Leesfragment
Inleiding
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 14 – dr. L. de Jong
1. De geschiedenis van deel 14
Dr. L. de Jong wierp, zoals hij in deel 131 van zijn werk vertelt, al in april 1968 de gedachte op om de besprekingen van zijn boeken in een of andere vorm te bundelen. Bij het verschijnen van zijn eerste deel in februari 1969 verklaarde hij het onjuist te vinden ‘als alleen de visie van mij voor het nageslacht bewaard zou blijven’.2 Zijn voorstel om in het slotdeel van de reeks een verzameling reacties op te nemen, werd door de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen aanvaard. In de loop van de jaren groeide het idee mee met de omvang die de serie zelf kreeg. De bundel zou niet als een bijlage in het slotdeel verschijnen maar een zelfstandige publikatie vormen, geredigeerd door een onafhankelijke commissie van vakhistorici. In juni 1987 machtigde de toenmalige minister het Bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) deze redactiecommissie in te stellen. Op 17 december 1987 kwam zij voor het eerst bijeen.
2. Het materiaal
De redactie kreeg een overstelpende hoeveelheid materiaal ter beschikking. Het kan in drie categorieën worden verdeeld.
A. Overleg, voorafgaand aan de publikatie
Ten eerste, de reacties op De Jongs concepthoofdstukken geformuleerd door de leden van de zogenaamde begeleidingscommissie3 en door ‘meelezers’ die wegens hun bijzondere deskundigheid ten aanzien van het behandelde onderwerp ad hoc werden aangetrokken. Ook medewerkers van het RIOD werd in de regel gevraagd om schriftelijk commentaar op de onder hen circulerende typoscripten.
Ten tweede, De Jongs eigen systematische samenvatting van al deze opmerkingen met een voorlopige standpuntbepaling (de zogenaamde ‘Memories van Punten’).
Ten derde, de verslagen van de besprekingen van de begeleidingscommissie met de auteur op basis van deze ‘Memories’.
Deze collectie van aan de publikatie der boeken voorafgaande reacties is zeer uitgebreid. Hoewel zij niet openbaar was en de openbare discussie, die het eigenlijke onderwerp van dit deel is, dus (op een enkele uitzondering na) niet heeft beïnvloed, meende de redactie haar – conform het standpunt van het bestuur van het RIOD – toch te moeten gebruiken. Er kon echter geen sprake van zijn al deze stukken integraal te publiceren. De collectie is er veel te groot voor. Bovendien kwamen de diverse commentatoren vaak met ongeveer identieke opmerkingen. De redactie besloot daarom dit materiaal op zodanige manier samen te vatten dat de belangrijkste punten goed uitkwamen. Haar ambtelijk secretaris, dr. P. Romijn, werd bereid gevonden deze samenvattingen te schrijven.
B. Openbaar commentaar naar aanleiding van de publikatie
Het RIOD bezit een verzameling recensies, aankondigingen, voorpublikaties en vraaggesprekken met de auteur. Zij bestaat uit meer dan 3000 knipsels uit kranten, week- en maandbladen. De redactie heeft uit dit materiaal datgene geselecteerd wat haar van enig belang leek en haar mede-lid dr. J.Th.M. Bank verzocht de uitgekozen teksten in een zeker verband te ordenen. Ook de steeds wat later verschenen recensies van de diverse delen in de wetenschappelijke periodieken werden in deze overzichten opgenomen.
C. Door de auteur ontvangen opmerkingen van lezers
Het is herhaaldelijk voorgekomen dat lezers wier optreden voor, tijdens en na de bezetting door De Jong werd besproken, met hem in briefwisseling traden. Zij vroegen om correctie van door De Jong gegeven feiten of heroverweging van interpretaties. Zij deden dit overigens soms ook in kranteartikelen, interviews of op de televisie. Daarnaast waren er zelf niet in het boek vermelde lezers die de auteur op verschrijvingen en vergissingen wezen. De Jong heeft in zijn ‘Overzicht van wijzigingen’4 veel van deze opmerkingen verwerkt. Dit deel 14 bevat nog enkele aanvullingen daarop. Het spreekt echter vanzelf dat De Jong niet altijd bereid was zijn oordeel en voorstelling van zaken aan de kritiek van betrokkenen aan te passen. Sommigen van dezen hebben zich tot de redactie van dit deel gewend met het verzoek hun bezwaren te publiceren, maar dit behoorde niet tot haar competentie. Haar taak beperkte zich uitdrukkelijk tot inventarisatie, selectie en samenvatting van al voorhanden commentaar. Wel heeft zij in enkele gevallen gemeend dat zij in een voetnoot de opvatting van deze correspondenten diende mee te delen zonder zelf een oordeel daarover te formuleren. Eveneens heeft de redactie enkele kritische beschouwingen op uitdrukkelijk verzoek van De Jong opgenomen.
