Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Vrijdag 10 mei
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 3 – dr. L. de Jong
Het was 3 uur 55 – X-Zeit.
★
Voor het eerst sinds de oorlogen van de zeventiende en achttiende eeuw werd Nederland in de vroege morgenuren van de 10de mei 1940 weer door het oorlogsgeweld getroffen – een geweld evenwel dat als middelen niet langer de musket en het primitief veldgeschut kende, maar de gecompliceerde producten der moderne, gemechaniseerde oorlogsindustrie: handgranaten en machinepistolen, mitrailleurs en zware houwitsers, tanks en bommenwerpers.
Het was oorlog.
Oorlog, daadwerkelijke oorlog, betekent steeds inbreuk op elke gevestigde orde, verstoring van alle gevestigde verhoudingen. Oorlog verwoest en vernietigt, verrast en verbijstert. De enkele mens, opgenomen en gebed in zijn normaal bestaan, ziet zich opeens geplaatst in een realiteit die, althans aanvankelijk, als volstrekt abnormaal, ja als anti-normaal ervaren wordt. Vijandelijke strijdkrachten (aldus het beeld dat de tweede wereldoorlog bood) rukken het land binnen, in de lucht waarin vogels opgeschrikt rondfladderen, ronken de motoren van vijandelijke vliegtuigen. Overal waar gevechten geleverd worden, weerklinkt een oorverdovend en ondragelijk lawaai. Bij het geratel der machinegeweren voegen zich de dreunen van het geschut, luttele seconden later gevolgd door de explosies der granaten. Bommen gieren omlaag en ontploffen. Van de ene seconde op de andere storten huizen, schuren, boerderijen ineen. De luchtdruk ontbladert de takken der bomen, stammen worden versplinterd. Kogels en scherpe fragmenten van granaten en bommen fluiten in het rond. Fonteinen van zand en modder spuiten op, de rook sliert over het land, her en der hangen grauwe stofwolken boven de plotselinge ruïnes. Gebouwen en hooimijten vliegen in brand, koeien rennen in uitzinnige angst door de wei of liggen ter aarde met uitpuilende ingewanden.
Oor en oog van de mens kunnen die beelden niet verwerken. Het is of aan het bestaan de bodem ontvallen is; elke impressie betekent gevaar, voorspelt pijn, verminking, de dood. De piloot die in een luchtgevecht gewikkeld is, voelt opeens een schok achter zich: zijn waarnemer zakt ineen; de brug van het oorlogsschip wordt door een bom getroffen, flarden van ledematen vliegen in het rond; in het peloton dat in dekking ligt, slaan de mortiergranaten in – hier worden drie, vier man bedolven onder verstikkend zand, daar staren de ogen van dodelijk getroffen makkers, anderen kreunen en op hun tuniek verschijnen opeens grote bloedvlekken.
Tijdens het gevecht slaat de dood als de bliksem in: even onverwachts, even vernietigend. Zeker, van alle menselijk leven is die dood het onvermijdelijk, het noodzakelijk, het natuurlijk einde. Hij kan voor wie door ziekte gesloopt is, als een verlossing komen; in berusting aanvaard worden door wie op welbestede jaren terugziet. Maar in de allereerste fase van een oorlog treft de dood op het slagveld nimmer als onvermijdelijk, als noodzakelijk, als natuurlijk. Hij is toevallig, tegennatuurlijk en abrupt. Hij schrikt af, hij wekt angst; de enkeling vermorzelend, verbijstert hij de groep.
Zo ook in de meidagen van ’40.
