Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 8 – Gevangenen en gedeporteerden

Leesfragment

HOOFDSTUK 1 – Het Duitse systeem

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8 – dr. L. de Jong

Zelden is in de geschiedenis van het nationaal-socialistische Duitsland een toespraak gehouden welke zo tekenend was voor het politiek fanatisme waaraan miljoenen weerloze mensen opgeofferd zijn, als die welke door Heinrich Himmler, de Reichsführer-SS, uitgesproken werd te Posen op 4 oktober 1943. Hij deed dat in een strikt geheime samenkomst en tot zijn toehoorders behoorden slechts diegenen die in de door hem geleide SS de hoogste rangen bereikt hadden waarin zij, op zijn voorstel, door Hitler benoemd waren: de SS-Gruppenführer en SS-Obergruppenführer, laat ons zeggen: de generaals van de SS.1 ‘Generaals’ moeten wij dan losmaken van de militaire betekenis van het woord. De SS-Gruppenführer en SS-Obergruppenführer waren in de eerste plaats politieke vormgevers van het rijk, ‘das Reich’, dat Hitler en Himmler voor ogen stond. Sommigen hunner hadden de leiding van de in of bij Berlijn gevestigde ‘departementen’ (SS-Hauptämter) welke belast waren met de organisatie van werkzaamheden die Hitler aan Himmler toevertrouwd had of die Himmler uit eigen initiatief ter hand had genomen, anderen commandeerden de eenheden van de Waffen-SS, nog anderen oefenden in Duitsland dan wel in de bezette gebieden met betrekking tot het ganse SS-complex dezelfde superviserende en coördinerende functie uit als Rauter in Nederland: Höherer SS- und Polizeiführer.

Wij weten helaas van de bijeenkomst in Posen (hoofdstad van een in ’39 door Duitsland geannexeerd deel van Polen dat de naam Wartheland gekregen had) minder af dan wij zouden willen: er is bijvoorbeeld geen lijst van aanwezigen bewaard gebleven; dat Rauter tot hen behoorde, staat overigens vast.2 Wat wèl bewaard gebleven is, integraal zelfs, is de tekst van Himmlers toespraak3, maar voor wij op die toespraak dieper ingaan, lijkt het wenselijk aan twee punten aandacht te besteden: aan de positie waarin, op dat moment, Duitsland en aan die waarin Himmler zich bevond.

Duitsland was in het begin van de herfst van ’43, het begin dus van het vijfde oorlogsjaar, ernstig in het nauw gebracht. Aan het Oostelijk front, het belangrijkste, was het grote Duitse zomer-offensief waarvan Hitler hooggespannen verwachtingen gekoesterd had, deerlijk mislukt, het Rode Leger was in de Oekraïne in volle opmars, had de Dnjepr overschreden en naderde er Kiew. Italië had een maand tevoren gecapituleerd, de Britten en Amerikanen hadden het zuidelijk deel van het Apennijnse schiereiland in handen gekregen en waren er Napels al gepasseerd. Duidelijk was dat het vroeg of laat tot nieuwe grote Geallieerde landingsoperaties in Europa zou komen, mede omdat Duitsland ter zee nagenoeg machteloos was geworden. De schaarse zware eenheden van de Kriegsmarine waagden zich niet meer buitengaats, de U-Boote hadden sinds de lente van ’43 maar weinig successen geboekt. Wat de oorlog in de lucht betreft: wel brachten de jagers van de Luftwaffe aan de Amerikaanse en Britse bommenwerpers zeer zware verliezen toe, maar die bommenwerpers hadden in verscheidene Duitse steden kolossale verwoestingen aangericht en men moest aan Duitse kant met de mogelijkheid rekening houden dat de Geallieerden de operaties hunner bommenwerpers binnen afzienbare tijd beter zouden kunnen beschermen. In bezet Europa was voorts het verzet overal hand over hand toegenomen, geen land was er waar niet de massa van de bevolking duidelijk had doen blijken dat zij haakte naar de dag waarop Duitsland verslagen zou zijn; dat verzet was ook sterke Duitse strijdkrachten gaan binden: de acties van de Russische partisanen waren uitermate hinderlijk geworden voor de Wehrmacht, Tito’s partisanen waren bezig zich van het grootste deel van Joegoslavië meester te maken en guerrillastrijders waren verder nog actief in Griekenland en nu ook in Frankrijk. Behalve misschien van Finland had Duitsland van zijn Europese bondgenoten en satellieten (Slowakije, Hongarije, Kroatië, Roemenië en Bulgarije) geen steun van betekenis meer te verwachten en zijn niet-Europese bondgenoot Japan was volledig in het defensief gedrongen. Duidelijk was dat de balans der militaire krachten steeds verder ten nadele van Duitsland zou doorslaan. Welke kans had het nog om de oorlog te winnen of althans zich te handhaven?

Daar leken, zo zagen de nationaal-socialistische machthebbers het, nog wel mogelijkheden voor te bestaan. Zij hoopten, ja vertrouwden dat het Rode Leger een tekort zou krijgen aan reserves, dat in West-Europa de Atlantikwall bestand zou blijken tegen een Geallieerde bestorming, dat de inzet van de V-wapens een beslissende slag zou toebrengen aan het moreel van de Geallieerde strijdkrachten en vooral aan dat van het Engelse volk, en tenslotte dat zich in het verdere verloop van de oorlog verdeeldheid zou manifesteren tussen Duitslands tegenstanders.