3. Aard van de selectie
Wie kennis neemt van de collectie reacties door de jaren heen op het geschiedwerk van De Jong wordt getroffen door de als regel positief-bewonderende toon die in het bijzonder in de pers domineert. De verschijning van ieder volgend deel kreeg steeds veel aandacht; niet zelden wijdden kranten hoofdredactionele commentaren aan zaken die de auteur aan de orde had gesteld. Onder welsprekende koppen werd veel plaats ingeruimd om de lezers op de hoogte te stellen van het belang van de nieuwe publikatie, waarna dan een samenvattend overzicht van het deel of een fragment hieruit volgde. De Jong heeft dankzij de media steeds een dankbaar lezerspubliek gekend dat beduidend groter was dan uitsluitend de groep die zijn boeken aanschafte.5
Dit deel zou geen reden van bestaan hebben als het vooral de bewonderende reacties op De Jongs werk herdrukte. Van het begin af aan was het immers bedoeld om te tonen dat De Jongs geschiedschrijving natuurlijk de definitieve waarheid over dit verleden niet kon weergeven. De geschiedschrijving in het algemeen kent geen definitieve waarheid. De Jong zelf heeft altijd beklemtoond dat zowel in zijn selectie en weergave van de feiten als in zijn beoordeling van mensen en hun handelingen subjectiviteit niet vermeden kan en ook niet mag worden wanneer men het verhaal niet in een droge kroniek van gebeurtenissen wil laten ontaarden. In dit deel 14 zou moeten blijken dat er inderdaad andere interpretaties dan die van De Jong mogelijk zijn. De redactie had dus de opdracht naar van De Jongs mening afwijkende opinies en kritische reacties te zoeken. Zij heeft dat ook gedaan en natuurlijk heeft zij materiaal gevonden. Dit verklaart waarom de lezer die dit deel doorbladert soms wellicht de indruk krijgt dat het werk nogal sceptisch en enkele keren bepaald vijandig werd ontvangen. Deze indruk is beslist onjuist; hij is het onvermijdelijke gevolg van de opzet van dit deel, dat niet representatief voor de algemene receptie is.
4. Dr. L. de Jong en de media
Zoals uit het voorgaande ook blijkt, heeft De Jong zijn boek altijd als het werk van een vakhistoricus gezien dat aan wetenschappelijke normen moet worden getoetst. Al schreef hij in opdracht van de rijksoverheid, alleen hij droeg de wetenschappelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud ervan en de kritiek erop moest een essentieel wetenschappelijk karakter dragen. Indien het woord wetenschap in het hier gegeven verband betekent dat de onderzoeker zich niet willens en wetens in de keuze van zijn materiaal beperkt tot wat hem ten bate van zijn voorstelling goed uitkomt en daarmee strijdig materiaal verwaarloost, indien het betekent dat hij zijn verhaal op een zo eerlijk mogelijke manier vertelt zonder aan bewuste vooroordelen toe te geven en zonder effectbejag, indien het bovendien betekent dat hij bereid en in staat is zijn voorstelling van zaken te verantwoorden door verwijzing naar bronnen en zegslieden, dan is er geen reden het hier niet te gebruiken.