Het tafereel dat wij in dit deel te schilderen krijgen, is er in de eerste plaats een van militaire strijd. Wij zullen gewagen, veelvuldig, onvermijdelijk veelvuldig, van legerkorpsen, divisies, regimenten, bataljons, compagnieën; van luchtvaartregimenten en -eskaders; van torpedobootjagers en kanonneerboten – wij zouden wensen dat onze lezer in en achter die aanduidingen steeds de enkele mens bleef zien: de Nederlander die in de prille ochtendschemering van vrijdag 10 mei 1940 onverhoeds besprongen wordt door het geweld; vechten moet; zich verweren; het leven-zelf op het spel zetten – of, ondoorzichtige en onbegrijpelijke orders volgend, zwaarbepakt en bestoft, met het hoofd vol zorgen voortmarcheert; of, straks, als burger uit de radio het schokkend bericht vernomen heeft dat de Duitsers ons land binnengevallen zijn – en die mensen, die burgers, groepen dan samen, hier in nachtgewaad, daar in haastig aangeschoten kleren, de meesten diep getroffen, velen nerveus, sommigen biddend, anderen steun zoekend bij de medemens – en alles wat opgebouwd is en tot stand gebracht, verzorgd en gekoesterd, ja bestaan en leven-zelf dreigen weg te zinken in een afgrond die zich onverhoeds geopend heeft. Oorlog! De vijand komt!
Geen willekeurige vijand – deze vijand: Nazi-Duitsland.
De strategische verrassing
Het uur van de aanval, X-Zeit, was, gelijk gezegd, door Hitler bepaald, op 3 uur 55 Nederlandse tijd; twintig minuten later zou de zon opkomen, maar het zou om 3 uur 55, vijf voor vieren, al bijna daglicht zijn. Precies of bijna precies op dat moment moest de hoofdmacht van de Duitse divisies de grens beginnen te overschrijden, precies of bijna precies op dat moment moest in het westen des lands een reeks doelen gebombardeerd worden door Duitse bommenwerpers die onverwachts van boven de Noordzee zouden naderen en boven hun doelen gedekt zouden worden door jagers die rechtstreeks uit Duitsland kwamen aanvliegen. Eerste en belangrijkste doel der bombardementen was de vernietiging der Nederlandse luchtmacht zodat haar toestellen niet langer aan de strijd zouden kunnen deelnemen; bovendien moest op de drie vliegvelden in de nabijheid van Den Haag (Valkenburg dat nog pas in aanleg was, en Ypenburg en Ockenburg die beide in gebruik waren) alsmede op het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam de verdediging gedesorganiseerd worden opdat daar een drie kwartier later de Duitse parachutisten en, na hen, de luchtlandingstroepen ongehinderd zouden kunnen neerkomen. Tussen Den Haag en Scheveningen moesten voorts de daar gelegen kazernes gebombardeerd worden. Gehoopt werd dat in die omstandigheden de overval op het regeringscentrum zou slagen; mislukte die overval, dan moest de 9de Panzer-Division, via Noord-Brabant naar de Vesting Holland doorbrekend, de beslissing forceren. Zulks vergde de tijdige verovering van de grote bruggen welke die Panzer-Division moest overschrijden: de brug over het Hollands Diep bij Moerdijk, de brug over de Oude Maas bij Dordrecht en de bruggen over de Nieuwe Maas in het hart van Rotterdam. Van de Rotterdamse bruggen moest zich een compagnie meester maken die met watervliegtuigen aangevoerd zou worden, de andere bruggen dienden door parachutisten veroverd te worden. Tenslotte zou nog een aantal Duitse toestellen kort na X-Zeit magnetische mijnen afwerpen in de mondingen van de waterwegen die toegang geven tot onze grote havens. Al die oorlogshandelingen moesten om vier uur of kort nadien in volle gang zijn.
Niet het binnendringen over de oostelijke grens maar deze reeks vermetele operaties in het westen des lands tot in het hart van de Vesting Holland toe, hield het element van de strategische verrassing in. Een verrassing die slaagde. Want inderdaad: wat in dat westen op die 10de mei tussen vier en zeven uur ’s ochtends geschiedde, kreeg een bepalende invloed op het gehele verdere verloop van de strijd.
