Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 2 – Neutraal

Leesfragment

HOOFDSTUK 1 – Koningin Wilhelmina

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 2 – dr. L. de Jong

Het was in een stemming van grote verontwaardiging dat jhr. mr. B.C. de Jonge, de latere gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, zich in de namiddag van de 16de mei 1918 (kort voor het einde van de eerste wereldoorlog dus) naar ‘De Ruygenhoek’ begaf, het buitenverblijf van koningin Wilhelmina bij Scheveningen. Hij was op dat moment sinds bijna een jaar minister van oorlog in het kabinet-Cort van der Linden; op ‘De Ruygenhoek’ zou de koningin hem in audiëntie ontvangen en het zou een bewogen, ja een dramatisch onderhoud worden. Want wat was geschied? Aan hem, de verantwoordelijke bewindsman, had zich de overtuiging opgedrongen dat generaal C.J. Snijders, opperbevelhebber van land- en zeemacht sinds het begin van de oorlog, ontslagen diende te worden; dat was ook de overtuiging geworden van al zijn ambtgenoten behalve de minister-president – maar de koningin had twee dagen tevoren duidelijk gemaakt dat zij er niet aan dacht, een koninklijk besluit, strekkende tot het verlenen van eervol ontslag aan de generaal, te ondertekenen.

Vanwaar dit conflict?

Vier weken tevoren, medio april 1918, was er opeens grote spanning gekomen in de verhouding tussen het neutrale Nederland en het oorlogvoerende Duitsland. Duitsland, dat het grootste gedeelte van België bezet hield, had geëist dat het via Limburg aanzienlijke hoeveelheden zand en grint naar België zou kunnen overbrengen: die materialen had het daar nodig voor het aanleggen van betonnen versterkingen. Het Nederlandse kabinet had doorvoer op grote schaal geweigerd; sinds de eerste wereldoorlog begin augustus ’14 uitgebroken was, was het beleid van dat kabinet er immers op gericht geweest, alle handelingen na te laten die een der twee strijdende coalities terecht zou kunnen beschouwen als in het directe voordeel van de tegenstander. Duitsland had de weigering van die zand- en grintdoorvoer hoog opgenomen: korte tijd zag het er naar uit dat ons land het lot ten deel zou vallen dat België in augustus ’14 getroffen had: Duitse invasie, Duitse bezetting. Dus lieten op 22 april de minister-president en de minister van oorlog, Cort van der Linden en de Jonge, generaal Snijders bij zich komen: de opperbevelhebber van land- en zeemacht moest weten wat hem onverhoopt te wachten stond.

Wat generaal Snijders in wezen dacht van de situatie waarin zich het land bevond, zette hij vijf weken later op schrift. Naar zijn overtuiging was de Nederlandse krijgsmacht weinig waard; Duitsland kon ons onverhoeds overvallen en dan was van de zijde der Entente (Frankrijk, Engeland en Amerika) niet voldoende hulp te verwachten; zou daarentegen de Entente ons ooit de oorlog aandoen, dan zouden de Duitsers veel gemakkelijker tot het verlenen van bijstand kunnen overgaan. ‘De vooruitzichten nopens de militaire gevolgen van een oorlog met Duitsland zijn inderdaad voor ons belangrijk ongunstiger dan die bij een oorlog met de Entente’ – zo vatte de generaal eind mei zijn inzichten samen1; een samenvatting die, schijnbaar louter militair, niet vrij was van politieke ondertonen.

Op 22 april was hij in het gesprek met Cort van der Linden en de Jonge zo ver nog niet gegaan. Toen had hij zich wel in pessimistische bewoordingen uitgelaten over de mate waarin de Nederlandse krijgsmacht weerstand kon bieden aan een Duits offensief en met dat pessimisme alleen al had hij de ministers die voor de Duitse eisen niet wilden zwichten, een kwade dienst bewezen. Het had wrevel gewekt, maar vooral ook een onduidelijkheid doen ontstaan die opgehelderd moest worden. Dus liet jhr. de Jonge vier dagen later de opperbevelhebber van land- en zeemacht nog eens bij zich komen voor een grondig gesprek; hij zorgde voor twee getuigen: zijn landmacht-adjudant, kapitein Röell, en het hoofd van de afdeling generale staf ten departemente, majoor Insinger. ‘De tijd voor kritiek is voorbij’, hield de minister de opperbevelhebber voor. ‘Wij moeten thans voorzichtig zijn met onze uitlatingen en liever trachten, er van te maken wat er van te maken is.’ Maar generaal Snijders gaf geen krimp. Hij maakte het nog erger, ‘zelfs noemde hij’, aldus de Jonge, ‘eventuele verdediging van Nederland doelloos!’2 De Jonge brak het gesprek over dit onderwerp af en toen de opperbevelhebber vertrokken was, stond het voor hem, majoor Insinger en kapitein Röell vast, dat deze defaitistische, in zijn hart pro-Duitse generaal zo spoedig mogelijk ontslag diende te krijgen. De Jonge ging daarbij niet over één nacht ijs: hij besefte dat hij met een voorstel tot ontslagverlening eerst in de ministerraad kon komen als hij een opvolger had. Het zoeken nam hem bijna twee weken: toen meende hij in de sous-chef van de staf van het algemeen hoofdkwartier, generaal-majoor Burger, de man gevonden te hebben die de plaats van generaal Snijders kon innemen. Nu zette hij door. Op 8 mei schreef hij een nota waarin hij tot de conclusie kwam, ‘dat in het bijzonder een burgerminister een opperbevelhebber niet handhaven kon, die het geloof in zijn zaak heeft verloren of nooit heeft gehad.’3 Vijf dagen later, op 13 mei, werd die nota in de ministerraad uitvoerig besproken; de Jonge’s conclusie werd door zeven van zijn acht ambtgenoten onderschreven; alle zeven stelden zij op het voorbeeld van de minister van oorlog hun eigen aanblijven afhankelijk van het verdwijnen van de opperbevelhebber – de achtste die de zaak niet op de spits wilde drijven, was de premier (of, zoals het toen heette: de tijdelijke voorzitter van de ministerraad), Cort van der Linden.