In de presentatie van zijn delen aan de pers sloeg De Jong echter steeds wegen in die toentertijd in de kring van zijn vakgenoten-historici nog niet waren begaan en hij bouwde mede daardoor een relatie met de journalistiek op die bepaald ongebruikelijk was. Met andere woorden: De Jong hanteerde voor de verspreiding van zijn uitdrukkelijk als wetenschappelijk gepresenteerde geschiedschrijving middelen die geen enkele historicus van zijn generatie ter beschikking had. Het redactielid J.Th.M. Bank die zelf, voor hij aan de universiteit ging doceren journalist was geweest en De Jongs procedures van dichtbij bestudeerde, beschreef zijn optreden op de volgende wijze:
‘De Jong weet van de journalistiek de hoed en de rand. Hij ontleende veel inzicht en ervaring aan zijn Londense tijd en importeerde de Engelse techniek van omgaan met de pers in Nederland. Al spoedig na de oprichting van het Rijksinstituut paste De Jong het hier geschetste systeem toe, ook als het publikaties van andere medewerkers betrof, bijvoorbeeld in 1954 bij de verschijning van De Februaristaking door B.A. Sijes, waarbij betrokkenen zelf tijdens de persconferenties uiteenzettingen over hun boeken gaven met de Jong aan hun zijde. Omdat De Jong de journalistieke conventies kent, kan hij zich gemakkelijk toegang verschaffen tot de media en zijn mededelingen ook zo formuleren, dat ze in zijn termen in de krant komen. Ander voorbeeld: voor de tv-camera spreekt hij zijn zinnen zo uit, dat ze in zijn bewoordingen direct kunnen worden gemonteerd.
Naast zijn persoon heeft ook zijn vertellende stijl aantrekkingskracht op de journalisten. De verhalende geschiedschrijver en de vakbekwame journalist ontlopen elkaar nauwelijks.
Is de publikatie van een nieuw deel van Het Koninkrijk in zicht, dan worden drie weken voor de datum van verschijning de redacties van kranten en omroepen gewaarschuwd. Men ontvangt een aantal drukproeven plus kant en klare delen. Door de zending te accepteren verbinden de redacties zich het door De Jong in overleg met zijn uitgevers vastgestelde embargo te respecteren. Korte tijd voor dat uur-u houdt De Jong een persconferentie, waarvan de inhoud eveneens onder embargo staat. In een poging tot rechtvaardigheid gunt De Jong het eerste recht van publikatie nu eens aan de ochtendbladen dan weer aan de avondkranten.
Deze procedure werkt eenvormigheid in de hand. Het precieze uur van het embargo dwingt redacties tot een publikatie op een vast tijdstip. Vanwege de concurrentie kan geen van de dagbladen of het NOS-journaal het zich permitteren deze datum te verwaarlozen. Voor het lezen van de honderden bladzijden kunnen journalisten twee weken de tijd nemen. Weinigen is het gegund zich voor die opdracht geheel aan het dagelijkse werk van de journalistiek te onttrekken, maar de publikatiedatum is onverbiddelijk. Het is een van de oorzaken van het verschijnsel dat de artikelen over De Jong over het algemeen slechts uittreksels zijn uit zijn boekdeel. Alleen bij de eerste delen heeft De Jong zelf suggesties toegevoegd van wat zijns inziens belangrijke passages waren.
Eenvormigheid wordt ook bevorderd door de persconferenties. Bij het verschijnen van de delen van De Jong komt het vaak voor dat er over onderdelen affaires ontstaan, waarvan de bronnen gelijktijdig in alle kranten zijn te vinden. Op de persconferenties stellen journalisten vragen over het gelezene en laten zij gewild of ongewild elkaar delen in die resultaten van de lezing, die “de krenten uit de pap” zijn. Wie bij wijze van spreken het nog niet was opgevallen dat Van ’t Sant in deel 9 zo’n interessante beschrijving krijgt, hoort het op de persconferentie wel van anderen.