Deze en dergelijke verwachtingen waren het waaraan ook een man als Himmler zich vastklampte. Hij was intelligent genoeg om te beseffen dat zij heel wel in rook zouden kunnen opgaan, maar het was hem toch nog niet mogelijk, innerlijk de toekomstvisie los te laten die zowel zijn handelen als dat van zijn Führer bepaald had. Deze visie: Duitsland zou de sterkste mogendheid ter wereld worden, d.w.z. zich met opslorping van ‘Germaanse’ landen als Nederland en Noorwegen transformeren tot een Duizendjarig Rijk, sterk naar binnen door een gewelddadige onderdrukking van alle oppositie en een meedogenloze uitroeiing van schadelijk geachte elementen, de Joden en de Zigeuners voorop, sterk naar buiten door kracht van wapens. Welke plaats elk Europees volk in dat Duizendjarig Rijk zou innemen, was nog een open vraag behoudens dat voor de Slavische volkeren geen andere rol weggelegd was dan lijfeigenen te zijn ten dienste van een ‘raszuiver’, ‘Germaans’ Herrenvolk. Die visie was het geweest die Duitsland in de tweede wereldoorlog had doen belanden en die met name ruim twee jaar tevoren, in juni ’41, geleid had tot de invasie van de Sowjet-Unie welker kracht zo grovelijk onderschat was.

Voor de verwezenlijking van die visie had de in 1900 geboren Himmler zich sinds kort na de eerste wereldoorlog ingezet. Hij was spoedig een volgeling van Hitler geworden, bij diens mislukte Putsch in München (november ’23) had hij de partijvlag mogen dragen. In ’29 was hij leider geworden van de beveiligings-organisatie der NSDAP, de Schutzstaffeln of SS. Die SS, onderdeel toen nog van de SA, telde, toen Hitler in januari ’33 in Duitsland aan de macht kwam, vijftigduizend leden; zij had in die tijd al een veel ruimere taak gekregen: misschien was zij bedoeld, maar zij was zich in elk geval gaan gedragen, als de nationaal-socialistische keurbende, als de ideologisch zuivere voorhoede van de massapartij der NSDAP.

Hoe Himmler in luttele jaren en nog vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog zijn macht wist uit te breiden, hebben wij in Voorspel al beknopt geschetst en wij komen daarop later in dit hoofdstuk nog terug. Hier willen wij volstaan met op te merken dat hij in de herfst van ’43 na Hitler veruit de machtigste man leek in het Derde Rijk en zeker de meest gevreesde was. Het mocht dan waar zijn dat Martin Bormann door zijn voortdurende aanwezigheid bij Hitler misschien meer invloed op deze had, maar Bormann steunde als feitelijk leider van de partij-organisatie der NSDAP op een apparaat dat, met de SS vergeleken, zijn betekenis had zien afnemen. Kenmerkend voor Himmlers optreden was dat hij van ’33 af als Reichsführer-SS de belangrijkste taken die het vroegere Duitsland tot het door een Herrenvolk geleide Reich moesten transformeren, aan zich getrokken had. Zijn werk was essentieel op de toekomst gericht geweest.

Hij was Chef der deutschen Polizei geworden: de gehele Duitse politie ressorteerde onder hem, de Ordnungspolizei (de ‘normale’ politie) èn de Sicherheitspolizei die zowel de ‘gewone’ als de politieke recherche omvatte. Met die Sicherheitspolizei was de wijdvertakte Sicherheitsdienst verbonden: beide werden centraal geleid van het Reichssicherheitshauptamt uit, beide hadden netten van spionnen en andere informanten over Duitsland en de door Duitsland bezette landen gespreid. Wie in de mazen van zulk een net verstrikt raakte, verdween òf in een gevangenis òf in een concentratiekamp. De commandanten der concentratiekampen kregen hun aanwijzingen via de Inspektion der Konzentrationslager die begin ’42 ondergebracht was in een van Himmlers belangrijkste ‘departementen’: het SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt, de grote economische centrale van het SS-complex. Als Reichsführer-SS was Himmler tevens leider gebleven van de Allgemeine SS: een ‘partij’ binnen, ten dele naast de NSDAP, waarvan als zodanig in deze fase van de oorlog wel niet zoveel meer uitging (veruit de meesten van het kwart miljoen leden der Allgemeine SS waren gemobiliseerd), maar die toch een zekere reserve was blijven vormen waaruit geput kon worden bij de bemanning van het zich uitbreidende SS-complex. Daar was de Waffen-SS: bedoeld als tegenwicht tegen de Wehrmacht, uitgegroeid al tot 17 divisies (met nog een aantal kleinere eenheden), aangeworven en geïndoctrineerd door het SS-Hauptamt, opgesteld en bevoorraad door het SS-Führungshauptamt. Daar was het SS-Rasse- und Siedlungshauptamt hetgeen zich overigens, in afwijking van zijn benaming, meer en meer beperkt had tot de ‘raskeuringen’ van alle SS’ers, want de Siedlungs-taak (kolonisatie: van vitaal belang in Himmlers ogen!) was geleidelijk overgenomen door het Hauptamt Volksdeutsche Mittelstelle; dat had zich van eind ’39 af belast met het verplaatsen, goeddeels naar vroegere Poolse gebieden, van misschien wel achthonderdduizend ‘Volksduitsers’: uit de Baltische staten, uit het westen van de Sowjet-Unie, uit Zuidoost-Polen, uit gebieden op en bij de Balkan, uit Italiaans Zuid-Tirol. Daar was het SS-Personalhauptamt, ingeschakeld bij elke bevordering van elke SS-officier. Daar was het Hauptamt SS-Gericht, belast met de jurisdictie over allen die tot het SS-complex behoorden. Daar waren de Nationalpolitischen Erziehungsanstalten of Napolas: internaten op middelbare-school-niveau waar de jeugd gevormd werd die als de toekomstige elite van het Herrenvolk gezien werd. Daar was het Hauptamt Persönlicher Stab des Reichsführers-SS waartoe een menigte bureaus behoorde welker werkzaamheden ten dele samenhingen met de taken van andere diensten, ten dele met Himmlers persoonlijke denkbeelden en voorliefden: een Zentralinstitut für optimale Menschenerfassung behoorde er evenzeer toe als het Amt Lebensborn, dat o.m. ‘raszuivere’ ongehuwde vrouwen opving indien zij een kind verwachtten, en als de stichting Das Ahnenerbe, belast met archaeologisch onderzoek en popularisering van de resultaten – ja, maar onder die stichting ressorteerde óók het Institut für wehrwissenschaftliche Zweckforschung der Waffen-SS und Polizei dat een belangrijke rol speelde bij de organisatie van medische experimenten op gevangenen in concentratiekampen.

