnen wij onze objectiviteit van oordeel verhogen door persoonlijk contact met de voornaamste figuren uit de periode 1940–1945; dezen kunnen nu nog antwoord geven op gestelde vragen en daardoor in vele gevallen een bijzonder licht werpen op bewaard gebleven documenten. Die verificatie van schriftelijke gegevens zal later niet mogelijk zijn; bovendien zal men zich dan de ‘atmosfeer’ van de oorlogs- en bezettingsjaren alleen nog kunnen indenken – men zal haar niet beleefd en ervaren hebben. En juist die ‘atmosfeer’ moet in het Geschiedwerk bewaard blijven. Dan alleen ontstaat een werk, dat door de tijdgenoot als waarachtig erkend wordt – aan welke erkenning het een deel van zijn objectieve betekenis voor de toekomst ontlenen zal.’

‘Neen’, zo betoogde ik verder,

‘het Geschiedwerk is niet een min of meer toevallige afsluiting van de arbeid van ons Instituut; het is er het meest wezenlijke deel van: het hoge doel, waar van meet af aan op toe is gewerkt. Niet alleen de auteur, onze gehele instelling zal zich eerst in dat Geschiedwerk ten volle kunnen ontplooien, zoals zij ook eerst met dat Geschiedwerk een werk kunnen vervaardigen dat ver buiten de wetenschappelijke kringen zijn invloed kan doen gelden.’

Ik gaf vervolgens een overzicht van de voor dat Geschiedwerk reeds beschikbare documentatie, eindigend met deze conclusie:

‘Het materiaal, dat de auteur in het Geschiedwerk zal kunnen verwerken, is dus even uitgebreid als veelzijdig. Zal niet hij, en zullen niet met hem zijn assistenten, erin verdrinken? Slechts de praktijk zal het bewijs van het tegendeel kunnen leveren doch ik koester het vertrouwen, dat een verstandige organisatie van het werk de auteur voor de verdrinkingsdood zal behoeden.’

Men ziet: ik sprak van ‘de auteur’. ‘Eén of meer auteurs?’ was de vraag die ik vervolgens behandelde. ‘Ook hier’, aldus mijn antwoord,

‘zal de praktijk een voornaam woord meespreken. Wanneer er niemand te vinden zou zijn, die bereid is en in staat geacht wordt om als ‘de’ auteur van het Geschiedwerk te fungeren, zou uw college noodgedwongen naar een andere oplossing moeten zoeken. Persoonlijk zou ik er het meest voor voelen, wanneer althans in eerste instantie gezocht werd naar één auteur. Deze zou auteur zijn in zoverre, dat hij het gehele manuscript schrijft. Natuurlijk behoeft hij niet persoonlijk alle onderzoekingen te verrichten. Hij is leider van een équipe.

Zou één auteur het Geschiedwerk schrijven, dan zou dat twee nadelen hebben.

Het eerste nadeel is dat hij over sommige onderwerpen met minder persoonlijke deskundigheid zou schrijven dan over andere: de historicus, die een voortreffelijk beeld weet te schetsen van de snelle bloei van de Nederlandse Unie, behoeft niet persé in staat te zijn, even duidelijk weer te geven, waarom de Nederlandse landbouwers zich tegen de invoering van de koolzaadteelt verzet hebben. Dit eerste nadeel acht ik naar verhouding gering: er is geen onderwerp uit de oorlogs- en bezettingsjaren, waaromtrent de auteur niet spoedig van betrouwbare en deskundige zijde de voorlichting en de gegevens zal kunnen krijgen, die hij dan zelf op zijn eigen wijze in zijn manuscript zal kunnen verwerken.

Van wezenlijker belang acht ik het tweede nadeel: dat een werk, door één auteur geschreven, altijd in diens persoon geworteld zal blijven en zijn geest met zijn ruimten (naar ik hoop), doch ook met zijn beperktheden (naar ik vrees) zal weerspiegelen. En toch: wil het Geschiedwerk adequaat zijn aan de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zelve, dan moeten NSB’ers en communisten, KP’ers en aangebleven hoge ambtenaren, strijdbare humanisten en van de wereld afgewende christelijke gereformeerden ‘zich zelf erin herkennen’ en, de betrokken passages lezend, moeten toegeven: ‘Ja – zo hebben wij toen gedacht.’