Diens eerste taak was het nu, het aan generaal Snijders te verlenen ontslag met de koningin te bespreken. Aldus geschiedde, daags daarna al. ‘Na afloop’, aldus weer de Jonge, ‘kwam Cort van der Linden mij het resultaat mededelen, Hare Majesteit wenste generaal Snijders niet te laten gaan. ‘Hebt u haar dan niet gezegd’, vroeg ik, ‘dat dan niet ik alleen wegga, maar alle andere ministers behalve u zelf?’ ‘Zeker’, antwoordde hij, ‘maar Hare Majesteit was van mening dat men reizende heren niet moest ophouden.’ ‘Maar heeft Hare Majesteit dan in deze zaak niets aan de minister van oorlog te zeggen die er toch vrij nauw bij betrokken is?’ ‘Hare Majesteit heeft niets aan de minister van oorlog te zeggen.’ ’4

Dan had de minister van oorlog wèl iets te zeggen aan Hare Majesteit! Onmiddellijk vroeg de Jonge audiëntie aan: 16 mei om vijf uur kon hij op ‘De Ruygenhoek’ komen – en nu volgen wij verder zijn verslag:

‘Ik was diep verontwaardigd; mijn zwakke punt was dat ik zó gelijk had, dat zeven ministers zich solidair met mij verklaard hadden. Daardoor was het niet meer de quaestie of ik uit het kabinet zou treden toen ik mijn verantwoordelijkheid niet meer dragen kon, maar was het de vraag of door mijn toedoen het gehele kabinet in de toenmalige omstandigheden zou aftreden. Ik was overtuigd dat de koningin op de daaraan verbonden moeilijkheden speculeerde om de opperbevelhebber te handhaven. Dit vond ik unfair en inconstitutioneel; laat de koningin elke ambtenaar naar welgevallen handhaven tegen de betrokken minister in, mits deze vrij is, daartegenover zelf terug te treden, maar als de omstandigheden zich daartegen verzetten, zoals zijzelf moest toegeven, dan is de handhaving van zulk een ambtenaar een aanfluiting van de ministeriële verantwoordelijkheid en een zeer unfaire daad tegenover de betrokken minister.

Er vielen inderdaad harde woorden. Kort na de aanvang stond Hare Majesteit op om te zien of de deur goed gesloten was: ‘Ik geloof dat het beter is dat men buiten niet hoort wat wij tot elkaar zeggen.’ Tot tweemaal toe was ik op het punt, uit eigen beweging weg te gaan. Maar ik was ook niet altijd aangenaam; toen zij mij wilde uitleggen dat het ‘doelloos’ van generaal Snijders niet zo gemeend was, antwoordde ik dat ik één taal bijzonder goed verstond en dat dit Nederlands was, waarom ik omtrent het woord ‘doelloos’ geen uitlegging behoefde, ook niet van Hare Majesteit; dat bovendien ik niet alleen het woord zo goed begrepen had, maar ook de twee bekwame stafofficieren die bij het gesprek tegenwoordig waren geweest. En zo ging het een uur lang door zonder ander resultaat dan de verklaring dat zij nader met de voorzitter zou overleggen.