Het is bij de beschrijving een der moeilijkheden dat de Duitse aanval in het
Twee complexen vragen hebben wij dus te beantwoorden: op welke wijze en in hoeverre gelukte de uitschakeling van de luchtmacht van ons leger, en op welke wijze en in hoeverre gelukten de verovering van de drie vliegvelden om Den Haag (de overval op het regeringscentrum) en de verovering van Waalhaven en de bruggen bij Moerdijk, Dordrecht en Rotterdam (het vrijmaken van de route voor de 9de Panzer-Division)? Daarbij vatten wij in hoofdzaak samen wat gebleken is uit de Nederlandse gevechtsverslagen en uit het naoorlogse Nederlandse onderzoek. Aan Duitse kant is maar weinig onderzoek verricht en onder de bewaardgebleven Duitse stukken, hoofdzakelijk van hogere staven afkomstig, bevinden zich slechts enkele gevechtsverslagen. Jammer! Wij kunnen meestal over de zich verdedigende Nederlanders duidelijker zijn dan over de aanvallende Duitsers. Wij betreuren het hieruit voortvloeiend gebrek aan evenwicht in de beschrijving – het viel niet te verhelpen. Wij zullen bij die beschrijving van noord naar zuid gaan.
★
Wij beginnen op het eiland Texel.
Op het vliegveld ‘De Vlijt’, dat in het noordelijk deel van het eiland lag, ontvingen de vliegers van de Militaire Luchtvaart hun laatste opleiding voor de jagers en bommenwerpers. De installaties van ‘De Vlijt’ werden op die 10de mei van ca. vier uur af herhaaldelijk door Duitse jagers aangevallen. Er stond op het vliegveld maar één toestel, een T-5 bommenwerper: al bij de eerste aanval werd het in brand geschoten; de overige toestellen, ruim twintig van verschillend type, waren in de voorafgaande dagen verspreid opgesteld bij boerderijen in de buurt van het vliegveld. Zij werden door de Duitsers eerst in de middag van de 10de mei ontdekt, toen een van hun verkenners luchtfoto’s kwam maken.1
★
Op het vliegveld ‘De Kooy’ bij Den Helder waren elf D-21 jagers gestationeerd; volgens de orders die luitenant-generaal P.W. Best, commandant luchtverdediging, had doen uitgaan, stonden zij op 10 mei om drie uur met warmgedraaide motoren startklaar. Toen hun commandant kort voor vier uur met het commando luchtverdediging in Den Haag telefoneerde, kon hij horen dat daar over een ander toestel een gesprek gevoerd werd waaruit hij afleidde dat elders vliegvelden gebombardeerd werden. Nadere instructies had hij toen niet nodig: onmiddellijk zond hij (het was 3 uur 59) zijn elf jagers de lucht in; zij konden daar meteen de strijd aanbinden met de Duitse jagers en bommenwerpers die de installaties van ‘De Kooy’ gingen beschieten en bombarderen. Eén van de elf, een Duitse bommenwerper achtervolgend, werd bij het Wassenaarse Slag door andere Duitse bommenwerpers neergeschoten. Zes van de overige toestellen werden, na het eerste treffen patrouillerend, hevig door eigen Nederlandse strijdkrachten beschoten, nl. door de luchtafweer van ‘De Vlijt’ en door de marine-eenheden die voor Den Helder lagen. Om tien voor vijf kwamen acht van die D-21’s in gevecht met negen Duitse jagers; de Duitse toestellen waren sneller maar, als gevolg daarvan, langzamer in het wenden; drie werden boven de Waddenzee neergeschoten, een vierde moest, met de commandant van de formatie aan boord, een noodlanding maken op ‘De Kooy’. De D-21’s die daar terugkeerden, waren evenwel doorzeefd; niettemin stonden er om half zes weer vier gereed om op te stijgen. Dat gelukte niet meer: op de grond werden zij door Duitse jagers verrast, eerst om acht uur, daarna om twaalf uur. Van de elf oorspronkelijke D-21’s waren toen nog twee bruikbaar.2 De gebouwen van ‘De Kooy’ brandden tot de grond toe af.3
★
Op het vliegveld te Bergen waren tien verkenners van het type C-10 gestationeerd alsmede twaalf van de snelste en beste jagers die de Militaire Luchtvaart bezat: de G-1’s. Er waren in totaal drie-en-twintig G-1’s en er stond op Bergen dus meer dan de helft (daarnaast waren er enkele tientallen G-1 toestellen die niet bewapend waren). Die plaatsing was niet gelukkig want de bodem van het in een polder gelegen landingsterrein dat door slechte bemaling lange tijd blank gestaan had, was eigenlijk te zwak om de relatief zware toestellen te torsen.4 Dat was een van de redenen waarom de commandant van de betrokken jagerafdeling die sinds de herfst vergeefs op verbetering van het landingsterrein aangedrongen had, er met verlof van zijn superieuren toe overgegaan was, de G-1’s op het betonnen platform voor de commandopost op te stellen5; een tweede reden was, dat hij bij die geconcentreerde opstelling aan de vliegers met gering tijdverlies kon doorgeven (het moest alles mondeling geschieden) dat zij moesten opstijgen en waar de vijand zich bevond. De C-10’s (verkenners die niet onmiddellijk gereed moesten staan) waren verspreid buiten het vliegveld opgesteld.
