Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 9 – Londen

Leesfragment

HOOFDSTUK 1 – Eerste maanden

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9 – dr. L. de Jong

Op maandag 13 mei 1940 hadden koningin Wilhelmina en de nog in Den Haag verblijvende leden van het kabinet-de Geer Nederland verlaten.

Anderen waren hun al voorgegaan.

Vrijdagochtend 10 mei waren de ministers van buitenlandse zaken en van koloniën, mr. E.N. van Kleffens en Ch.J.I.M. Welter, met een klein watervliegtuig van de marine van het Scheveningse strand naar Engeland gevlogen teneinde te bevorderen dat Engeland en Frankrijk zoveel mogelijk hulp zouden verlenen aan de Nederlandse strijdkrachten en teneinde contact te onderhouden, gemakkelijker dan uit Den Haag mogelijk was, met de gouvernementen in de overzeese gebiedsdelen: Nederlands-Indië, de Nederlandse Antillen1 en Suriname. Vervolgens waren, op zondagavond 12 mei, prinses Juliana en prins Bernhard er in geslaagd zich samen met de prinsesjes Beatrix en Irene in IJmuiden in te schepen op een Britse torpedobootjager die hen naar Harwich bracht. Die zondag, derde dag van de Duitse invasie, werd nog gehoopt dat het voor het Nederlandse leger mogelijk zou zijn enige tijd stand te houden in de Grebbelinie en de Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen te verdrijven uit hun posities op en bij de Maasbruggen in Rotterdam, maar maandagochtend (in de Grebbelinie was een bres geslagen en een Duitse tankcolonne rukte door Noord-Brabant in de richting van Rotterdam op) besefte de opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaal H.G. Winkelman, dat hij niet langer kon instaan voor de veiligheid van de regering in de residentie.

Koningin Wilhelmina wist wat haar te doen stond: Den Haag verlaten – zij mocht de vijand niet in handen vallen. Vergezeld van de vice-president van de Raad van State jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, de directeur van haar kabinet jhr. mr. G.C.W. van Tets van Goudriaan, haar vertrouwde medewerker in particuliere aangelegenheden (haar ‘secretaris’) F. van ’t Sant (oud-hoofdcommissaris van politie in Den Haag), twee leger-adjudanten, een ordonnans-officier en een lectrice kwam zij omstreeks het middaguur in Hoek van Holland aan boord van de Britse torpedobootjager ‘Hereward’. Zij gaf opdracht naar Breskens te varen. Zou men daar aan land kunnen gaan? Zekerheid kon niet verkregen worden – teneinde zijn eigen positie niet te verraden, mocht de commandant van de ‘Hereward’ geen radiocontact opnemen met de commandant-Zeeland. In tranen besloot de koningin, de Noordzee over te steken. Zij arriveerde omstreeks vijf uur in de middag in Harwich, waar zij onmiddellijk telefoneerde met koning George VI van Engeland, die, betogend dat de berichten uit Nederland slecht waren, haar gastvrijheid aanbood in Buckingham Palace. Een extra-trein bracht haar en haar gezelschap naar Londen. Nog diezelfde avond voerde zij een lang gesprek met van Kleffens. Besloten werd dat zij in een telegram aan de Franse president op meer hulp zou aandringen en dat de volgende dag een proclamatie zou uitgaan waarin de koningin haar vertrek uit Nederland zou toelichten. Van Kleffens stelde er een concept voor op – dinsdagochtend moest de tekst slechts in zoverre aangevuld worden dat er uit kon blijken dat niet alleen de vorstin maar ook al haar ministers Engeland bereikt hadden.2 ‘Nadat volstrekt zeker was geworden’, aldus de tekst,

‘dat wij en onze ministers in Nederland niet langer vrijelijk konden voortgaan met de uitoefening van ons staatsgezag, moest het harde, maar noodzakelijke besluit worden genomen, de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland voor zolang als onvermijdelijk en met de bedoeling, ons terstond weer in Nederland te vestigen zodra zulks maar enigszins kan.