Toen ik wegreed, had ik toch bewondering voor de flinkheid waarmee Hare Majesteit de storm had doorstaan en met hoogrood gezicht voet bij stuk had gehouden. Ik had niets bereikt.’5

Waarom had de koningin zich tegen het heengaan van generaal Snijders verzet? Wij kunnen er slechts naar gissen. De generaal (wiens pro-Duitse opvattingen zij allerminst deelde) was een flink krijgsman van het slag waar haar hart naar uitging. Zij vond, dat de minister aan dat ene ongelukkige woord ‘doelloos’ teveel betekenis toegekend had: de generaal had bedoeld ‘vruchteloos’ te zeggen; eind mei zou deze op schrift stellen dat ook hij van mening was,

‘dat het geval zich kan voordoen dat aan ons eisen worden gesteld die wij niet kunnen of mogen inwilligen en waarbij de eer des lands en onze nationale waardigheid eisen, ons gewapenderhand tegen het afdwingen van de verlangde concessies te verzetten, zelfs al bestaat het vooruitzicht dat deze weerstand … met onze ondergang zal eindigen.’6

Het is aannemelijk dat de koningin mede betoogde dat het heengaan van de opperbevelhebber (dat men niet zou kunnen toelichten!) alom in den lande deining zou veroorzaken; bovendien stond het ministerie op aftreden: zeven weken later, op 3 juli (dat was al aangekondigd), zouden verkiezingen plaats vinden voor een nieuwe Tweede Kamer; konden (wellicht was dat ook een vraag die zij stelde) de zittende ministers de beslissing in een zo belangrijke zaak dan niet aan hun opvolgers overlaten?

Dat laatste geschiedde. De Jonge kwam van zijn besluit om af te treden terug: zijn zeven ambtgenoten deden toen hetzelfde. Generaal Snijders schreef een lange nota om zich tegen de verwijten van de Jonge te verdedigen; de Jonge schreef een contra-nota en handhaafde zijn verwijten – en in de notulen van de ministerraad van 8 juni ’18 werd het volgende vastgelegd:

‘Besloten wordt dat de tijdelijke voorzitter de nota van de minister van oorlog aan Hare Majesteit de Koningin zowel als aan de opperbevelhebber zal doen toekomen. Nu de Koningin heeft te kennen gegeven dat zij een eventuele aanvraag om ontslag van de opperbevelhebber niet zou aanvaarden, zelfs niet indien de minister van oorlog verklaarde, de verantwoordelijkheid voor die weigering niet op zich te kunnen nemen, besluit het kabinet, overwegende dat met het oog op de tegenwoordige omstandigheden noch een eventuele ontslagaanvraag van het kabinet of zijn meerderheid vóór 3 juli a.s., noch het doen van mededelingen aan de Staten-Generaal … in ’s lands belang zou zijn, zich er toe te bepalen, aan Hare Majesteit eerbiedig in overweging te geven om aan de formateur van het vermoedelijk eerlang te vormen nieuwe ministerie mededeling te willen doen van het ten deze voorgevallene.’7

Nog was het conflict niet ten einde, want nu deed generaal Snijders, gekwetst als hij was, de koningin weten dat hij wenste heen te gaan: samenwerking met een minister die hem wantrouwde, wees hij af. Hij kreeg, àls die minister, nul op het rekest: de koningin weigerde zijn ontslagaanvraag in te willigen. Maar wie moest voor die weigering staatkundige verantwoordelijkheid aanvaarden? De minister van oorlog die het met het handhaven van generaal Snijders moeilijk eens kon zijn – of de minister-president wiens ressort het niet was?

Die vraag was in een onderhoud tussen de koningin en Cort van der Linden ter sprake gekomen. ‘Hare Majesteit meende’, zo legde de Jonge op gezag van Cort van der Linden vast,

‘dat dit de taak van de premier was, maar deze vond dat hij dit niet kon doen zonder daarover eerst met mij te hebben gesproken. De koningin wilde daarvan niet horen en deelde daarop haar plan mede om aan generaal Snijders persoonlijk te schrijven dat er geen reden voor hem was om ontslag te vragen, aangezien hij het volle vertrouwen van de Kroon had behouden en zijn ontslag niet in het belang van het land zou zijn. Daarin heeft Cort van der Linden toegestemd! Hij weigerde echter vergunning om in dit persoonlijk schrijven te zetten dat dit met zijn instemming plaats vond. Er mocht wel in staan dat het met zijn medeweten geschiedde!

Welke figuur ontstond hierdoor? Was de minister nu voor die brief verantwoordelijk of niet? De bedoeling was waarschijnlijk het laatste, daar hij het medeweten blijkbaar niet gelijk stelde met een contraseign. Maar dan is hier aan de ministeriële verantwoordelijkheid ernstig tekort gedaan en is een daad door de persoonlijke koning verricht welke inconstitutioneel was en door de premier had kunnen en moeten worden voorkomen, maar is toegelaten.’8

Dat de koningin iets gedaan had wat in normale omstandigheden door geen kabinet aanvaard zou zijn, is duidelijk – maar is de beschuldiging (‘inconstitutioneel’) van de gegriefde de Jonge wel juist? Is een minister, zolang hij niet aftreedt, niet staatkundig verantwoordelijk voor alle daden van het staatshoofd, óók voor daden waarmee hij het niet eens is, a fortiori voor daden waar hij kennis van draagt en waar hij zich niet tegen verzet – zoals in deze conflictsituatie het geval was?