Het optreden van De Jong op een persconferentie is onnavolgbaar. Wie er ook met hem aan tafel zit en met egards aan de journalisten is voorgesteld, hij leidt de sessie. Nu eens een strenge docent met een afwerende reactie, dan weer een collega, die zijn pappenheimers kent en tot samenzwering bereid lijkt; de suggestie wekkend van een persoonlijke aandacht voor oudgedienden en in zijn seriewerk ervaren journalisten; zijn gehoor aan het begin van iedere conferentie mededeling doende van de voortgang van het onderzoek als gold het een groot kunstwerk, waarbij leken op gelijke voet in de problemen van het ambacht lijken te worden ingewijd; quasi onverschillig blijvend over de krenten, die andere journalisten in zijn pap hebben ontdekt maar die hij er wel eerst heeft ingelegd. De lange reeks van persconferenties heeft ervaren deelnemers tot een schare van getrouwen verenigd. Een fundamenteel criticus als Jan Rogier (1930–1986) was bij mijn weten nimmer aanwezig. Contra-expertise was op zulke bijeenkomsten slechts van enkelen te verwachten; de bekendste in dit opzicht was Paul van ’t Veer (1922–1979).
Mijn conclusie is dat er weliswaar van directe beïnvloeding van de pers geen sprake was, maar dat een combinatie van dwingende produktie-factoren en een perfecte beheersing van de journalistieke conventies De Jong in staat heeft gesteld de eerste weerklank op zijn werk in de media te orkestreren.’6
5. De beperktheid van de discussie
Onder andere op deze wijze werd de aandacht van het publiek gericht op de in elk of bijna elk van de delen geopenbaarde onthullingen. Sommige daarvan waren voor het goede begrip van de gebeurtenissen in de bredere zin van het woord eigenlijk niet of nauwelijks van belang (de kwestie Zwolsman bijvoorbeeld); andere (zoals de zogenaamde geweldsexcessen van Nederlandse militairen in het naoorlogse Indië) waren al eerder bekend; nieuwe informatie over het verleden van bepaalde personen (de secretaris van koningin Juliana onder anderen) had geen ingrijpende betekenis. Mede als gevolg hiervan kwam een debat over de waarde van het boek als zingeving van een verleden moeilijk op gang en bleef de discussie vaak steken in de beschouwing van incidenten of de beoordeling van personen. Misschien is dit een van de verklaringen voor het vrijwel onbetwistbare feit dat er tot nu toe, zelfs in de vaktijdschriften, nauwelijks een principiële gedachtenwisseling over het werk begonnen is. De Jong is altijd bereid geweest vergissingen te corrigeren, als men hem toonde dat de feiten anders waren dan hij dacht; hij heeft ook herhaaldelijk toegegeven – in de discussie in interne kring voor publikatie en in de openbare discussie daarna – dat zijn oordelen soms genuanceerd moesten worden. Maar op de algemene interpretatie die zijn verhaal draagt is hij nooit teruggekomen en de enkele keren dat juist die ter discussie werd gesteld heeft hij daar nauwelijks op gereageerd. Dit is in geen enkel opzicht verwonderlijk; het verdient ook bepaald geen kritiek. Het betekent echter wel dat de critici met de auteur zelf niet in debat konden gaan.
De hoofdfactor die de vrij nauwe limieten van de discussie bepaalt, is overigens een andere, maar hij spreekt zo vanzelf dat hij nauwelijks vermeld behoeft te worden: de weigering van alle auteurs die in Nederland studies over de bezettingstijd publiceren om enerzijds een positieve waardering voor het nationaal-socialisme, de bezetters en de collaborateurs te verwoorden en anderzijds de vervolgden te kritiseren. De oorlogsperiode vormt de enige episode in de Nederlandse geschiedenis die geen debat over fundamenteel gelijk of ongelijk toelaat. Alles wat over deze tijd wordt geschreven, is uitdrukkelijk vijandig aan de door de Duitsers gepropageerde standpunten en de door hen gevoerde politiek. Zeker, de ene auteur is wellicht meer bereid bepaalde fascistische denkbeelden ernstig te bestuderen en er zelfs een zeker begrip voor op te brengen dan een andere auteur, maar men kan zich in Nederland eenvoudig geen geschiedenis van de bezetting voorstellen die geschreven werd vanuit het standpunt der nationaal-socialisten, of ten minste werd geïnspireerd door enige sympathie met de Duitse machthebbers. De totale verwerpelijkheid van het bezettingsregime is het enige denkbare gegeven in de hele Nederlandse geschiedenis waarover een zo homogene consensus wordt geacht te bestaan dat pogingen in het openbaar een afwijkende mening te uiten òf niet worden gedaan òf niet worden toegelaten.