Die specifieke functie van dat instituut kan de lezer een aanwijzing zijn dat hij het immense SS-complex, hoezeer het ook vergeven was van functionele tegenstellingen, competentie-geschillen, jaloezieën en andere onderlinge conflicten, als één geheel moet zien. Zo zag Himmler het. Geen terrein was er waarop hij niet direct of indirect zijn invloed deed gelden en bij elk aspect van zijn werkzaamheden, op welke sector zij ook vielen, bracht hij dan het gezag mee dat hij aan zijn overige werkzaamheden ontleende. Tegen delegatie van bevoegdheden had hij geen bezwaar, integendeel: hij beschouwde haar als noodzakelijk. Maar hij behield zich het recht voor, in te grijpen zowel in de meest principiële als in de meest futiele aangelegenheden. Hij werd door velen van zijn ondergeschikten niet minder gevreesd dan door al zijn tegenstanders. De SS-Gruppen- en -Obergruppenführer die op 4 oktober ’43 in Posen zijn auditorium vormden, wisten bovendien dat hij enkele maanden tevoren aan de overstelpende veelheid van zijn functies er nòg een toegevoegd gekregen had: Reichsminister des Innern – hij was dus hoofd geworden van het gehele Duitse apparaat van het binnenlands bestuur. Uiteraard zou dat een sleutelpositie kunnen zijn wanneer het, na een Duitse overwinning of na een accoord waarbij Duitsland de dominerende mogendheid in Europa zou blijven, tot de verdere verwezenlijking kwam van het visioen dat Himmler najoeg: das Reich – de staat van het Herrenvolk, bijeengehouden en gedragen door de aan hem verknochte elite van SS’ers; zij zouden er de werkelijke heersers zijn. Talrijke vooraanstaande industriëlen hielden de machtige Reichsführer-SS dan ook graag te vriend: een aantal van de meest vooraanstaanden hunner, directieleden en commissarissen van de grootste Duitse concerns, waren lid van de z.g. Freundeskreis des Reichsführers-SS. Eén- of tweemaal per jaar kwamen zij met hem bijeen en elk jaar droegen zij ca. 1 mln Rm aan donaties af waarover hij vrij beschikken kon.

Himmler was, schatten wij, in Posen meer dan drie uur aan het woord. Wij achten het niet nodig, een uitvoerige samenvatting te geven van zijn lange toespraak. Wat wij allereerst willen onderstrepen is dat hij zijn gehoor waarschuwde dat Duitsland de zwaarste beproevingen nog voor de boeg had: voorlopig niet verder gaand dan tot september ’45 sprak hij van een vijfde en zesde oorlogsjaar waarin de druk op Duitsland zou toenemen. Aangenomen dat het Duitse volk zich niet aan defaitisme zou overgeven, twijfelde hij, zei hij, niet aan de overwinning. Reële argumenten gaf hij hiervoor niet aan, behoudens dat hij een lange berekening produceerde om te betogen dat het Rode Leger aan het einde kwam van zijn reserves. Kennelijk was zijn verwachting dat de grote Geallieerde landing in West-Europa afgeslagen zou worden (hij zei daar overigens niets over en hij repte evenmin van de V-wapens die door concentratiekamp-gevangenen in gigantische onderaardse tunnels in de Harz en elders geassembleerd zouden worden), en kennelijk verwachtte hij verder dat de Wehrmacht, na een Geallieerd falen in West-Europa, in staat zou zijn, de Sowjet-Unie beslissend te verslaan en wat nog aan Russische strijdkrachten zou resten, terug te dringen tot achter de Oeral. Kennelijk nam hij óók aan dat de Verenigde Staten en Engeland na het mislukken van hun grote landing het hoofd in de schoot zouden leggen. Dan zou men de opbouw van het Reich kunnen voltooien: een grootse taak voor de SS, ‘denn dieses germanische Reich’, zo betoogde hij, ‘braucht ihn’ (d.w.z. de orde van de SS) ‘wenigstens für die nächsten Jahrhunderte. Dann, in hundert, tausend oder zweitausend Jahren wird sicherlich einmal wieder eine andere Form gefunden werden.’ Hem viel het evenmin moeilijk als Hitler om in eeuwen te denken.

Men zou zijn dromen over de toekomst van de SS kunnen afdoen als een absurde fantasie, ware het niet dat in de realiteit van het Derde Rijk juist die fantasie reeds tot de ondergang van miljoenen mensen geleid had. Zo zou het doorgaan. ‘Ein Grundsatz’, aldus Himmler in een van zijn meest typerende passages,

muss für den SS-Mann absolut gelten: ehrlich, anständig, treu und kameradschaftlich haben wir zu Angehörigen unseres eigenen Blutes zu sein und zu sonst niemandem. Wie es den Russen geht, wie es den Tschechen geht, ist mir total gleichgültig. Das, was in den Völkern an gutem Blut unserer Art vorhanden ist, werden wir uns holen, indem wir ihnen, wenn notwendig, die Kinder rauben und bei uns grossziehen. Ob die anderen Völker in Wohlstand leben oder ob sie verrecken vor Hunger, das interessiert mich nur soweit, als wir sie als Sklaven für unsere Kultur brauchen, anders interessiert mich das nicht. Ob bei dem Bau eines Panzergrabens zehntausend russische Weiber an Entkräftung umfallen oder nicht, interessiert mich nur insoweit, als der Panzergraben für Deutschland fertig wird. Wir werden niemals roh und herzlos sein, wo es nicht sein muss; das ist klar. Wir Deutsche, die wir als einzige auf der Welt eine anständige Einstellung zum Tier haben, werden ja auch zu diesen Menschentieren eine anständige Einstellung einnehmen, aber es ist ein Verbrechen gegen unser eigenes Blut, uns um sie Sorge zu machen.