De afloop is snel verteld.

Cort van der Linden hield zijn kabinet bijeen. Generaal Snijders bleef aan. De generaal kreeg van het volgend kabinet begin november eervol ontslag. En de Jonge was de enige minister uit het kabinet-Cort die geen onderscheiding ontving9 – een verzuim waarvoor, uiteraard, de staatkundige verantwoordelijkheid niet bij de koningin lag maar bij de nieuwe ministers die opgetreden waren.

Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog vormt het onderwerp van dit seriewerk. Van dat koninkrijk was Wilhelmina de koningin en haar koningschap was, in tegenstelling tot wat wellicht vele tijdgenoten dachten, allerminst een loutere formaliteit. Zij heeft zichzelf beschouwd als een gids van de natie. Zij is dat tot op zekere hoogte ook geweest, maar dat geldt dan toch vooral, zo niet uitsluitend, voor de periode die zij zelf later als de belangrijkste uit haar leven ging zien: de jaren der Engelse ballingschap. De gehele tweede wereldoorlog heeft zij als een worsteling ervaren die in betekenis slechts te vergelijken viel met de Tachtigjarige Oorlog waarin haar grote voorzaat Willem van Oranje grondvester geworden was van de vrijheid der Republiek. Vandaar dat het ons gepast leek om, nu ons werk de drempel van het uitbreken van die tweede wereldoorlog overschreden heeft, dit deel met een hoofdstuk te openen dat aan koningin Wilhelmina gewijd is. Haar beleid tijdens de neutraliteitsperiode (onderwerp van dit tweede deel) en, straks, tijdens de meidagen van 1940 (onderwerp van het derde) – het zou alles zijn noodzakelijke diepte en achtergrond ontberen wanneer wij niet eerst de vrouw schetsten die op 1 september 1939, daags na haar negen-en-vijftigste verjaardag, getuige was van Duitslands aanval op Polen welke (daar maakte zij zich geen illusies over) inleiding zou worden tot een nieuwe wereldbrand.

Laat ons duidelijk aangeven wat wij nu voornemens zijn. Wij schrijven geen uitgebreide biografie van koningin Wilhelmina, niet eens een beknopte levensschets; wat wij aan feiten (persoonlijke en zakelijke) willen vermelden, heeft slechts één bedoeling: duidelijk te maken waarom zij in de tweede wereldoorlog handelde zoals zij deed – deed in dat ‘onafgebroken werken, zwoegen en scheppen’, waarvan, tijdens haar eigen inhuldiging, koningin Juliana met betrekking tot haar moeder gewaagde. Dat doet reeds onmiddellijk de vraag rijzen: wat waren binnen het Nederlandse bestel eigenlijk de mogelijkheden voor eigen ingrijpen waarover de drager of draagster van de kroon beschikte? ‘De koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk’ – met dat artikel begon, sinds 1848, het gedeelte van de Grondwet dat ‘de macht des konings’ behandelde. ‘Wat dan de koning persoonlijk doet?’ – Struycken had in 1909 die vraag gesteld en hij was zijn antwoord aldus begonnen: ‘Slechts in mysterious half-lights and vague shadows kan het worden omschreven … Uit ondervinding weten het ten onzent slechts weinigen, en dezen zwijgen er over.’10 Dat zwijgen zou ons niet passen. Veeleer leek het ons aanbevelenswaardig, dit hoofdstuk te beginnen met de beschrijving van het conflict dat zich in 1918, in een periode van angstige nervositeit en uiteraard in diep geheim, tussen koningin Wilhelmina en de meeste ministers voordeed.11

Wij willen op dat conflict (dat, als de meeste conflicten, wel zijn diepe wortels gehad zal hebben) niet verder ingaan; wij willen er ook geen woord commentaar aan toevoegen; ons ging het slechts om één ding: aan de hand van dat ene voorbeeld (dat men natuurlijk niet generaliseren mag) aan te tonen, hoeveel spanning, hoeveel worsteling, hoeveel strijd er schuil kan gaan binnen de uitvoerende macht (de onschendbare koning en de verantwoordelijke ministers) die zich, dat eist de Grondwet, aan volksvertegenwoordiging en publieke opinie dient te presenteren als de gesloten en ondoorzichtige eenheid die met het begrip ‘de regering’ aangeduid wordt.

Wij herhalen onze vraag: wat waren binnen het Nederlandse bestel de mogelijkheden voor eigen ingrijpen waarover de drager of draagster van de kroon beschikte? En nu willen wij niet overgaan tot staatsrechtelijke beschouwingen; liever willen wij de historische feiten laten spreken. Zij wijzen in de negentiende eeuw alle in dezelfde richting: geleidelijke beknotting van de macht des konings.