In de nacht van 9 op 10 mei zaten de jachtvliegers om drie uur in hun toestellen; de motoren waren warmgedraaid. Men hoorde vreemde vliegtuigen overkomen, dacht: ‘Het zijn Duitsers, op weg naar Engeland’ – en bleef wachten. Nog vóór het commando ‘opstijgen’ (om 3 uur 55 van Den Haag uit aan de jagersafdelingen gegeven) de commandant te Bergen bereikt had, naderden, laag over de Noordzee vliegend, drie vreemde toestellen. De bediening van het zoeklicht te Bergen-aan-Zee gaf om 3 uur 59 telefonisch bericht door: ‘Die gasten die vannacht overvlogen komen terug.’6 Op dat bericht werd niet gereageerd7 – en ongehinderd lieten ‘die gasten’ (drie Duitse bommenwerpers) hun lading bij de dicht bij elkaar geparkeerde G-1’s vallen. Bij het middelste toestel in de voorste rij werd bovendien, terwijl het al in beweging was, een motor weggeschoten; het toestel trok dwars weg en blokkeerde alle toen nog niet geraakte G-1’s8 – slechts één die tevoren weggetaxi’d was, kon de lucht in komen, schoot op het strand te Katwijk drie Duitse transporttoestellen in brand en keerde met een wijde boog over land naar Bergen terug.9 Daar was aanvankelijk paniek uitgebroken:
‘Als de ontploffingen van het eerste bombardement … zijn verklonken en een zware rookzuil uit de grote hangar opstijgt, wordt de lucht plotseling gevuld door het hoge geluid van neerduikende jagers. Onze militairen schrééuwen van plezier. Hoera, dat zijn de D-21’s (van ‘De Kooy’) die de vijand te lijf gaan! Helaas … als de vliegtuigen met gillende motoren op het vliegveld afsteken, blijken het Messerschmitts te zijn en halsoverkop zoekt iedereen dekking voor het ratelende mitrailleur-vuur. Het wordt een sauve-qui-peut. De manschappen der verkennersafdeling die in de barakken langs het veld door het bombardement uit hun dromen zijn gewekt, rennen in de primitiefste kleding dwars over de vijfhonderd meter open veld, door sloten en greppels, over prikkeldraad en omheiningen, naar de schuilplaats welke het bos biedt.’10
Tot kwart voor vijf duurden de Duitse aanvallen. Toen waren (tegen een verlies van twee of drie Duitse toestellen) alle hangars getroffen en van de twaalf G-1’s waren er elf buiten gevecht gesteld.11
★
Op Schiphol stonden op 10 mei negen D-21-jagers en negen T-5-bommenwerpers gevechtsgereed klaar. Nog in de nacht, om kwart over twee al, waren de motoren warmgedraaid, vóór drie uur zaten de jachtvliegers in hun toestellen. Hun commandant kreeg echter van de staf van de jachtgroep in Den Haag geen bevestiging van enig algemeen alarm – derhalve gaf hij om 3 uur 15 opdracht, de toestellen te verlaten. Toen dus om 3 uur 58 onverhoeds drie Duitse bommenwerpers laagvliegend uit het westen naderden, konden zij ongehinderd met het bombardement van Schiphol beginnen; de kazerne kreeg de eerste voltreffers en vloog in brand. ‘Algemeen alarm! Iedereen opstijgen!’ – met die kreet rende de commandant zijn commandopost uit. Spoedig raasden negen jagers en acht bommenwerpers (één kon wegens bomschade niet starten) over de landingsbanen en stegen op. Bijna twee uur lang werden daarna, met tussenpozen, de gebouwen en hangars van Schiphol door Duitse toestellen gebombardeerd en gemitrailleerd: ongeveer zeshonderd bommen werden op en rondom het vliegveld afgeworpen. Het luchtafweergeschut (de manschappen van de luchtdoelmitrailleurs hadden nooit eerder met hun wapenen geschoten) schoot één, misschien twee Duitse toestellen neer. Tal van gebouwen op en bij het vliegveld vlogen in brand; een aantal verkeersvliegtuigen van de KLM ging hierbij verloren. Op een gegeven moment kwam een motorspuit van de Amsterdamse brandweer het vliegveld opgereden om het vuur in een der hangars te blussen; pas nadat enkele brandweerlieden door bomscherven dodelijk getroffen waren, werd de motorspuit teruggetrokken.12
Hoe was het intussen de van Schiphol opgestegen jagers en bommenwerpers vergaan? Tot de door snelle Messerschmitts beschermde Duitse bommenwerpers konden zij moeilijk doordringen; er ontstonden niettemin luchtgevechten. Eén Duitse jager werd neergeschoten, één Nederlandse maakte een noodlanding in de buurt van Hoorn; in een pauze in de bombardementen landden tenslotte weer vijf jagers met leeggeschoten mitrailleurbanden op Schiphol; drie landden er op het (door de Duitsers niet opgemerkte) vliegveld Ruigenhoek bij Noordwijkerhout. De eerste vlieger die daar om 4 uur 15 met zijn doorzeefde jager omlaagkwam, ‘vond alles in diepe rust. Zelfs de officier van piket13 wist niet dat het oorlog was.’14
De acht T-5’s die om vier uur van Schiphol opgestegen waren, hadden op dat moment geen doelen opgekregen om te bombarderen; zij zetten zich dus als jagers in en trachtten met hun mitrailleurs en met het 2 cm-kanon dat zij hadden, Duitse toestellen te raken. Daarvan werden er vermoedelijk vijf neergeschoten. Van die T-5’s landden één op ‘De Kooy’, één in Bergen, vier op Ruigenhoek, één zelfs in Vlissingen – slechts één keerde naar Schiphol terug. Dat ene toestel steeg kort voor zeven uur weer op om samen met drie die op Ruigenhoek geland waren, het door de Duitsers bezette vliegveld Ockenburg te bombarderen. Na die aanval werd één van de vier tussen Den Haag en Hoek van Holland boven zee afgeschoten; van de vijf inzittenden wist alleen de commandant, de reserve tweede-luitenant-waarnemer B. Swagerman, het er levend af te brengen; vijfhonderd meter buiten de kust met zijn parachute in zee neerkomend, ontdeed hij zich van zijn valschermharnas, leren jas en laarzen en bereikte zwemmend het strand, vanwaar hij naar Schiphol terugkeerde.15 Wij zullen Swagerman (‘een jongeman van juist drie-en-twintig jaar, kalm en uiterst bescheiden’16) nog tegenkomen wanneer hij, na ook op 11 mei in actie te zijn geweest, op 13 mei met de laatst overgebleven T-5 opnieuw de strijd aanvaardt.
★
Op het vliegveld bij Hilversum stonden op X-Zeit vier C-5’s, één C-10 en vier lichte toestellen van Koolhoven (FK-51’s) die als verkenners en vuurleidingstoestel voor de artillerie in gebruik waren. Dit vliegveld werd van 4 uur 20 af ongeveer een kwartier lang aangevallen, waarbij ‘velen de schrik om het hart (sloeg). Het duurde daarom enige tijd voordat het personeel weer was verzameld, appèl kon worden gehouden en de schade kon worden opgenomen’; de vliegtuigen die men buiten het vliegveld opgesteld had, waren door de Duitsers niet ontdekt.17
★
Wij komen nu bij de drie bij Den Haag gelegen vliegvelden Valkenburg, Ypenburg en Ockenburg, die, gelijk reeds gezegd, in de Duitse opzet een bijzondere functie hadden: hier moest meer dan de helft van het Luftlande-Korps neerkomen.