De regering bevindt zich thans in Engeland. Zij wenst een regeringscapitulatie te voorkomen. Daarbij blijft het Nederlandse grondgebied … in Europa zowel als in Oost- en West-Indië één souvereine staat … die zijn stem zal blijven laten horen en tot zijn recht zal weten te brengen.

… Ons hart gaat uit naar onze landgenoten in het vaderland, die harde tijden zullen doormaken. Maar Nederland zal zijn gehele Europese grondgebied eenmaal met Gods hulp herwinnen.

Herinnert u rampen uit vroeger eeuwen, waaruit Nederland is herrezen. Zo zal het ook ditmaal gaan. Dispereert niet. Doet alles wat u mogelijk is in ’s lands welbegrepen belang. Wij doen het onze. Leve het vaderland!’

Het was een kloeke tekst – van Kleffens, die er de staatkundige verantwoordelijkheid voor droeg, nam aan dat in de bewoordingen de geest van al zijn ambtgenoten weerspiegeld werd. ‘Dat was’, schreven wij reeds in deel 3, ‘een vergissing’.

Op maandagochtend 13 mei hadden de in Den Haag aanwezige leden van het kabinet de grootste moeite gehad om vast te stellen wat hun plicht was: blijven of vertrekken? De minister-president, jhr. mr. D.J. de Geer, die zo nerveus was dat hij nauwelijks meer een telefoonschijf kon draaien, was niet in staat, leiding te geven aan de discussie, laat staan tot een besluit te komen, ook niet toen hij wist dat de koningin Den Haag zou verlaten. De minister van defensie, luitenant-kolonel A.Q.H. Dijxhoorn, drong op een onmiddellijk vertrek aan, de minister van justitie, prof. mr. P.S. Gerbrandy, wilde nog een dag wachten maar was er op zichzelf voorstander van dat het kabinet zou voorkomen in Duitse handen te vallen, andere ministers meenden dat vertrek uitgelegd zou worden als desertie. Het resultaat was dat tegen half één zeven ministers: de Geer, Dijxhoorn, Gerbrandy, ir. J.W. Albarda (waterstaat), H. van Boeyen (binnenlandse zaken), G. Bolkestein (onderwijs, kunsten en wetenschappen) en dr. J. van den Tempel (sociale zaken), Den Haag verlieten en dat er twee achterbleven: mr. M.P.L. Steenberghe (handel, nijverheid en scheepvaart) en mr. dr. A.A. van Rhijn (landbouw en visserij). Vitale aangelegenheden waren er, in welke het kabinet op dat moment nog geen beslissing genomen had: generaal Winkelman had geen instructie gekregen, in welke situatie hij het geoorloofd mocht achten de wapens neer te leggen, en er was niet vastgesteld bij wie of bij welke instantie na het vertrek der regering het regeringsgezag zou berusten. Beide punten werden alsnog geregeld: in Den Haag deelde Steenberghe in aanwezigheid van de secretarissen-generaal der departementen aan generaal Winkelman mee dat aan deze het regeringsgezag overgedragen was, en onder pressie vooral van Dijxhoorn berichtte de Geer van Hoek van Holland uit telefonisch aan de opperbevelhebber dat hij overgave mocht aanbieden zodra naar zijn oordeel verder weerstand bieden doelloos en nutteloos was. Van hun aanvankelijk besluit, niet uit te wijken, kwamen Steenberghe en van Rhijn terug: nu het regeringsgezag naar behoren overgedragen was, voegden zij zich bij hun ambtgenoten en even na zeven uur ’s avonds verliet de Britse torpedobootjager ‘Windsor’ Hoek van Holland met negen ministers aan boord – de oorlogsbodem meerde dinsdagochtend in de monding van de Theems en tegen het middaguur namen de ministers in een van de grootste Londense hotels, Grosvenor House, aan het Hyde Park gelegen, hun intrek. Diezelfde middag nog vlogen Dijxhoorn, van Kleffens en Welter naar Parijs om er bij de Franse autoriteiten op aan te dringen dat Nederland een maximum aan hulp zou krijgen.