Koning Willem I was een principieel tegenstander geweest van het delen van de uitvoerende macht met anderen. Tot aan de beperkte grondwetswijziging van 1840, waren de ministers, aldus Krabbe, ‘de agenten des konings, enig ander verband dan uit deze verhouding ontsproot, bestond tussen hen niet’.12 Wel werd in 1823 een raad van ministers ingesteld, maar deze had geen andere functie dan in het bestuursapparaat een zekere coördinatie aan te brengen: de koning bleef persoonlijk het land besturen, de ministers waren zijn dienaren.

De grondwetswijziging van 1840 (bevorderd door de ontevredenheid die, na de Belgische Afscheiding, door het starre beleid van Willem I gewekt was) bracht twee wijzigingen. De eerste hield in dat de ministers strafrechtelijk verantwoordelijk werden: voortaan zouden zij wegens het schenden van de Grondwet of van de wetten voor de Hoge Raad gedaagd kunnen worden. Dat geval heeft zich nooit voorgedaan, maar die nieuwe bepaling betekende toch wel dat de ministers meer dan tevoren rekening moesten houden met die eigen verantwoordelijkheid. De tweede wijziging was, dat alle besluiten des konings mede-ondertekend moesten worden door de minister tot wiens departement zij behoorden: dit verplichte contraseign maakte de koning in sterker mate afhankelijk van ministeriële medewerking. Niettemin bleef binnen de uitvoerende macht het accent bij hèm liggen: er was buiten die macht geen instantie waarop de ministers zich bij een conflict met de koning konden beroepen. Na 1840 verzette Willem II zich hardnekkig tegen verdere hervormingen en met name tegen het invoeren van de staatkundige verantwoordelijkheid der ministers. Immers, zouden deze in plaats van jegens de koning verantwoordelijk te zijn, verantwoordelijk worden jegens de volksvertegenwoordiging, dan zou deze laatste belangrijk meer invloed krijgen binnen het staatsbestel en zouden de ministers de dominerende factor worden binnen de regering. Wij haalden in het vorige deel al de kenmerkende uitspraak (1845) van Willem II aan: ‘Ik offer de prerogatieven der Kroon niet op. Als men het schavot voor mijn ogen opricht, zal ik het schavot beklimmen en mijn hoofd geven, liever dan te ondertekenen.’13

Onder de indruk van de in Frankrijk uitgebroken, naar Duitsland en Oostenrijk overgeslagen revolutie, werd deze koning in maart 1848 van de ene dag op de andere van ‘zeer conservatief’ ‘zeer liberaal’ – aldus zijn eigen bekentenis. De nieuwe, hoofdzakelijk door Thorbecke ontworpen Grondwet waarin dan eindelijk uit het Engels bestel de bepaling overgenomen was: ‘De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk’, werd zeven maanden later, op 14 oktober 1848, afgekondigd. Nauwelijks had de in Londen wonende kroonprins hiervan vernomen of hij berichtte zijn vader tot tweemaal toe dat hij afstand wenste te doen van het recht van troonopvolging. Willem II nam beide mededelingen voor kennisgeving aan, maar de dag waarop hij in maart 1849 stierf, heerste er in de kring der ministers nog aanzienlijke twijfel of de kroonprins wel bereid was, de kroon te aanvaarden. Deze werd hem krachtens de exacte toepassing van de Grondwet opgezet: ‘Willem de Derde is koning der Nederlanden’, heette het in de ministeriële proclamatie waarin het overlijden van Willem II bekendgemaakt werd.

Willem III kwam op zijn weigering terug: hij aanvaardde de regering. Aanvaardde ze, maar met een wrevel die zich bepaald ook richtte tegen de man die hij terecht als de auctor intellectualis van de in 1848 doorgezette beknotting der koninklijke macht beschouwde: Thorbecke. ‘Ik mepriseer hem’, zei hij medio oktober 1849, ‘maar ik kon hem tolereren, maar ook niet meer.’14 De animositeit tussen de koning en de minister-president, die een zakelijke grondslag had maar door persoonlijke factoren verscherpt werd, dreef de twee elementen in het staatsbestel (koning en ministers) die, ware alles goed gegaan, in harmonie de uitvoerende macht gevormd zouden hebben, steeds verder uiteen. Thorbecke’s opvatting (de Fransman Thiers had het scherp geformuleerd: le roi règne, mais ne gouverne pas) gaf de koning het gevoel dat hij gedegradeerd was tot een, aan publieke kritiek onttrokken, machine voor het zetten van handtekeningen. Na een jaar was de verhouding al zo slecht dat Willem III weigerde, zijn ministers ter gelegenheid van Nieuwjaar 1851 te ontvangen.15 Het ene conflict volgde op het andere. De koning uitte de wens dat elke minister die een bepaald wetsontwerp in de ministerraad aan de orde wilde stellen, het ontwerp eerst aan zijn goedkeuring zou onderwerpen; Thorbecke wees die wens af: daardoor werd onderstreept dat de koning in elk conflict over zodanig ontwerp niet de betrokken minister alleen maar de gehele raad van ministers als tegenstander kreeg.16 Hetzelfde gold voor benoemingen.