Die ‘zelf-herkenning’ zou men door benoeming van meerdere auteurs wellicht vergemakkelijken. Doch ik acht het nadeel, dat dan een verbrokkeld werk ontstaat, van overwegend belang. Zou men trouwens aannemen, dat één historicus niet in staat zou zijn, van vijf jaar geschiedenis van een volk van negen miljoen zielen een adequaat beeld te geven, dan zou men impliciet het overgrote deel van alle historiografie van onwaarde moeten verklaren. Daar komt bij, dat de auteur in staat zal zijn – in staat moet zijn – om door persoonlijk contact met andersgezinden zoveel mogelijk de nadelen op te heffen, samenhangend met het feit, dat hij, als ieder mens, in een bepaald milieu opgegroeid is en daar zijn psychische en geestelijke vorming ontvangen heeft. Is de auteur zich van zijn eigen onvermijdelijke beperktheden bewust, dan zal hij, naar ik aanneem, gaarne beschrijvingen van personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen, waar hij van zichzelf uit vreemd tegenover stond, ter toetsing voorleggen aan personen of instanties, die door uw college of door hem voor het uitbrengen van een advies competent geacht worden.’

Die ene auteur moest zich, meende ik, ‘geheel of nagenoeg geheel aan de voorbereiding van het Geschiedwerk wijden.’ Hij zou zich moeten beperken ‘tot de op het eerste gezicht belangrijkste delen van onze collecties.’ ‘Van de Duitse en Nederlandse documenten kan hij beginnen met de regesten’ (inhoudssamenvattingen die door de afdeling Beschrijving van het instituut werden vervaardigd en waarvan de gestencilde lijsten toen al duizenden pagina’s telden),

‘waar nodig teruggrijpend op de oorspronkelijke stukken; alle delen van de Parlementaire Enquêtecommissie zal hij van a tot z moeten doorwerken, van de overige in Nederland verschenen werken zal hij slechts sommige geheel, vele andere alleen maar gedeeltelijk begeren te lezen; de volledige jaargangen van de voornaamste illegale bladen (tien tot twintig) zal hij zelf moeten bestuderen; de honderden illegale uitgaven, die alleen nieuws bevatten, behoeft hij niet persoonlijk te excerperen. Ik stel mij voor, dat hij ook een aantal dag- en weekbladen uit de jaren 1940–1945 in hun geheel zal wensen te lezen; in verreweg de meeste zal hij zich echter slechts bij uitzondering behoeven te verdiepen. Zo zal de auteur overal zijn eigen werkzaamheden beperken (moeten beperken: anders komt hij nooit klaar) tot die gedeelten van onze verzamelingen, die hem relatief veel bouwstenen zullen geven voor het monument, door hem op te trekken.

Wat die bouwstenen betreft, nog dit: het lijkt mij wenselijk, dat aan de auteur verzocht wordt, elke aantekening, elk citaat, elke verwijzing, ja elke gedachte, die hem invalt, te noteren of te laten noteren op een apart standaard-fiche. Hoeveel typewerk dat met zich zal brengen, is niet te voorzien. Het voordeel lijkt mij dat zodoende de gehele schriftelijke voorbereiding van het Geschiedwerk zo los mogelijk gemaakt wordt van de persoon van de auteur, die ook maar een kwetsbaar en sterfelijk mens is.

Van essentieel belang acht ik het, dat de auteur in persoonlijk contact treedt met de voornaamste figuren uit de jaren van oorlog en bezetting. Wat the man in the street dacht en voelde, zullen hem de door het instituut verzamelde dagboeken verhalen, doch met vele, zeer vele anderen zullen langdurige en vertrouwelijke gesprekken gevoerd moeten worden. Tot hen zullen bij voorbeeld behoren: vooraanstaande Duitsers, voor zover nog te achterhalen en voor zover zij nog niet benaderd zijn; de ministers uit de Londense kabinetten; Londense hoofdambtenaren; de Nederlandse secretarissen-generaal; Nederlandse hoofdambtenaren; provinciale en gemeentelijke gezagdragers; personen, die tijdens de bezetting op politiek terrein actief waren; voormannen van het verzet in al zijn vormen en schakeringen; vooraanstaande figuren uit de NSB en aanverwante organisaties – enzovoort.’