Misschien nog typerender was de passage waarin Himmler in alle duidelijkheid over de uitroeiing van de Joden sprak. Hij behoefde, wat die Endlösung betrof, geen blad voor de mond te nemen: de meesten van zijn toehoorders waren daar nauw bij betrokken geweest, allen waren er van op de hoogte. ‘Ein schweres Kapitel’, zei hij –

‘Es gehört zu den Dingen, die man leicht ausspricht. ‘Das jüdische Volk wird ausgerottet’, sagt ein jeder Parteigenosse, ‘ganz klar, steht in unserem Programm, Ausschaltung der Juden, Ausrottung, machen wir.’ Und dann kommen sie alle an, die braven 80 Millionen Deutschen, und jeder hat seinen anständigen Juden. ‘Es ist ja klar, die anderen sind Schweine, aber dieser eine ist ein prima Jude.’ Von allen, die so reden, hat keiner zugesehen, keiner hat es durchstanden. Von Euch werden die meisten wissen, was es heisst, wenn 100 Leichen beisammen liegen, wenn 500 daliegen oder wenn 1000 daliegen. Dies durchgehalten zu haben, und dabei – abgesehen von Ausnahmen menschlicher Schwächen – anständig geblieben zu sein, das hat uns hart gemacht. Dies ist ein niemals geschriebenes und niemals zu schreibendes Ruhmesblatt unserer Geschichte … Insgesamt können wir sagen, dass wir diese schwerste Aufgabe in Liebe zu unserem Volk erfüllt haben. Und wir haben keinen Schaden in unserem Inneren, in unserer Seele, in unserem Charakter daran genommen.’

Waarom noemden wij deze passages typerend? ‘Zelden heeft de geschiedenis’, zo schreven wij in Voorspel met betrekking tot Himmler, ‘een figuur gekend die opdracht gaf, objectief, tot zoveel misdaden’ (wij zullen ze in dit deel beschrijven), ‘maar subjectief zozeer overtuigd bleef van zijn eigen idealistische instelling. Juist dat laatste maakte hem tot de belichaming, zo werd het eens uitgedrukt’ (wij citeerden de Duitse historicus Joachim Fest), ‘van het ‘Prinzip des versachlichten Terrors4 – verzakelijkt in zoverre dat de misdaden zowel beraamd als gepleegd werden in zekere kille onaandoenlijkheid, mechanisch als het ware, en met een volstrekte verdringing van normale gevoelsreacties: want Himmler wilde niet alleen de SS, hij wilde in de eerste plaats zichzelf maken tot volmaakt, en dat wilde zeggen: meedogenloos instrument in handen van de Führer en in dienst van de toekomst van een tot heersen geroepen ‘arische’ elite.’

Ook aan zichzelf had hij derhalve opgelegd, de realiteit van de massamoord te doorstaan, zij het niet als direct bedrijver maar als toeschouwer. Op 12 februari ’43, nog geen acht maanden voor zijn toespraak te Posen, had hij samen met Eichmann, hoofd van het Referat IV B 4 van het Reichssicherheitshauptamt, in het vernietigingskamp Sobibor de vergassing aanschouwd van tweehonderd Joodse vrouwen en meisjes die de gedienstige Duitse staf van het kamp uit de transporten welke in de voorafgaande dagen in Sobibor aangekomen waren, op hun schoonheid geselecteerd had, en een kleine zeven maanden voordien, op 17 juli ’42, had hij in Birkenau bij Auschwitz samen met de Gauleiter van Oberschlesien en de Höhere SS- und Polizeiführer van de betrokken Wehrkreis toegezien hoe daar vierhonderdnegen-en-veertig Joodse mannen, vrouwen en kinderen, een deel van de eerste transporten uit Westerbork die op 15 en 16 juli het kamp in Drente verlaten hadden, een van de twee nog vrij primitieve gaskamers binnengevoerd werden (de bouw van de grote gaskamers was nog niet voltooid). Himmler had hun vergassing door een kijkopening gadegeslagen en was ook blijven toezien hoe de lijken begraven werden. Het had hem aangegrepen: hij was bijna flauwgevallen. Maar hij had de tanden op elkaar gezet en diezelfde dag in een toespraak tot de kampcommandant, Rudolf Höss, en zijn SS’ers de vergassingen aangeduid als ‘Schlachten, die unsere kommenden Generationen nicht mehr zu schlagen brauchen.5 Het was geheel in overeenstemming met deze perverse visie dat drie SS’ers uit Auschwitz-Birkenau later een hoge onderscheiding kregen, nl. het Kriegsverdienstkreuz mit Schwertern, en dat die drie respectievelijk waren: kampcommandant Höss, de SS’er die als chef van de gaskamers fungeerde en de SS’er die telkens enkele ondergeschikten gelastte, de korrels waaruit zich het blauwzuurgas ontwikkelde, in de gaskamers te werpen.

Wij hebben aan het einde van het voorafgaande een aspect van de moeilijke, in dit deel te behandelen materie aangeraakt waarop wij in hoofdstuk 7 uitgebreid moeten terugkomen: dat zal de laatste trede zijn van de gang in de diepte die de feiten ons hebben opgelegd. Al die treden vormen één trap, zij het dat niet op elke trede in gelijke mate geleden is – één trap, want er is tussen al die treden een duidelijke samenhang. Zelfs onder de door internationale conventies beschermde Nederlandse krijgsgevangenen zijn slachtoffers van het nationaal-socialisme gevallen, zulks nog afgezien van het feit dat wij het lot dat deze groep als geheel trof, niet mogen losmaken van de in mei ’40 door het nationaal-socialistische Duitsland bedreven aggressie. Ook het lot van de gijzelaars was een uitvloeisel van nationaal-socialistisch beleid, en in de vervolging van de politieke tegenstanders van het Derde Rijk alsook van anderen die van hun vrijheid beroofd werden, treffen wij van de aanvang af de meedogenloosheid aan die Himmler in de herfst van ’43 in Posen, niet voor het eerst, zijn SS-Gruppen- en -Obergruppenführer voorhield als de voor de SS geldende zedelijke norm. Het dwang- en vernietigingssysteem was toen, zou men kunnen zeggen, tot volle wasdom gekomen. Toen dat systeem in ’40 de eerste groepen Nederlanders in zijn greep nam, had het nog niet de omvang, de intensiteit, de vermorzelende kracht verworven die het luttele jaren later kreeg. Maar in de kiem, in wezen, was al het onheil dat zich nog zou manifesteren, reeds aanwezig sinds de 30ste januari 1933 waarop Hitler tot Reichskanzler benoemd was – een benoeming waaruit voortvloeide dat het parlementair-democratische Duitsland spoedig verworden zou tot een van de misdadigste dictatuurstaten die de geschiedenis der mensheid gekend heeft.