Zo waren dus acht ministers in Grosvenor House aanwezig toen de Nederlandse gezant in Londen, jhr. mr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen, tegen het einde van de middag telefonisch van Den Haag uit ingelicht werd, dat generaal Winkelman gecapituleerd had, zij het dat de strijd in Zeeland voortgezet zou worden. Michiels bracht dat bericht persoonlijk aan de koningin over. Naar de legatie teruggekeerd, overlegde hij daar met een collega, mr. W.F.L. graaf van Bylandt (de pas teruggeroepen Nederlandse zaakgelastigde in Egypte die zich, tot gezant in China benoemd, op 10 mei in Florence bevonden had en zich onmiddellijk naar Londen had begeven) en met A. Pelt, hoofd van de afdeling voorlichting van het secretariaat van de Volkenbond in Genève die in de middag van 14 mei, komende uit Genève, Londen bereikt had.3 Gedrieën waren zij het er over eens dat het, al was dan ook in de loop van de dag de proclamatie van de koningin gepubliceerd welke van de vaste wil getuigde om de oorlog voort te zetten, wenselijk was een regeringscommuniqué uit te geven waarin duidelijk gemaakt zou worden dat Winkelmans capitulatie in die situatie geen wijziging had gebracht. Van Bylandt begaf zich naar Grosvenor House om de Geer mee te delen dat Pelt spoedig een concept voor het communiqué zou doorgeven. In dat concept bleek niet meer te staan dan dat Winkelman tot de conclusie gekomen was dat voortzetting van de strijd in Nederland, behalve in Zeeland, in niemands belang was, dat de Nederlandse strijdkrachten in Zeeland alsook de marine (tal van eenheden hadden al Engelse havens bereikt) de oorlog zouden voortzetten en dat de generaal gehandeld had uit hoofde van de hem door de regering verstrekte algemene volmacht. Maar hoeveel moeite van Bylandt zich ook gaf, hij kon voor dat concept geen algemene instemming verwerven. Pelt verscheen en bracht de tekst van Winkelmans proclamatie mee waaruit duidelijk bleek dat Zeeland en de marine buiten de capitulatie vielen: van Zeeland was dat namelijk uitdrukkelijk gezegd en over de marine was gezwegen. Een urenlange discussie volgde – ‘eindeloos geleuter’, aldus van Bylandt (wiens verslag4 wij al in deel 3 aanhaalden), als gevolg waarvan te middernacht nog geenszins vaststond dat er een regeringscommuniqué zou verschijnen. Steenberghe, Gerbrandy en Albarda waren er voorstander van dat de Nederlandse regering haar positie onmiskenbaar duidelijk zou maken, van den Tempel, ‘driftig als een nukkig kind’, wilde er niets van weten, van Boeyen, Bolkestein en de Geer (van Rhijn wordt niet genoemd) waren ‘blauw-blauw’. ‘Na lang vechten werd’, schreef van Bylandt,

‘het volgende compromis bereikt: De regering zal een communiqué uitgeven; de tekst vrijwel die van Pelt, doch met mededeling dat (in overeenstemming met de proclamatie-Winkelman) in Zeeland wordt doorgevochten. Dit zal tussen aanhalingstekens moeten staan om duidelijk te doen uitkomen dat de regering daarvoor geen verantwoordelijkheid opneemt. De marine wordt niet genoemd omdat hij niet in de proclamatie is vermeld.’

‘Ik ben nooit zo geschrokken van onze Nederlandse regering’, zei Pelt ons ruim vijftien jaar later, ‘als op de beruchte avond van de 14de mei.’5 Het zou niet zijn laatste schrik zijn.