Dit feit verengt het terrein van de historische discussie. Het relatieve gelijk van de Spanjaarden tijdens de Opstand, van de diverse politieke partijen in de zeventiende en achttiende eeuw, van de Franse revolutionairen en van Napoleon, van Jan Pieterszn. Coen, van Van Heutsz of van andere grote imperiumbouwers, kan door geschiedschrijvers worden overwogen zonder dat zij zich daardoor discrediteren; het relatieve gelijk van Hitler, Rauter, Mussert en consorten vormt noch voor hen noch voor hun lezers een aanvaardbaar thema.
De derde factor waardoor de discussie wordt beperkt is het isolement waarin de meeste auteurs, ook De Jong, de bezettingsgeschiedenis van Nederland tot nu toe hebben bestudeerd. Hoewel De Jong het verloop van de oorlog in brede overzichten vertelt en hij zijn lezer zeer ver buiten de Nederlandse grenzen meevoert, heeft hij het niet nodig gevonden zich zodanig in de bezettingsgeschiedenis van landen als Noorwegen, Denemarken, België en Frankrijk te verdiepen dat hij deze op een zinrijke manier met de Nederlandse kon vergelijken. Als gevolg hiervan worden de (noodzakelijke) morele oordelen van De Jong en diens commentatoren over het optreden van personen en groepen tijdens de oorlog gevoed door normen die niet zijn onderworpen aan de toets van het comparatisme. Met andere woorden, men weet niet of zij, wanneer zij op andere geschiedenissen dan die van Nederland worden toegepast, tot een enigszins zinrijk geschiedbeeld leiden. Pas als de historici dat weten, kunnen zij bepalen of de in Nederland meestal aanvaarde standaarden als min of meer algemeen geldig beschouwd mogen worden. Pas dan ook kunnen zij nauwkeuriger nagaan of er reden is in het Duitse bezettingsregime en de Nederlandse houding daartegenover iets specifieks op te merken dat zich elders niet in deze vorm heeft voorgedaan. Zolang men niet probeert vast te stellen of de Nederlandse oorlogservaringen uitzonderlijk waren dan wel in hoge mate identiek met die van andere bezette landen, en of veelbesproken verschijnselen als het college van de secretarissen-generaal, de Nederlandsche Unie, de collaboratie, het verzet niet alleen elders in vergelijkbare gedaante voorkwamen, maar tevens op ruwweg dezelfde wijze werden en worden beoordeeld, ontneemt men zich de mogelijkheid het standpunt van waaruit men op de periode terugziet, te verhogen.
6. De receptie van het werk
In maart 1970 verscheen De Jongs derde deel waarin hij het verhaal over de oorlogvoering in en de bezetting van Nederland begon: Mei ’40. Van toen af kwamen in grote regelmaat de vele boeken uit die in 1986 het eindpunt, 1945, bereikten. Gedurende deze hele periode bleef de belangstelling voor het werk zeer groot. Zij bleef ook opvallend constant al zal degene die deel 14 doorneemt er wel gemakkelijk zekere fluctuaties in opmerken. De Jong, al zeer bekend door de televisie-serie over de bezetting die hij vanaf begin 1960 voorbereidde en presenteerde, bezat veel gezag en nam soms heel openhartig aan de juist in die tijd met veel heftigheid gevoerde maatschappelijke discussie deel. Toch heeft bijvoorbeeld zijn stellingname tegen het toen in intellectuele kring door jonge politici, publicisten en actievoerders verspreide en onder andere in de universiteiten doorgedrongen radicalisme nooit veel effect op de receptie van zijn werk gehad. Deze was en is ook relatief weinig beïnvloed door politieke partijkeuzen. Alleen de communisten hebben principieel tegen De Jong als aanhanger van de NAVO campagne gevoerd en in hun robuuste proza van deze jaren al direct bij het verschijnen van het eerste deel scherp tegen het werk geprotesteerd. De confessionele partijen die in de eerste delen nogal kritisch werden behandeld – in de begeleidingscommissie gaf dit aanleiding tot heel wat tegenspraak –, hebben nooit op een vergelijkbare manier op het werk gereageerd en de confessionele pers was over het algemeen diep onder de indruk van zijn boeken.