Wij kunnen, van de slachtoffers uitgaand, in de historie van die dictatuurstaat twee perioden onderscheiden: de periode tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog, tot september ’39 dus, waarin die slachtoffers hoofdzakelijk Duitsers waren, en de periode nadien waarin zij niet alleen uit het Duitse volk kwamen maar, in veel groter getale, uit andere volkeren.

Beide perioden zullen wij in hoofdtrekken beschrijven. Geen Nederlandse geschiedenis biedt dit inleidend hoofdstuk dus, maar Duitse, zo men wil: Europese. Dat is een noodzakelijke uitbreiding van onze algemene opzet. De lotgevallen immers van de verschillende groepen slachtoffers van het Duitse dwang- en vernietigingssysteem kunnen (dat zal uit de volgende hoofdstukken van dit deel duidelijk blijken) slechts begrepen worden indien eerst dat systeem geschetst is in zijn oorsprong, zijn methodiek, zijn groei en zijn effect.

Himmler en de ‘Gestapo’ ’33–’39

In Voorspel hebben wij een hoofdstuk gewijd (hoofdstuk 13) aan de ontwikkelingen in Duitsland van ’33 tot ’39. Wij begonnen met er daarin op te wijzen dat Hitler op 3 februari ’33, vier dagen nadat hij Reichskanzler geworden was, binnenskamers in een bespreking met de hoogste Duitse militairen al duidelijk de doeleinden aangegeven had die hij zou nastreven, en getuigenis had afgelegd van de gezindheid van waaruit hij zou handelen. Een der aanwezige generaals had er aantekeningen van gemaakt, in hun abrupte kortheid sprekender dan een uitvoerig verslag. Wij willen ze gedeeltelijk opnieuw citeren:

Völlige Umkehrung der gegenwärtigen innenpolitischen Zustände in Deutschland. Keine Duldung der Betätigung irgendeiner Gesinnung, die dem Ziel entgegen steht … Wer sich nicht bekehren lässt, muss gebeugt werden. Ausrottung des Marxismus mit Stumpf und Stiel … Nach aussen: Kampf gegen Versailles … Aufbau der Wehrmacht wichtigste Voraussetzung für Erreichung des Ziels … Wie soll politische Macht, wenn sie gewonnen ist, gebraucht werden? Jetzt noch nicht zu sagen. Vielleicht Erkämpfung neuer Export-Möglichkeiten, vielleicht – und wohl besser – Eroberung neuen Lebensraums im Osten und dessen rücksichtslose Germanisierung.6

Wij wezen er vervolgens op dat de acties van de tegenstanders die Hitler het sterkste duchtte: communisten en socialisten, onmiddellijk aan banden gelegd werden. In Pruisen kregen de SA en de SS de status van Hilfspolizei, zij ‘veroverden’ de straat. Vervolgens nam Hitler de door van der Lubbe gestichte brand in het gebouw van de Reichstag als aanleiding om een Notverordnung af te kondigen die de grondwettige vrijheden ophief.

Wij beschreven daarna in het genoemde hoofdstuk hoe alle niet-nationaal-socialistische organisaties òf opgeheven òf ‘gelijkgeschakeld’ werden; wij schetsten de reacties in het katholieke en in het protestantse milieu, wij deden uitkomen hoe de Jodenvervolging begonnen en voortgezet werd en wij gaven een beeld van Duitslands herbewapening (tot ’35 in het geheim, daarna openlijk) die de grondslag vormde voor Duitslands gebiedsuitbreiding: eerst met Oostenrijk (maart ’38), vervolgens met het Sudetengebied (oktober ’38), daarna met Bohemen en Moravië (maart ’39) en tenslotte met Memelland, een deel van Litauen (april ’39). Wij eindigden ons hoofdstuk met enkele passages te citeren uit de uiteenzetting die Hitler op 23 mei ’39 in Berlijn gegeven had aan de hoogste bevelhebbers van de nieuwe Wehrmacht. Duitsland, zo had hij betoogd, moest meer Lebensraum krijgen, ‘ohne Einbruch in fremde Staaten oder Angreifen fremden Eigentums ist dies nicht möglich’ – nu moest Polen uitgeschakeld worden, ‘es handelt sich für uns um die Erweiterung des Lebensraumes im OstenWollen Frankreich und England es beim Krieg Deutschland–Polen zu einer Auseinandersetzung kommen lassen, dannmüssen (wir)blitzartig Holland angreifen.7 Tot die aanval was het in de nacht van 9 op 10 mei ’40 gekomen.