In 1853 barstte de bom. De Paus had de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld. In april kwam het tot heftige protesten in het protestantse kamp. Op de 15de van die maand zou aan Willem III in Amsterdam een adres overhandigd worden waarin op hem een beroep gedaan werd om dat herstel tegen te gaan. Het ministerie-Thorbecke had de koning schriftelijk geadviseerd, bij het in ontvangst nemen van het adres te antwoorden, ‘dat de zaak zijn erkenning of goedkeuring niet behoefde en dat er bij wederzijdse eerbiediging van rechten geen reden tot bekommering bestond.’17 De koning legde dat advies naast zich neer en vlocht in zijn antwoord de opmerkingen in,

‘dat het onlangs te Rome voorgevallene ook hem diep geschokt had maar dat de bepalingen van de Grondwet hem gebonden hadden, dat hij daarvan geen verantwoording had, daar hij in 1848 als Prins van Oranje daarover niet gekend was, die Grondwet bij zijn troonsbeklimming zo had gevonden en had moeten bezweren, en thans daardoor in deze weinig vermocht, doch dat hij niettemin ten uiterste gevoelig was van het vertrouwen waarmede de protestantse bevolking hem bij deze gelegenheid naderde.’18

Onmiddellijk stelde Thorbecke de koning voor de keus: publieke herroeping van deze verklaring of aanvaarding van het ontslag der ministers. Hij koos het laatste. Thorbecke keerde in de Tweede Kamer terug.

Toen hij in 1862 wederom minister-president werd, kwam het tot een nieuwe maatregel die de invloed van de koning gevoelig beperkte. Tot in dat jaar had de directeur van het kabinet des konings als secretaris van de ministerraad gefungeerd: bij elk overleg in die raad was de koning dus als het ware direct en persoonlijk vertegenwoordigd geweest. Mocht hij zich met de genomen besluiten al niet verenigen, hij kende althans hun achtergronden; hij kende ook de stromingen in de raad; hij kon van die kennis gebruik maken. Op zijn verzoek had hij bovendien van eind 1850 af een afschrift ontvangen van de notulen van de ministerraad die als regel vrij uitvoerig waren. Dat zinde Thorbecke niet. De directeur van het kabinet des konings kreeg niet langer toegang tot de ministerraad: de raad ging zelf voor notulen zorgen. Thorbecke wilde niet zo ver gaan dat hij de koning ook die notulen onthield, maar daar vond hij iets anders op: zij werden tot een minimum gereduceerd. Veel meer dan een lijst van sommige besluiten waren zij voortaan niet – sommige besluiten: de belangrijkste werden er als regel niet in opgenomen en van die omissies werd in het geheel niet gerept. ‘Zo onbeduidend’ werden zij, ‘dat de koning er letterlijk niets aan heeft.’19 Voor de historicus geldt, helaas, veelal hetzelfde.

Tot na de bevrijding in 1945 bleef, met betrekking tot de notulen, die gang van zaken gehandhaafd: een ongeschreven regel, een van generatie tot generatie overgedragen element in de praktijk van het staatsbestel en, naar onze overtuiging, een ongemeen belangrijk element. Omtrent het beraad in het kabinet konden koning Willem III, koningin-moeder Emma als regentes en koningin Wilhelmina uit de notulen (die aan de drager of draagster van de kroon eens per maand toegezonden werden) niets leren; de besluiten die in die notulen te hunner kennis gebracht werden, hadden voor een aanzienlijk deel betrekking op voorstellen tot het verlenen van onderscheidingen. Natuurlijk stonden hun andere informatiebronnen ter beschikking: de minister-president en de ministers konden ter audiëntie ontboden of schriftelijk om een opinie gevraagd worden, de directeur en de ambtenaren van het kabinet des konings of der koningin konden op inlichtingen uitgaan. Uitvoerige notulen evenwel hadden hun inzicht gegeven in wat in de ministerraad als hoogste bestuurscollege des lands werkelijk leefde: die kennis welke een natuurlijke grondslag gevormd zou hebben voor goede samenwerking en daar in elk geval een onmisbare voorwaarde voor was, ontbrak.