Begin

Toen de regering zich in Engeland vestigde, woonden daar ca. zesduizend Nederlanders, de meesten (naar wij vermoeden – er zijn geen detailcijfers) in of bij Londen. Er was daar een Hollandse Club die door een beperkt aantal zakenlieden gefrequenteerd werd, er was een vereniging ‘Neerlandia’ die voor haar honderden leden in de Britse hoofdstad jaarlijks een Sinterklaasavond organiseerde – veel saamhorigheid was er niet. Bij deze Nederlanders van wie de mannen in de regel werkzaam waren in het bedrijfsleven (bij handels- en scheepvaartmaatschappijen, in het bankwezen en bij grote Brits-Nederlandse concerns als de Unilever en de ‘Koninklijke’/Shell), voegden zich tijdens en vlak na de dagen van de Duitse invasie enkele honderden vluchtelingen, in totaal tot begin juli ’40 ca. zestienhonderd6, van wie echter een deel pas in juni uit Frankrijk arriveerde (daarop komen wij nog terug). Die vluchtelingen werden door de Engelse autoriteiten die sterk onder de indruk waren van de berichten dat in Nederland, België en Frankrijk een even omvangrijke als sinistere ‘Vijfde Colonne’ aan het werk geweest was, en die vreesden dat zich onder de vluchtelingen geheime Duitse agenten bevonden, eerst in kampen verzameld waar zij op hun betrouwbaarheid onderzocht werden. Nagenoeg allen bevonden zich na korte tijd op vrije voeten en konden emplooi gaan zoeken.

Dan arriveerden uit Nederland de meeste eenheden van de Nederlandse marine, tal van vrachtschepen en kustvaarders, ruim 40 van de 800 vissersschepen en, in eerste instantie, ongeveer tweehonderd militairen van de landmacht, in hoofdzaak behorend tot de detachementen welke de ca. twaalfhonderd Duitse parachutisten en militairen van de Duitse luchtlandingstroepen bewaakt hadden die op 13 en 14 mei uit IJmuiden als krijgsgevangenen afgevoerd waren (zij werden spoedig naar Canada overgebracht). Die landmacht-militairen werden in Londen verzameld en later in mei naar een primitief kamp in Haverford-West gezonden (zie kaart I op pag. 35). Zij vormden een gemengde groep, in tegenstelling tot de mannen van de marine die met hun schepen, d.w.z. in normaal hiërarchisch verband, gearriveerd waren. De bevelhebber der zeestrijdkrachten, vice-admiraal J.Th. Furstner (hij was met vijftien marine-officieren op een Scheveningse botter eerst naar Duinkerken gevaren en vandaar naar Engeland overgestoken), kon er spoedig greep op krijgen – voordien was het nodige geregeld door de Nederlandse marine-attaché te Londen, luitenant-ter-zee eerste klasse A. de Booy, die uitnemende relaties had met de Admiralty. Generaal-majoor J.W. van Oorschot daarentegen, oud-chef van de Nederlandse geheime dienst GS III, afgezet na het Venlo-incident, die als hoofd van een door generaal Winkelman uitgezonden militaire missie op 12 mei in Londen gearriveerd was, moest zijn betrekkingen met het War Office van de grond af gaan opbouwen; Nederland had in Londen geen landmacht-attaché gehad.