In dat hoofdstuk 13 nu hadden wij ook een beeld gegeven van de uitbreiding van Himmlers macht in de vooroorlogse periode. In het Duitse staatsapparaat was Himmler begin maart ’33 zijn carrière begonnen als Polizeipräsident van München. Hij had toen spoedig de Beierse politieke recherche (de republiek van Weimar had reeds een Politische Polizei gekend) van de criminele recherche, de Kriminalpolizei, losgemaakt. Van die Beierse Politische Polizei was hij Kommandeur geworden met Reinhard Heydrich als zijn chef-staf en binnen een jaar had Himmler de Politische Polizei in alle andere delen van Duitsland onder zich gekregen, met inbegrip van Pruisen waar Goering in de loop van ’33 de bestaande politieke recherche tot Geheime Staatspolizei omgevormd had. Heydrich was toen hoofd geworden van het te Berlijn gevestigde centrale bureau van die Geheime Staatspolizei, het Geheime Staatspolizei-Amt. Dit alles was slechts een eerste aanloop geweest. Toen de positie van de SS sterker geworden was door haar rol bij de liquidatie van de SA-leiding (zomer ’34), was Himmler (zijn Allgemeine SS werd uit de SA gelicht en zelfstandig gemaakt) zijn imperium gaan uitbreiden. In ’36 had hij de gehele, inmiddels volledig gelijkgeschakelde Duitse politie onder zich gekregen en binnen die politie waren toen de politieke en de criminele recherche (de Geheime Staatspolizei of Politische Polizei en de Kriminalpolizei) verenigd tot één korps: de Sicherheitspolizei. Die Sicherheitspolizei was, gelijk eerder betoogd, van meet af aan nauw verbonden met de Sicherheitsdienst; het binnenlandse spionagenet.8 De Sicherheitsdienst was aanvankelijk een onderdeel geweest van de SS, niet een staatsapparaat dus, maar een partij-apparaat. Voorshands bleef dat zo, maar in september ’39 voltrok zich een verdere centralisatie: Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst werden toen ingevoegd in het Reichssicherheitshauptamt, het RSHA. De Sicherheitspolizei ressorteerde er, voorzover zij politieke recherche was, onder Amt IV, voorzover criminele onder Amt V, en de Sicherheitsdienst, voorzover zij gegevens verzamelde in Duitsland en in de bezette gebieden, stond onder Amt III. Men ziet: hoewel zowel het criminele als het politieke onderzoek de taak was van die ene Sicherheitspolizei, werden beide functies scherp onderscheiden. Men zou kunnen zeggen dat het politieke onderzoek de specifiek nationaal-socialistische functie was. Die functie werd dan ook bedoeld wanneer in of met betrekking tot Duitsland gesproken werd van de ‘Gestapo’: afkorting van de in ’33 in Pruisen ingevoerde term Geheime Staatspolizei. Het is zinvol om, zolang het over Duitsland gaat, die term Gestapo te blijven gebruiken.

Nu hebben wij tot dusver slechts organisaties genoemd. Een veel belangrijker vraag is: wat deden zij? Welk effect had hun handelen met name op de tegenstanders van het Derde Rijk of op diegenen (dat is niet hetzelfde) die door het Derde Rijk als tegenstanders beschouwd werden? Wat wij dan zouden willen onderstrepen is dat al die werkelijke of vermeende tegenstanders geleidelijk buiten de wet waren komen te staan. In april ’40 zou zelfs in een geheim decreet vastgelegd worden dat de Sicherheitspolizei volstrekt doen kon wat zij wilde, maar dat decreet was weinig meer geweest dan een formele bevestiging van een al bestaande situatie: de individuele burger had zijn rechtsbescherming verloren.

Ook ten tijde van de Weimar-republiek (genoemd naar de stad waar in ’19 een nieuwe Duitse grondwet vastgesteld was) had de politie in roerige tijden vèrgaande bevoegdheden gehad. Zo was in Pruisen in de zomer van ’31, toen straatgevechten tussen nationaal-socialisten en hun linkse tegenstanders aan de orde van de dag waren, bepaald dat de politie personen op grond van hun politieke gedragingen in preventieve hechtenis kon nemen, anders gezegd: hun Schutzhaft kon opleggen, maar de betrokkenen moesten dan binnen 24 uur voor de onafhankelijke rechter gebracht worden; uit eigen bevoegdheid kon de politie hen niet langer dan 24 uur vasthouden. Die 24 uur werden op 4 februari ’33 (dezelfde dag waarop Hitler binnenskamers de doeleinden van zijn beleid schetste) tot drie maanden verlengd, maar het beroep op de rechter bleef daarbij gehandhaafd en de Schutzhaft mocht alleen opgelegd worden bij verdenking van strafbare handelingen. Door die gehele regeling haalde de verordening die daags na de Rijksdagbrand afgekondigd werd, een streep: ‘zur Abwehr kommunistischer staatsgefährdender Gewaltakte’ (zo heette het in de preambule) kreeg de politie nu de mogelijkheid, personen in Schutzhaft te nemen die in het geheel niet van strafbare handelingen verdacht werden, en de rechterlijke toetsing werd uitgeschakeld. Dit leidde tot zulk een wanordelijk ingrijpen dat de Reichsminister des Innern, Wilhelm Frick, in april ’34, d.w.z. na ruim een jaar, regels ging stellen om de chaos te bezweren: aan elk die in Schutzhaft genomen was, moest, zo bepaalde hij, onmiddellijk een verhoor afgenomen worden, de betrokkene moest uiterlijk binnen 24 uur een schriftelijk stuk uitgereikt krijgen, het Schutzhaftbefehl, waarin stond op welke gronden hij gearresteerd was, en hij mocht door de plaatselijke politie slechts acht dagen vastgehouden worden; nadien was een machtiging nodig van de ‘oberste Landesbehörde’. Deze instantie moest voorts elke drie maanden beoordelen of voortzetting van de Schutzhaft wenselijk was.

Daargelaten of men zich overal aan die regels gehouden heeft (stellig niet), de er in neergelegde bevoegdheden werden geleidelijk overgenomen door de Gestapo. De nieuwe regeling ging inhouden dat de chefs van haar districtsbureaus, d.w.z. de chefs van de Staatspolizeistellen en Staatspolizeileitstellen, bevoegd waren, tot acht weken Schutzhaft op te leggen, en dat voorstellen tot verlenging, steeds met de nodige documentatie er bij, voorgelegd moesten worden aan de Berlijnse centrale; van september ’39 af was dat het Schutzhaftreferat, dat een deel was van Amt IV van het Reichssicherheitshauptamt.

Van den beginne af was, eigenlijk in strijd met de preambule van de desbetreffende verordening, Schutzhaft niet alleen opgelegd aan communisten maar ook aan andere politieke tegenstanders van het Derde Rijk. Was dat wel ‘wettig’? Ordnung muss sein! In januari ’38 kwam het tot een andere, wezenlijk ruimere definitie van Schutzhaft. Minister Frick bepaalde namelijk per decreet:

Die Schutzhaft kann als Zwangmassnahme der Geheimen Staatspolizei zur Abwehr aller volks- und staatsfeindlichen Bestrebungen gegen Personen angeordnet werden, die durch ihr Verhalten den Bestand und die Sicherheit des Volkes und Staates gefährden.