Koning Willem III voelde zich uitgeschakeld. Zijn toch al zo geslonken invloed slonk nog verder toen als gevolg van de parlementaire crisissen van 1866 en ’67 (waar wij hier niet verder op in willen gaan) een nieuwe ongeschreven regel zijn intrede deed in het staatsbestel: geen kabinet kon voortaan aanblijven tegen de uitdrukkelijke wens van de meerderheid der Tweede Kamer in. Dat maakte het kabinet in sterker mate afhankelijk van de volksvertegenwoordiging en dus minder afhankelijk van de koning; ook was het hiermee voor de ministers gemakkelijk geworden, zich bij conflicten met de koning op de uitgesproken of onuitgesproken wensen van die volksvertegenwoordiging te beroepen. Koning Willem III trok zich meer en meer in een gemelijk isolement terug. ‘De samenwerking en zelfs het gewone contact van de vorst en zijn ministers werd tot een minimum beperkt; er zijn tussen 1870 en 1890 ministers geweest die de koning alleen bij hun beëdiging tot zich toeliet.’20 De geleidelijke beknotting van zijn koninklijke macht en invloed kòn hij niet verkroppen; zij vrat haast dagelijks aan zijn gemoedsrust. ‘Hoewel hij’, schreef een van zijn ministers in 1875,

‘sedert zes-en-twintig jaar Constitutioneel Koning is, heeft hij nog steeds de meest autocratische begrippen en neigingen. Te midden van de verwarring zijns geestes, te midden van de luimen, van zijn schijnbaar onredelijk willen of niet-willen, is één idée fixe altijd heersende bij hem en deze verklaart veel van zijn zonderlinge handelingen en uitingen. Hij is steeds beducht dat men de hand zal uitsteken naar zijn prerogatieven en hiertegen waakt hij met de meest angstvallige volharding maar dikwerf ook op de meest kleingeestige wijze.’21

Hoe minder macht hij over hield, des te hardnekkiger klampte hij zich aan het schamele restje vast.

Factoren die in de persoon van de koning gelegen waren, speelden bij dit alles een belangrijke rol. Via zijn moeder, Anna Paulowna, was hij de kleinzoon van een der ziekste leden uit het door ziekten geteisterde geslacht der Romanows: de aan verstandsverbijstering lijdende Paul, van 1796 tot 1801 Tsaar aller Russen. Van diezelfde Paul was zijn echtgenote, Sophia van Württemberg, een kleindochter. ‘Via zijn moeder’, aldus Rogier,

‘erfde deze constitutionele koning over het tamste volk van Europa in de burgerlijkste eeuw der geschiedenis het bloed van Peter de Grote en Catharina II, d.i. van een in de negentiende eeuw steeds meer degenererende dynastie die rijk was aan zonderling-gespleten typen: bulderende tyrannen, teder en wreed, impulsief en inert-vroom en losbandig tegelijk, voor wie de omgeving beefde, maar die, als de bui was uitgewoed, als was in gewiekste handen waren.’22

Verscheidene van deze eigenschappen vinden wij in Willem III terug: kon hij het ene moment met bliksemende ogen ‘geweldig bulderen, door driftbuien overheerst’, het andere was hij ‘kinderlijk goedig en hartelijk’.23 Had hij iemand mateloos gekwetst (en dat kwam nogal eens voor), dan kon hij zich ook mateloos inspannen om zijn leedwezen te tonen. Ook op staatkundig gebied neigde hij tot uitersten: de Pruisen haatte hij, uitbundig was zijn lof voor Napoleon III. Alleen op het gebied van de godsdienst was hij wars van alle extremisme. ‘Mijn voorouders’, zei hij eens in de tijd van Afscheiding en Réveil, ‘hebben nooit het protestantisme in die exclusieve zin uitgelegd als nu vele heethoofden. Integendeel, de essentie van het protestantisme is verdraagzaamheid …. Ik zal dan ook altijd verdraagzaam wezen.’24