Het vliegveld Valkenburg, dat zich tussen Leiden en Katwijk bevond, was nog pas in aanleg. De Militaire Luchtvaart kon er nog geen gebruik van maken, alleen al omdat de grasmat niet sterk genoeg was om toestellen te dragen – een factor die de Duitsers onbekend was. Met de mogelijkheid van Duitse luchtlandingen was niettemin rekening gehouden. Het vliegveld werd bewaakt door twee compagnieën infanterie, versterkt door een gedeelte (een sectie) van een compagnie zware mitrailleurs, bij elkaar een vierhonderdvijftig man. Drie zware en vier-en-twintig lichte mitrailleurs waren om het vliegveld opgesteld (in versterkingen die, in strijd met de door generaal Best gegeven order, doordat de gelden nog niet ter beschikking waren gesteld, niet afgedekt waren); luchtafweergeschut ontbrak evenwel en voor de versperring van het veld had men slechts drie auto’s gebruikt.
Toen drie Duitse bommenwerpers om kwart over vier de eerste lucht
Om 4 uur 30 sprongen de eerste Duitse parachutisten bij het vliegveld af, sommigen hunner vielen te pletter.19 Een deel van de overlevenden kwam midden tussen de gevluchte reserve terecht en voerde hen als krijgsgevangenen mee naar het dorp Valkenburg. Daar waren burgers naar buiten gelopen om de landing der Duitsers beter te kunnen zien. Lang duurde dat niet. De eerste Duitsers die aankwamen, dreven de mannen en vrouwen die zij op straat aantroffen, naar het vliegveld, vermoedelijk om ze als hulpwerkkrachten in te schakelen; spoedig kreeg de burgemeester aanzegging dat alle mannelijke inwoners van achttien tot vijf-en-zestig jaar om één uur ’s middags in het centrum van het dorp aanwezig moesten zijn.20
Inmiddels waren andere Duitse parachutisten onmiddellijk na hun landing uitgezwermd in de richting van Katwijk aan de Rijn, Katwijk aan Zee en Wassenaar, alsmede naar de belangrijke brug over de Oude Rijn bij de Haagse Schouw; nog een ander deel bond op het vliegveld de strijd met de mitrailleurschutters aan. Deze laatsten werden ook door Duitse jagers bestookt die de Duitse transporttoestellen dekten welke van 5 uur 20 af ordelijk en kort na elkaar op het vliegveld landden. Zwaargewapende luchtlandingstroepen kwamen er uit te voorschijn – spoedig waren het er zeshonderd. Het vuur van de mitrailleurschutters was niet erg effectief: slechts één van de Duitse transporttoestellen werd in brand geschoten. Een voor een werden de mitrailleurposten opgeruimd; om zes uur was het vliegveld geheel in Duitse handen. Van de zeven-en-vijftig toestellen die er geland waren, kon evenwel geen weer starten – alle waren tot de as van hun landingsgestel in de zachte bodem weggezakt: het terrein was dus voor verdere landingen versperd. Ruim duizend Duitsers waren aan de grond gekomen. Eén-en-twintig Nederlandse militairen waren gesneuveld.21
★
In tegenstelling tot Valkenburg was het vliegveld Ypenburg dat tussen Rijswijk en Delft lag, wèl in gebruik bij de Militaire Luchtvaart. Er bevonden zich de uit Soesterberg overgeplaatste afdeling verkenners van het veldleger (vijf FK-51’s en zeven oude C-5’s) en twee afdelingen jagers: negen D-21’s en elf Douglas-toestellen. In ons vorig deel wezen wij er al op dat de Douglas-toestellen eigenlijk lichte bommenwerpers waren maar dat men door het gebrek aan jagers besloten had, ze in die laatste functie te gebruiken. De verkenners waren buiten het vliegveld opgesteld en zouden dus niet terstond aan de strijd kunnen deelnemen; de D-21’s en de Douglas-toestellen stonden in de vroege uren van de 10de mei met warmgedraaide motoren op het vliegveld klaar. De vliegers waren, zoals één hunner het later in zijn verslag uitdrukte, ‘gespannen en fanatiek om in actie te komen’.22
Ypenburg werd verdedigd door een bataljon van het regiment grenadiers: ca. zevenhonderd man. Bovendien stonden bij de gebouwen van het vliegveld zes lichte pantserwagens goed gecamoufleerd opgesteld. Negen zware en elf lichte mitrailleurs konden rechtstreeks vuur uitbrengen op het landingsterrein, op enige afstand daarvan bevonden zich voorts vier pelotons luchtdoelmitrailleurs en twee batterijen luchtafweergeschut, die laatste bedoeld om hoog vliegende vijandelijke toestellen te bestoken. Van de grenadiers was een gedeelte op het vliegveld geconcentreerd, een ander gedeelte had, op vrij grote afstand, verspreide posities ingenomen, vooral om het vliegveld tegen aanslagen van Vijfde Colonnisten te beschermen. De verbindingen bestonden uitsluitend uit veldtelefoons met boven de grond hangende draden.