Deze formulering zal menige Nederlandse ex-politieke gevangene bekend voorkomen. Inderdaad, was hij gearresteerd, dan kreeg hij vaak na enige tijd een gedrukt formulier uitgereikt (hij moest daar nog voor tekenen ook), afkomstig van een instantie met een vreemde naam waar hij nooit van gehoord had: het Reichssicherheitshauptamt, en op dat formulier stond dan zijn naam, gevolgd door de formule: ‘gefährdet durch sein Verhalten den Bestand und die Sicherheit des Reiches dadurch, dass er’ – en dan kwam een vermelding met betrekking tot zijn illegale activiteit. Het RSHA had hem dan Schutzhaft opgelegd. Op grond van dat feit werd hij als regel naar een concentratiekamp overgebracht: maar al te vaak hield dus het Schutzhaftbefehl een doodvonnis in. Het in ons land toegepaste dwangsysteem (dàt willen wij onderstrepen) was in zijn gehele methodiek en tot in de gebruikte formules en formulieren toe geïmporteerd uit Duitsland.

Terug naar Fricks decreet van januari ’38 waarin voor de toepassing van de Schutzhaft-regeling een nieuwe bepaling afgekondigd werd. Een hoogst belangrijke! Ruimer kon het namelijk niet gesteld worden: onder de nieuwe definitie vielen niet alleen politieke tegenstanders maar allen van wie de Gestapo beliefde te beweren dat zij een gevaar voor ‘volk en staat’ vormden: gewone misdadigers, maar ook de leden van groepen die, naar de machthebbers meenden, in het Herrenvolk misstonden, zoals ‘asocialen’, Zigeuners en homosexuelen.

Waar kwamen zij terecht? Antwoord: velen in de concentratiekampen.

Concentratiekampen ’33–’39

Ook van de eerste ontwikkeling van het systeem der concentratiekampen gaven wij in hoofdstuk 13 van Voorspel al een beknopt beeld. Wij vatten het weer samen.

Aanvankelijk was het meer de SA dan de SS die zich met het gevangen houden (en mishandelen) van politieke tegenstanders belastte. Dat geschiedde in stafkwartieren van de SA of in leegstaande kantoor- dan wel fabrieksgebouwen. Vooral communisten werden opgepakt: zij waren in de aan de Machtübernahme voorafgaande periode het meest veelvuldig met de SA in straat- of zaalgevechten gewikkeld geweest. Nu werd door die SA bloedig wraak genomen, maar die wraak strekte zich ook tot andere politieke tegenstanders uit, zoals sociaal-democraten, links-socialisten, links-radicale schrijvers en aanhangers van burgerlijke partijen. Soms werden gevangenen doodgeslagen maar dat kwam, schijnt het, in die eerste periode niet vaak voor. De gevangenen kregen weinig te eten – zij leden evenwel geen acute honger. Soms kregen zij werkkleding, soms niet; in het ene kamp werden zij kaalgeschoren, in het andere liet men dat na. Ook waren er aanvankelijk onder de haastig aangetrokken bewakers niet weinigen die een zekere solidariteit met de gevangenen aan de dag gingen leggen.

Dat alles nu was in zijn ongeorganiseerde en ongereglementeerde ruwheid en door zijn tot op zekere hoogte verward karakter Himmler een gruwel. Hij zag de concentratiekampen als een permanente instelling van Duitsland en zeker van het Duitsland dat tot das Reich zou zijn getransformeerd; de kampen moesten dus opgebouwd worden volgens een strikte methodiek en met een dubbele doelstelling: enerzijds diende de weerstandskracht der gevangenen gebroken te worden (men herinnere zich Hitlers woord: ‘Wer sich nicht bekehren lässt, muss gebeugt werden’), anderzijds diende een deel van het SS-keurkorps bij de bewaking der gevangenen en in het contact met hen een scholing te krijgen in de gevoelloze hardheid welke gevergd werd van de garde die das Reich tot in de verste toekomst beschermen moest (‘wenigstens für die nächsten Jahrhunderte’, zei Himmler in Posen). Dat waren de richtlijnen die na enige tijd al in het eerste onder hem ressorterende concentratiekamp, Dachau (bij de oprichting gevestigd in een oude kruitfabriek), in het oog gehouden werden. Dit bij München gelegen kamp (in ’38 door een groot nieuw kamp vervangen) werd, wat de toegepaste richtlijnen betreft, voorbeeld en volgens hetzelfde patroon werden de concentratiekampen Buchenwald (bij Weimar) en Sachsenhausen (bij de Berlijnse voorstad Oranienburg) ingericht, respectievelijk in september ’36 en augustus ’37; vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog volgden daarop nog vier nieuwe concentratiekampen voor mannen: Neuengamme (bij Hamburg) (toen nog formeel een sub-kamp, een Aussenkommando, van Sachsenhausen), Flossenbürg (Noord-Beieren), Mauthausen (bij Linz) en Gross-Rosen (Silezië) (toen nog formeel een Aussenkommando van Sachsenhausen), alsmede één nieuw concentratiekamp voor vrouwen: Ravensbrück (Mecklenburg). Al deze kampen, die als regel andere, oudere kampen vervingen welke wij niet met name noemen, werden geleid vanuit de al eerder gememoreerde Inspektion der Konzentrationslager; aan het hoofd daarvan stond SS-Oberführer Theodor Eicke, die in ’33 commandant van Dachau was geworden. Eicke was tevens Führer der SS-Totenkopfverbände – in die formaties waren de SS’ers samengevoegd die de verschillende concentratiekampen bewaakten; daarnaast kende elk kamp een staf van weer andere SS’ers, telkens onder een Kommandant, die aan het kamp leiding gaven.