Onder diegenen die tijdig Nederland hadden kunnen verlaten, bevonden zich slechts weinig departementsambtenaren – Albarda, Bolkestein, van Boeyen en van den Tempel waren er geheel van verstoken. De Geer en Gerbrandy hadden de secretarissen-generaal van hun departementen meegenomen, resp. jhr. mr. A.M.C. van Asch van Wijck en mr. J.R.M. van Angeren. Welter had nog van Londen uit opdracht gegeven dat vier hoofdambtenaren van Koloniën naar hem toe dienden te komen (de vier hadden zich in IJmuiden op een Britse torpedobootjager kunnen inschepen). Ook Steenberghe had op het laatste moment voor van Rhijn en zichzelf nog twee hoofdambtenaren uit Den Haag kunnen ontbieden (ook zij waren via IJmuiden weggekomen7) en zou (hetzelfde gold voor Welter) spoedig aan hen enkele andere ambtenaren kunnen toevoegen die zich op 10 mei ’40 op dienstreis in Parijs bevonden hadden. Dijxhoorn was vergezeld van zijn twee adjudanten: luitenant-ter-zee eerste klasse J.E.A. Post Uiterweer en kapitein van de generale staf mr. H.J. Kruls. Bovendien hadden drie officieren van GS III wier namen voorkwamen op een lijst van onmiddellijk te arresteren personen die op 10 mei ’40 in een in Den Haag neergestort Duits vliegtuig gevonden was, op de ‘Hereward’ welke de koningin naar Harwich bracht, kunnen meevaren; dit waren luitenant-kolonel J.G.M. van de Plassche en de kapiteins C.J. Olifiers en L.J.A. Schoonenberg. Van Kleffens was spoedig het best van ervaren medewerkers voorzien. Wel kon de staf van de legatie, klein maar kundig, geen krachten afstaan, maar er kwamen anderen. Van Bylandt noemden wij al – hij werd in Londen waarnemend secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. De pas benoemde gezant in Turkije verbleef nog in de Verenigde Staten en kwam naar Londen waar hij ten departemente hoofd werd van de afdeling diplomatieke en juridische zaken; de staf van de Nederlandse legatie te Berlijn die eind mei de Zwitserse grens kon overschrijden, leverde het hoofd voor de afdeling consulaire en handelszaken alsmede de chef van het kabinet van de minister, uit de staf van de legatie te Brussel werd de directeur van de kanselarij aangetrokken. Van veel belang was dat Buitenlandse Zaken in Londen ook de beschikking had over de codes die vóór 10 mei ’40 in het verkeer met de buitenlandse posten gebruikt waren: de code-ambtenaar had, het codemateriaal van Buitenlandse Zaken en van Koloniën meenemend, op 14 mei Scheveningen kunnen verlaten aan boord van een logger welke door J.M. de Booy, een van de directeuren van de ‘Koninklijke’/Shell, met machtiging van het Algemeen Hoofdkwartier gevorderd was.

De huisvesting van het Nederlandse overheidsapparaat ging vrij vlot. Van Oorschot had op 13 mei voor zijn missie werkruimte gekregen in het gebouw van C. & A. Brenninkmeyer, de confectie-firma die een filiaal had in een groot pand in Oxford Street, een van de drukste Londense winkelstraten – daar kreeg ook admiraal Furstner voor zijn staf één, later twee verdiepingen ter beschikking tegen het symbolische huurbedrag van £ 1 per jaar. Van Rhijn nam de taak op zich, kantoorruimte voor de ministers te zoeken. De Booy gaf hem daartoe de hulp van het hoofd van de afdeling gebouwen van de ‘Koninklijke’/Shell en op diens advies huurde van Rhijn een verdieping in een modern kantoorgebouw aan Piccadilly, Stratton House – de ‘Koninklijke’/Shell leende bovendien de eerste 50 schrijfbureaus uit die er geïnstalleerd werden. Niet dat daarmee alle moeilijkheden opgelost waren! Het kostte bijvoorbeeld van Angeren grote moeite om voor zichzelf één oude schrijfmachine te vinden en op het gebied van de Nederlandse wetgeving was hij van alle teksten verstoken. Wel bezat de juridische adviseur van het gezantschap, een in Londen gevestigde Nederlandse advocaat, een recente editie van de Nederlandse Wetboeken in de algemeen gebruikte uitgave van J.A. Fruin, maar die advocaat weigerde zijn ‘Fruin’ af te staan, al was het maar voor een dag, en van Angeren moest tevreden zijn met een exemplaar van de editie van 1916 welke zich bij een jong consulaats-ambtenaar bleek te bevinden.