Ik meende dat de auteur twee full-time assistenten moest krijgen – daarvoor kwamen A.J. van der Leeuw en B.A. Sijes, beiden lid van de wetenschappelijke staf van het instituut, in aanmerking. ‘Verder’, zo stelde ik,

‘zou het naar mijn mening aanbeveling verdienen, wanneer uw college aan de auteur in overweging wilde geven zijn manuscript in geheel of bij gedeelten, alvorens tot zetten overgegaan wordt, aan al diegenen ter vertrouwelijke lezing toe te zenden, die door u of door hem in staat geacht worden, waardevolle op- en aanmerkingen te maken. In hoeverre hij van die op- en aanmerkingen gebruik wenst te maken in het manuscript, dat hij uiteindelijk aan u voorlegt, staat natuurlijk ter beoordeling van de auteur. Ik zie zulk een werkwijze niet als een hinderlijke beperking van zijn vrijheid, doch als een mogelijkheid tot verbetering en verrijking van het Geschiedwerk – en tevens als een waarborg, die de regering redelijkerwijs mag stellen.’

Het volgende punt dat ik behandelde, was ‘de begrenzing van de stof’. Daarbij bepleitte ik dat ook ‘Londen’, de West, het Nederlands-Indische bewind ‘tot aan de capitulatie op Java’ en ‘zijn uitlopers in Engeland, de Verenigde Staten en Australië’ beschreven zouden worden, en eveneens ‘de lotgevallen van de Nederlandse burgers in de Japanse concentratiekampen’ (ik vergat de krijgsgevangenen) maar ik vreesde dat de inmiddels opgerichte Indische Afdeling van het instituut niet voldoende gegevens bijeen zou kunnen krijgen om ook ‘de Japanse bezetting van Indonesië’ te doen behandelen.

Ik kwam tenslotte tot ‘de indeling van het Geschiedwerk’.

Ik kritiseerde Romeins opzet: deel 1 Kroniek, deel 2 Aspecten, deel 3 Geschiedenis. De nadelen daarvan vond ik ‘evident’:

‘Ik zie het voornaamste nadeel in de willekeurige scheiding, door hem gemaakt tussen ‘feit’ en synthese. Ik acht die scheiding ken-theoretisch niet houdbaar. Immers, een feit ontleent zijn belang eerst aan de plaatsing binnen een bepaald systeem. Ook een zogenaamde eenvoudige synchronische feitenlijst veronderstelt impliciet de synthese – die er nog niet zou zijn. Eerder is het mijns inziens zo, dat feiten, ‘aspecten’ en synthese met betrekking tot de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, in de afgelopen jaren tegelijk en samen gegroeid zijn. Waar nog bij komt, dat vele belangrijke ‘feiten’ pas veel later aan het daglicht gekomen zijn dan tijdens de bezetting door velen vermoed werd. Zo zal men van het Englandspiel, dat in de periode herfst 1941–herfst 1943 voor de ontwikkeling van het Nederlandse verzet, en dus voor de gehele bezettingsgeschiedenis van Nederland, van fundamentele betekenis geweest is, de voornaamste ‘feiten’ eerst kunnen opmaken uit het betrokken rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie.

Wat prof. Romein met deel 2 Aspecten wilde, is en wordt verwezenlijkt in de uitgave Onderdrukking en Verzet: een zeer los samenhangende behandeling van de in systematische onderdelen gesplitste oorlogs- en bezettingsgeschiedenis door deskundigen.6 Deel 1 Kroniek zou in zoverre aangehouden kunnen worden, dat aan het Geschiedwerk een chronologische lijst van de voornaamste feiten en gebeurtenissen zou kunnen worden toegevoegd – eventueel een serie chronologische tabellen. Voor het overige meen ik, dat het Geschiedwerk, nu wij zoveel jaren verder zijn, een synthese behoort te wezen van de drie door prof. Romein voorgestelde delen: gewone, normale geschiedschrijving dus – zuiver en ongesplitst.’

Geheel in het midden latend hoeveel boeken daarvoor nodig zouden zijn, zag ik de indeling van het werk als volgt:

Inleiding: ‘Het Koninkrijk der Nederlanden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog’

Deel 1: De neutraliteitsperiode

Deel 2: De Duitse invasie

Deel 3: Bezet Nederland t.e.m. de Februaristaking van 1941

Deel 4: Bezet Nederland t.e.m. de uitroeping van de NSB tot enig toegelaten partij, december 1941

Deel 5: Londen t.e.m. de val van Indië, maart 1942

Deel 6: Bezet Nederland t.e.m. de April-Meistakingen van 1943

Deel 7: Bezet Nederland t.e.m. ‘Dolle Dinsdag’ (5 september 1944)

Deel 8: Londen tot begin september 1944

Deel 9: De periode september 1944–mei 1945

Deel 10: De Nederlanders in Japanse gevangenschap, Japans ineenstorting en ‘de voorbereiding van de terugkeer van het Nederlandse gezag’


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 1 december 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 2,99