Bij de inwendige organisatie van die kampen maakte de SS het zich zo gemakkelijk mogelijk: ‘zij droeg’, zo schreven wij in Voorspel, ‘een deel van haar autoriteit aan sommigen van de gevangenen over; anders gezegd: zij schiep binnen de kampen een jegens haar verantwoordelijke kamphiërarchie welker leden, constant en soms extra bedreigd, tijdelijk (steeds tijdelijk) in het bezit waren van beperkte privileges. Uit de tegenstelling tussen de leden van die hiërarchie en de grauwe massa der overige Häftlinge moesten ook onder de beste omstandigheden conflictsituaties voortvloeien; die situaties deden zich al in ’33 in sommige kampen voor waar de hiërarchie uitsluitend of in hoofdzaak gevormd werd door communisten die (onbegrijpelijk was dat allerminst) hun partijgenoten sterker in bescherming namen dan anderen, of (en dat ging verder) van hun Prominent-zijn misbruik maakten om de druk van de SS met nadruk aan politieke tegenstanders door te geven. Werd in die gevallen het beleid der Prominente nog bepaald of mede bepaald door onpersoonlijke, politieke overwegingen, ernstiger en voor de massa der Häftlinge ongunstiger was het, wanneer de SS de leiding van een kamp toevertrouwde aan criminele elementen.’

Ziedaar, samengevat, wat wij in Voorspel verhaalden.

Er is een aantal punten waarop wij nu, in dit deel, waarin de concentratiekampen zulk een belangrijke plaats zullen innemen, ook ten aanzien van de vooroorlogse periode dieper moeten ingaan teneinde de systematiek te schetsen welke aan die kampen ten grondslag lag.9

Laat ons beginnen met enkele cijfers te geven.

Geschat wordt dat zich in juli ’33 in de grote veelheid van goeddeels ‘wilde’, d.w.z. niet centraal geleide en nogal ongereglementeerde concentratiekampen die Duitsland toen kende, bijna zeven-en-twintigduizend gevangenen bevonden; in februari ’34 waren het er als gevolg van talrijke vrijlatingen nog maar zeven- tot achtduizend en dat aantal bleef tot begin ’38 ongeveer gelijk, werd althans niet van een andere orde van grootte. In oktober ’38 stond het evenwel op vier-en-twintigduizend en in november sprong het tot ca. zestigduizend omhoog, doordat na de aanslag op de Duitse diplomaat vom Rath en de daarop volgende z.g. Reichskristallnacht (9–10 november), een nieuwe scherpe Jodenvervolging ingezet werd, in welk kader ca. vijf-en-dertigduizend Joden in concentratiekampen opgesloten werden. Die Joden werden evenwel na enkele weken of maanden vrijgelaten en het schijnt dat zich in de concentratiekampen bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog wederom niet meer dan ca. twintigduizend gevangenen bevonden.

Uit die cijfers blijkt dat van juli ’33 af sterke pressie uitgeoefend was op de formaties (hoofdzakelijk waren dat, gelijk gezegd, afdelingen van de SA) die de gevangenen in handen hadden, om tot vrijlatingen over te gaan. Inderdaad was er toen op allerlei niveaus in het Duitse bestuursapparaat verontwaardiging ontstaan over de willekeur die bij de arrestaties toegepast was, en over de mishandelingen waarvan de gearresteerden het slachtoffer geworden waren. In enkele gevallen kwam het tot een gerechtelijk vooronderzoek, in één geval (misdragingen in een kamp te Stettin) werden de schuldigen in april ’34 tot een paar jaar gevangenisstraf veroordeeld. Het gevolg was dat de Gestapo in de verschillende delen van Duitsland nadien zoveel mogelijk de pottekijkers van de justitie en van het Reichsinnenministerium buiten de deur hield. Desondanks werden in mei ’35 drie-en-twintig SA’ers die zich in een Saksisch concentratiekamp aan sadistische wreedheden schuldig gemaakt hadden, toch nog tot gevangenisstraf veroordeeld – Hitler gaf hun allen gratie en het strafrechtelijk onderzoek tegen de verantwoordelijke Gestapo-functionaris werd op zijn last gestaakt. Enkele maanden eerder, in januari, had minister Frick er in een memorandum op aangedrongen dat de concentratiekampen geleidelijk opgeheven zouden worden. Frick kreeg geen kans, hier met Hitler over te spreken; aan deze werd het memorandum door Himmler voorgelegd. Er kwam niet meer op te staan dan: ‘Dem Führer vorgelegt 20.2.1935. Die Gefangenen bleiben. H.H.10 – en Frick bleef ook. Formeel was hij de superieur van Himmler in diens kwaliteit van Chef der deutschen Polizei en ook werden de concentratiekampen uit zijn begroting gefinancierd, maar hij had er niets over te zeggen.

Hoeveel personen in totaal in de vooroorlogse jaren op last van de Gestapo gearresteerd werden en tot welke kategorieën zij behoorden, is niet bekend. Enkele cijfers zijn bewaardgebleven: alleen al in de zes maanden van oktober ’35 t.e.m. maart ’36 werden wegens activiteit voor de verboden Kommunistische dan wel Sozialistische Partei Deutschlands ca. zevenduizenddriehonderd personen gearresteerd en in de twaalf maanden van het jaar ’36 alleen al wegens verboden socialistische activiteit bijna twaalfduizend. Een deel hunner werd berecht (hoe groot dat deel was, is niet bekend), anderen werden rechtstreeks naar de concentratiekampen gezonden. Van diegenen die berecht werden, kwamen sommigen óók, zij het later, in de concentratiekampen terecht, want al van eind ’33 af was de Gestapo er toe overgegaan, veroordeelde oppositionele elementen die hun gerechtelijke straf uitgezeten hadden, in aansluiting daarop naar de concentratiekampen te sturen. Ook leden van andere groepen belandden daar in, en wel zonder enige berechting: Jehova’s Getuigen (‘Bibelforscher’), mannelijke homosexuelen, misdadigers en ‘asocialen’.


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 15 oktober 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 4,99