Tot ongeveer 1 juni bleven de ministers in Grosvenor House wonen. Zij hadden elk van het gezantschap een bedrag gekregen om wat kleren aan te schaffen. Verscheidenen hunner waren bij tijd en wijle de wanhoop nabij. Van Kleffens had op 10 mei zijn vrouw naar Engeland meegenomen, maar de negen ministers die op 13 mei uit Den Haag vertrokken waren, hadden besloten, hun gezinnen achter te laten, teneinde te voorkomen dat men zou zeggen dat zij slechts zichzelf en de hunnen in veiligheid hadden willen brengen – wat hing die gezinnen, wat hing hunzelf boven het hoofd? Op zaterdag 18 mei hielden zij in een grote leegstaande slaapkamer van Grosvenor House hun eerste formele vergadering. Er viel een belangrijk besluit: er zouden voortaan notulen gemaakt worden. De Geer had in augustus ’39, toen hij zijn tweede kabinet geformeerd had, vastgesteld dat van het kabinetsberaad geen enkel verslag zou worden gemaakt8 – men was het er over eens dat nu anders gehandeld moest worden. Albarda nam de taak op zich, de notulen bij te houden.9 ‘Aanvankelijk’, zo verklaarde hij in ’46, ‘schreef ik weinig op, bang zijnde dat voor het geval van een invasie der Duitsers’ (die hadden de kust van het Kanaal bereikt – zouden zij, van België en Noord-Frankrijk uit, de rest van Frankrijk links laten liggen en eerst in Engeland landen?) ‘deze notulen in hun handen zouden vallen.’10 Albarda was de enige niet die het mogelijk achtte, spoedig Londen te moeten verlaten. In de ochtend van 21 mei zocht van Kleffens, inmiddels met Dijxhoorn en Welter uit Parijs teruggekeerd, de Britse minister van buitenlandse zaken, Lord Halifax, op en legde hem, kennelijk namens het gehele kabinet, twee vragen voor: of de Nederlandse regering zich in Londen mocht vestigen en of het wenselijk was dat zij nu reeds een oord in het westen van Engeland uitkoos waarheen zij zich zou kunnen begeven, mocht het noodzakelijk zijn, de Britse hoofdstad te verlaten. Halifax liet er geen gras over groeien: na raadpleging van het door Churchill geleide War Cabinet deelde hij nog diezelfde dag schriftelijk aan van Kleffens mee dat de Nederlandse regering in Londen welkom was (‘His Majesty’s government … hope to be able to keep in close contact’), maar voor een uitwijkoord in het westen van Engeland behoefde, zo had de Minister of Home Security gezegd, ‘at present’ geen stappen genomen te worden.11

Eén avond tevoren, 20 mei, hadden dr. G.H.C. Hart en mr. W.G. Peekema, twee van de vier uit Den Haag overgekomen hoofdambtenaren van Koloniën, een bezoek gebracht aan Grosvenor House. ‘Daar zitten’, noteerde Hart in zijn dagboek,

‘droevig voor zich uitstarend, de leden van H.M. ’s Regering: ‘net een troep natgeregende mussen’, noemde Peekema het terecht … Enkelen zijn flink en tegen de situatie opgewassen: Steenberghe, Welter, van Kleffens, Dijxhoorn, doch de rest is, zij het in gradaties, abominabel. ‘C en A’ noemde Michiels het stel nogal plastisch. Waar moet dat heen? Premier de Geer is de oudste grijsaard: moeten we onder zulke leiding ons land herwinnen en ons wereldrijk besturen?’12