Partijpolitieke en levensbeschouwelijke opties hebben De Jongs relaties met zijn lezers dus niet wezenlijk verstoord. De gedachte dat zijn werk een nationale betekenis had die boven actuele geschillen uitging, heeft zelfs wanneer de discussie zeer emotioneel werd ten slotte overheerst. Het is overigens in dit verband wellicht van belang op te merken dat verreweg de levendigste protesten waarmee De Jong werd geconfronteerd, zich richtten tegen zijn uiterst kritische beschrijving van het kolonialisme en van de naoorlogse dekolonisatie. Geen van de bezwaren tegen elementen uit de bezettingsgeschiedenis in engere zin kreeg een zo fundamenteel karakter als de in principiële termen vervatte aanval op De Jongs voorstelling van zaken over onderwerpen die buiten het eigenlijke object van zijn werk – namelijk de oorlog zelf – lagen.
Over het algemeen heeft het lezerspubliek zich door De Jongs weergave van de bezetting laten overtuigen. Het vond in zijn boeken het geordende en verklarende verslag van gebeurtenissen die het zelf had meegemaakt of waarover het door oudere mensen had horen spreken. Ondanks de groeiende afstand in tijd die publikatie en oorlog scheidde, fungeerde het werk als een verhaal over het persoonlijke verleden van de lezer, herinnering aan, herkenning en explicatie van belangrijke episoden uit het eigen bestaan en dat van familie en vrienden. In de schat aan door De Jong geleverde gegevens vond elke lezer mededelingen die betrekking hadden op door hemzelf beleefde of hem door getuigen vertelde feiten, zodat men vaak het gevoel kon krijgen over zichzelf te lezen. Trouwens, ook De Jongs dictie was er, zo lijkt het, op gericht om een zekere familiariteit tussen auteur en publiek te doen groeien. Zeker, de toon van De Jongs proza is vaak enigszins gedragen. De Jong maakte ook steeds duidelijk dat hij een wetenschappelijk boek voor volwassen lezers schreef. Toch slaagde hij erin hen als in een kring om zich heen te verzamelen, een gemeenschap van toehoorders die niet alleen trouw naar zijn betoog luisterden maar twee decennia achtereen hem hun vertrouwen schonken wanneer hij sprak over zaken die hen in hun intimiteit beroerden.
Zelfs de critici die weigerden zich aan De Jongs overtuigingskracht te onderwerpen bleven in de beginjaren dicht in zijn nabijheid. De taaie en vaak denigrerende polemiek waarin Jan Rogier vanuit linkse maar niet-communistische hoek de sociaal-democraat vervolgde – verscheidene specimina ervan worden in dit deel herdrukt – was bepaald niet afstandelijk. De overige, meestal veel mildere kritiek was vaak levendig genoeg. Zij had natuurlijk herhaaldelijk betrekking op vergissingen van De Jong (het nut daarvan bleek in het ‘Overzicht van wijzigingen’ in deel 13) maar soms toch ook op bepaalde waarderingen en voorstellingen. Enkele vakhistorici, zoals trouwens ook sommige leden van de begeleidingscommissie al eerder hadden gedaan, maakten bezwaar tegen de uitvoerigheid van het werk, de huns inziens overdadige hoeveelheid details, kortom, tegen de structuur en de opzet. Een enkeling vond het werk ontaarden in een kroniek. Er was dus zeker geen eenstemmigheid. Er was verzet. Maar het bleef voor het grootste deel een discussie tussen tijdgenoten die in allerlei opzichten dicht bij elkaar stonden al waren zij het met elkaar oneens.