Die verdraagzaamheid droeg een vrij abstract karakter. Tot zijn omgeving strekte zij zich in elk geval niet uit, evenmin tot zijn gezin. Koningin Sophia was een hoogst intelligente en ontwikkelde, zij het onevenwichtige vrouw die de excessen en grillen van haar onbeheerste echtgenoot niet verdroeg en ze hem ook spoedig niet meer vergaf. De twee prinsen, Willem en Alexander (de derde, Maurits, was op zevenjarige leeftijd overleden), kozen in de twisten die het koninklijk gezin gingen verscheuren en tussen de twee echtgenoten een blijvende verwijdering teweeg brachten, de zijde van hun moeder die, lijkt het, door toegevendheid al even weinig tot de stabiliteit van hun persoon bijdroeg als de gekrenkte koning dat door zijn tyrannieke gestrengheid deed. Willem, de kroonprins, werd in de jaren ’70 door zijn vader, de koning, gedwarsboomd in zijn voornemen, met de beeldschone Anne Mathilde gravin van Limburg Stirum in het huwelijk te treden: de koning zag er een mésalliance in, althans dat beweerde hij. Achter de houding van de kroonprins vermoedde hij machinaties van de koningin, van ‘dat infame schepsel’, zoals hij haar, in drift, in die tijd eens aanduidde25: hij zou niet toegeven. De kroonprins vluchtte in ’76 naar Parijs. Een jaar later stierf koningin Sophia. Weer vroeg de kroonprins, zeven-en-dertig jaar nu, tot tweemaal toe, zijn vader om toestemming om te trouwen met de vrouw van zijn keuze; hij kreeg niet eens antwoord. Men kan zich zijn gevoelens indenken toen hij, nog geen twee maanden na het overlijden van zijn moeder, uit Den Haag de gechoqueerde verhalen hoorde dat de vader die hem belet had, een gravin tot zijn levensgezellin te maken, van plan was, zelf in de echt te treden met een Franse operazangeres, een mademoiselle Ambre die hij maar vast als Comtesse d’Ambroise in de adelstand verheven had – een huwelijk dat door krachtig verzet van de hofhouding en van de ministerraad verijdeld werd.26 Toen de een-en-zestigjarige koning in januari 1879 in Arolsen zijn tweede huwelijk aanging met een twintigjarige prinses uit een der kleinere Duitse vorstendommen, Adelheid Emma Wilhelmina Theresia prinses van Waldeck-Pyrmont, gaf de kroonprins uit Parijs waar hij nog steeds woonde, opdracht om op de dag van de huwelijkssluiting de luiken van zijn paleis aan de Haagse Kneuterdijk te sluiten ‘als bij een sterfgeval’27: heel Den Haag mocht weten dat het voor hem een dag van rouw was. Eenzaam en verbitterd stierf hij in juni 1879 in de Franse hoofdstad. Niet minder eenzaam bleef de dertien jaar jongere prins Alexander achter. ‘Ik zal steeds met mijn doden blijven voortleven’ – zo uitte deze zich; zijn ziekelijke mensenschuwheid deed hem Den Haag ‘een levend graf’ noemen.28 In 1884 kwam hem de dood als een verlossing.

Zes jaar later overleed de vader – een in veel opzichten tragische figuur, want tragisch willen wij het noemen wanneer men, als Willem III, gedoemd is, zijn levensjaren te slijten in een omgeving en in verhoudingen waarmee aard, temperament en opvattingen in lijnrechte strijd verkeren. De genegenheid voor zijn persoon was, behalve hier en daar op het platteland, getaand. In de kringen der vroege socialisten en anarchisten deden pamfletten de ronde waarin de uitspattingen waaraan hij zich overgegeven heette te hebben, breed uitgemeten werden, maar zij die deze, op het persoonlijke gerichte aanvallen onwaardig achtten, waren toch niet geneigd, deze koning werkelijke invloed op de gang van zaken te geven. Toen de liberale afgevaardigde mr. S. van Houten tijdens een staatsrechtelijk debat in de Tweede Kamer de Kroon ‘veeleer een ornament dan het fundament’ van het staatsbestel noemde, werden in die woorden (in 1884 gesproken) de feitelijke verhoudingen van het tijdsbestek eerder benaderd dan in het tegenbetoog van de katholieke voorman Schaepman die bij de Kroon liever dacht ‘aan de sluitsteen in het gewelf die tegelijkertijd is een sieraad en tevens het constructieve lid, dat geheel de hoog opstrevende bouw tezamen houdt.’ Dat was hooggestemde taal, maar in de bijval welke hij van sommige liberalen kreeg die van oordeel waren dat mr. van Houten te ver gegaan was, zal wel mede een zekere ergernis over de socialistische en anarchistische agitatie een rol gespeeld hebben. Koning Willem III was in elk geval van grote delen van zijn volk volledig vervreemd geraakt.

In 1898 aanvaardde Wilhelmina de regering.

Jeugd en vorming van de koningin

‘Thans is de ure gekomen waarin ik mij, te midden van mijn trouwe Staten-Generaal, onder aanroeping van Gods heilige naam, zal verbinden aan het Nederlandse volk, tot instandhouding van zijn dierbaarste rechten en vrijheden’ – met die passage hief de korte toespraak aan die de jonge, pas achttien jaar geworden koningin op 6 september 1898 bij haar inhuldiging in de Nieuwe Kerk te Amsterdam uitsprak. ‘Zo bevestig ik heden’, zo vervolgde zij,

‘de hechte band die tussen mij en mijn volk bestaat en wordt het aloude verbond tussen Nederland en Oranje opnieuw bezegeld. Hoog is mijn roeping, schoon de taak die God op mijn schouders gelegd heeft. Ik ben gelukkig en dankbaar, het volk van Nederland te mogen regeren – een volk, klein in zielental, doch groot in deugden, krachtig door aard en karakter. Ik acht het een groot voorrecht, dat het mijn levenstaak en plicht is, al mijn krachten te wijden aan het welzijn en de bloei van mijn dierbaar vaderland. De woorden van mijn beminde vader maak ik tot de mijne: ‘Oranje kan nooit, neen nooit genoeg voor Nederland doen.’ ’


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 1 oktober 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 3,99