Kort voor Hart en Peekema op die 20ste mei in Grosvenor House binnenvielen, had de Geer via de European Service van de BBC het woord gericht tot de bevolking in bezet gebied. Pelt, die inmiddels hoofd geworden was van een onder Buitenlandse Zaken ressorterende Regeringspersdienst (later tot ‘Regeringsvoorlichtingsdienst’ herdoopt – wij zullen die tweede benaming aanhouden), had er bij de Geer met klem op aangedrongen dat het kabinet in zijn persoon via de radio een levensteken zou geven. Twee-derde van de ongeveer tien minuten durende toespraak13 was gewijd aan een verdediging van het Nederlandse neutraliteitsbeleid, waarvan, meende de Geer, ook ‘het land dat wij tegenstand boden’ (Duitsland), ‘de oprechtheid en de eerlijkheid’ behoorde te erkennen – in het laatste deel werd betoogd dat de regering ten aanzien van de koopvaardijvloot en de overzeese gebiedsdelen ‘haar plicht (zou) doen.’ ‘Plicht’, aldus de Geer, van de ‘administratieve instanties in Nederland’ was het, ‘zo goed zij kunnen met de Duitse autoriteiten samen te werken’, ‘plicht van de bevolking … zich kalm en ordelijk te gedragen en zich te onthouden van elke handeling, waardoor de normale verhoudingen verstoord worden’; zo zou ‘het Nederlandse publiek … de achting van de tegenstander (verdienen).’

De achting van Duitsland dat ons land overvallen had en, zo meende men, alleen al in het verwoeste centrum van Rotterdam dertigduizend Nederlanders (het waren er in werkelijkheid tussen de zes- en negenhonderd) het leven had doen verliezen! Aan de Engelse switch-censor die aan de schakelknop zat terwijl de Geer zijn van elke strijdbaarheid gespeend betoog uitsprak, jeukten de vingers om de Nederlandse minister-president ‘uit de lucht te nemen’ – hij liet dat na om geen voedsel te geven aan de Duitse propaganda die beweerde dat de Nederlandse regering in Londen haar vrijheid van handelen kwijt was en onder strikte Britse controle stond.

Eigenzinnig als hij was, had de Geer over zijn tekst geen overleg gepleegd met zijn ambtgenoten. Zijn gehele denken was gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van alle oorlogshandelingen: er moest dus een vergelijk met Duitsland getroffen worden (daarom had hij zich ook zorgvuldig onthouden van formuleringen die anti-Duits zouden klinken) – door wie? In de eerste plaats door Engeland. Toen de Nederlandse minister-president twee weken later, op 4 juni, in gezelschap van van Kleffens en Michiels een eerste (en laatste) bezoek bracht aan Churchill, opperde hij het denkbeeld dat Engeland, zoals het in 1802 in de worsteling met Napoleon gedaan had, de strijd met Hitler zou onderbreken – hij bepleitte een ‘vrede van Amiens’. Churchill gromde wat, van Kleffens en Michiels waren ontzet, ‘zowel de ambassadeur’ (Michiels was in ’40 nog slechts gezant) ‘als ik hebben toen’, aldus later van Kleffens, ‘het gesprek ten spoedigste afgeleid op andere onderwerpen, maar het geheel maakte een allerakeligste indruk.’14 Stellig ook op Churchill die juist die dag in een van zijn indrukwekkendste toespraken in het Lagerhuis duidelijk zou maken dat Engeland tot elke prijs de oorlog zou voortzetten. Zo die niet al eerder gegeven waren, moeten toen wel instructies zijn uitgegaan naar MI-5, de Britse geheime veiligheidsdienst, om nadere gegevens te verzamelen over de leden van het Nederlandse kabinet welks voorzitter kennelijk niet beschouwd kon worden als een betrouwbaar bondgenoot in de strijd op leven en dood met het Derde Rijk.