De distantie tussen auteur en lezers werd echter zonder twijfel groter naarmate de distantie tot de oorlog toenam. In de receptie van de latere delen over de oorlog zelf, hoe positief in het algemeen ook, treft men minder directe betrokkenheid en dus meer koelheid aan. Er komt in de kritiek op aspecten van zijn uiteenzettingen – bijvoorbeeld over de voedselvoorziening – soms ook een scherpte die grenst aan vijandigheid. Jonge historici, die detailonderzoek naar bepaalde verschijnselen in de oorlogsperiode doen, verklaarden in het grote werk slechts de voor hen nuttige gegevens bijeen te zoeken als uitgangspunt voor verdere studie, maar geen verwantschap met De Jongs beoordelingswijze en zijn huns inziens te weinig analytische vertelstijl te voelen. Voor hen is het boek dus in de eerste plaats een naslagwerk dat – het spreekt vanzelf – hier en daar correctie behoeft. Dit werd waarschijnlijk niet depreciërend bedoeld. Men zal de reactie misschien ook moeten interpreteren als een poging van onderzoekers zich tegen de verpletterende massa van De Jongs werk teweer te stellen. Bovendien is de functie van naslagwerk zonder twijfel belangrijk genoeg om een zo gebruikt werk met respect ter hand te nemen. Ook de auteur verwacht trouwens niet dat veel mensen in de toekomst tijd en gelegenheid zullen hebben alle 16.000 pagina’s achter elkaar door te lezen. Desondanks is er bepaald nog geen reden om te voorspellen dat de betekenis van De Jongs boek zich inderdaad tot deze ene functie zal beperken. Het geeft niet alleen een onuitputtelijke informatie, het bevat ook zoveel interpretatie dat ieder die de oorlogsperiode bestudeert deze tekst in zijn beschouwing moet betrekken, ook al was het maar om ermee in discussie te treden. In elk geval is er geen sprake van dat gebeuren zal wat De Jong in 1969 vreesde: dat namelijk alleen zijn visie voor het nageslacht bewaard zou blijven.
★
Het spreekt vanzelf dat de redactie dit deel zonder de materiële steun van het RIOD onmogelijk had kunnen samenstellen. Zij drukt bovendien gaarne haar oprechte dank uit aan de medewerker van het instituut, dr. P. Romijn, die als haar ambtelijk secretaris fungeerde, en aan mevrouw M. Andriese die de tekstverwerking verzorgde.
7. Verantwoording
In de redactionele tekst is de voorkeurspelling gebruikt. In de selectie van reacties na verschijning is de oorspronkelijke spelling gehandhaafd, maar is ter bevordering van de typografische duidelijkheid gekozen voor uniformering van de opmaak, wat er ook toe heeft geleid dat tussenkopjes als regel zijn geschrapt. Inspringende citaten zijn ter bevordering van het onderscheid tussen redactionele en aangehaalde tekstfragmenten gemarkeerd met een extra (groot) aanhalingsteken in de marge.
De annotatie van de tekst betreft verwijzingen naar voorgaande delen van het geschiedwerk van De Jong (eerst wordt de verwijzing naar de wetenschappelijke uitgave gegeven; tussen haakjes volgt de verwijzing naar de populaire editie), naar vindplaatsen in het correspondentiearchief van het RIOD en naar literatuur – deze zijn alle in noten aangegeven. Naar De Jongs typoscript, naar de ‘Memories van Punten’ en naar de ‘Verslagen’ van de besprekingen van de begeleidingscommissie is in de lopende tekst verwezen. Ten slotte zijn noten die behoren bij door de redactie geselecteerde bijdragen steeds opgenomen als eindnoten, onmiddellijk volgend op het betrokken artikel. In een aantal gevallen heeft de redactie besloten minder relevant geachte noten te laten vervallen.
De directie van het RIOD heeft met het oog op het auteursrecht alle rechthebbenden benaderd met een verzoek om toestemming tot overname van artikelen en bijdragen in de algemene en de vakpers, of fragmenten daarvan, en van meelezers van De Jong, voor zover uit hun correspondentie met de auteur letterlijk is geciteerd. De redactiecommissie is ieder, die toestemming tot publikatie van zijn of haar discussiebijdragen heeft verleend, bijzonder dankbaar. Degenen die menen dat zij ten onrechte niet benaderd zijn wordt vriendelijk verzocht zich desgewenst in verbinding te stellen met de directie van het RIOD.
Hier eindigt het eerste hoofdstuk.
Verschijnt 1 december 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 4,99