Ook op dit vliegveld vond de eerste aanval plaats door enkele Duitse bommenwerpers die uit het zuidwesten, uit de richting Delft, naderden. Om 4 uur meldde de luchtwachtpost-Delft: ‘Vele tweemotorige bommenwerpers op 1500 meter, vliegende zuidwest-noordoost’. Luttele ogenblikken later sloegen de eerste Duitse bommen in. Het was nagenoeg windstil. De gereedstaande D-21’s en Douglas-toestellen konden direct van hun opstellingsplaats starten en spoedig tolden de D-21’s ‘als woedende horzels’ rond de snellere, maar loggere Duitse jagers.23 Adembenemende luchtgevechten ontstonden; vijf Duitse toestellen werden neergeschoten maar ruim een uur later hadden alle D-21’s (op één na die naar Schiphol uitweek) de strijd moeten staken. Eén vlieger kon zich alleen per parachute redden, de anderen werden door benzine- of munitiegebrek gedwongen te landen; twee kwamen er op Ockenburg terecht, vijf ergens in de weilanden. Slechter verging het de Douglas-toestellen. Maar drie van de elf brachten het tot een noodlanding (waarvan weer twee op Ockenburg); acht werden er neergeschoten waarbij er één bij Vlaardingen in een brandende olietank stortte.24
Wat was intussen op Ypenburg gebeurd?
De eerste Duitse bommen wekten bij velen panische angst. De militairen van de vliegdienst (één hangar stond al in brand) renden naar de mitrailleur-opstellingen om er een schuilplaats te vinden. ‘Eén van hen’, aldus een gevechtsverslag,
‘hield mijn hand vast en zei: ‘Vaandrig, daar valt een bom!’ Ik antwoordde: ‘Ja, jongen!’ doch ik had het woord ‘jongen’ nauwelijks uitgesproken of hij werd door een grote scherf als het ware door midden gespleten, terwijl ik zelf ettelijke meters werd weggeslingerd. Ik moet eerlijk bekennen dat ik bij het zien van de bommen aanvankelijk in elkaar zakte van verbazing, angst en zenuwachtigheid. Bij de aanblik van het sneuvelen van die soldaat kwam er echter zo’n verandering in mij, dat het me niets meer kon schelen. Ik … was dan ook spoedig ter been, liep de opstelling in en vroeg of er gewonden waren. Een soldaat bleek zwaar gewond te zijn. Ik kreeg de indruk dat velen wel de grond in wilden duiken; vooral mannen die getrouwd waren, stonden grote angsten uit. Anderen waren daarentegen spoedig kalm en hun zenuwen weer de baas.’25
Met tussenpozen duurde het bombardement drie kwartier; daarop volgde nog een beschieting door Duitse jagers. Men kon er van Nederlandse kant weinig tegen doen. De Nederlandse luchtdoelmitrailleurs hadden veel last van storingen, de twee luchtafweer-batterijen konden nauwelijks vuur uitbrengen op de laagvliegende Duitse toestellen, bij een van de twee (beide
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 1 oktober 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 3,99