Wilhelmina

In hoeverre de aarzelingen en twijfels waaraan verscheidene ministers in die eerste weken in Londen onderhevig waren, tot de koningin doordrongen, weten wij niet – zij zouden haar, zo stellen wij ons voor, allerminst verbaasd hebben. Zij had geen spoor van vertrouwen in de Geer gehad en zijn kabinet van meet af aan als een zwak geheel beschouwd. Wat zij nog in Den Haag vernomen had over de verwarring waarvan de beraadslagingen in de ministerraad in de dagen van 10 t.e.m. 13 mei getuigd hadden, had de ministers verder in haar achting doen dalen. Toen zij besloot, Den Haag te verlaten, had zij geen enkele behoefte gehad, het kabinet in te lichten, laat staan te raadplegen – zij had in Londen bij het opstellen van haar eerste proclamatie in van Kleffens een medestrijder gevonden, maar wij kunnen ons niet anders voorstellen dan dat zij er met gemengde gevoelens tegenover stond dat zich op 14 mei alle ministers in Londen bleken te bevinden. De Meidagen waren in haar visie een gericht geweest: gericht over een Nederland dat, zo zag zij het, vastgeroest was in zijn parlementair-democratische vormen – vormen waarin het onmachtig gebleken was, adequate aandacht te besteden aan wat zij van jongsaf als het belangrijkste punt van regeringsbeleid beschouwd had: ’s lands veiligheid. De oorlog, daaraan twijfelde zij niet, zou gewonnen worden – het zou een verjongd, een ‘vernieuwd’ Nederland moeten zijn dat uit die worsteling zou herrijzen. Eén was er slechts met wie zij daarover sprak: haar dochter, de kroonprinses. In haar optreden naar buiten handhaafde de koningin zorgvuldig de eenheid van de Kroon. ‘Noch mijn volk, noch mijn ministers hebben’, zo zei zij op 24 mei in een radiotoespraak tot Nederlands-Indië15, ‘ook maar een ogenblik geweifeld te doen wat onze plicht voorschreef’ (zij wist wel beter!). ‘Wij (volgen) een vaste lijn en een groot beginsel, de enige die een krachtig en zelfbewust volk passen en die meebrengen dat men zich tegen onrecht te weer stelt.’ Onrecht was het kenmerk geweest van de Nazistaat, onrecht de Duitse invasie die haar gescheiden had van haar volk en op 13 mei als balling doen belanden in Buckingham Palace.

Zij kon er de gastvrijheid niet lang verdragen. Begin juni nam zij haar intrek in een herenhuis op Eaton Square – het was haar spoedig te groot, te deftig, en zij had er geen contact met de natuur. In het zuidwesten van Londen, in Roehampton bij Richmond Park, vond zij, schreef zij in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen, ‘een optrekje met een tuintje. Het huis was net groot genoeg wanneer Bernhard mij kwam opzoeken. Voor meer personen dan Bernhard, mij en de persoon die mij begeleidde’ (haar lectrice, maar er woonde ook nog een Engelse detective), ‘was geen plaats.’16

Bernhard – niet haar dochter Juliana, niet haar kleindochters Beatrix en Irene: die drie hadden zich begin juni naar Canada begeven.

Op 20 mei had Franklin D. Roosevelt, president der Verenigde Staten, de koningin getelegrafeerd dat hij, als het tot een ‘inhuman bombing of England’ zou komen, bereid was, een Amerikaanse kruiser of een geconvooieerd Amerikaans vrachtschip naar Ierland te sturen teneinde de Nederlandse koninklijke familie op te halen.17 De koningin besloot, voorlopig in Londen te blijven. Dat was riskant. Het was zelfs niet ondenkbaar dat een situatie zou ontstaan waarin het gevaar bestond dat zij toch nog in Duitse handen zou vallen. De prudentie vergde in elk geval dat de kroonprinses met haar twee dochtertjes (bij wie de toekomst van het Oranjehuis en dus, zo zag de koningin het, ook die van Nederland berustte) in veiligheid gebracht werd. In Nederlands-Indië? Het gouvernement had gastvrijheid aangeboden, maar ook daar dreigden gevaren. Canada leek de beste keuze: aan gene zijde van de Atlantische Oceaan gelegen – en een land dat als lid van het Brits Gemenebest in oorlog was, waardoor het, zo meende de koningin, ‘alleen dààr zeker was dat zij’ (Juliana), mocht dat nodig zijn, ‘de koninklijke macht kon uitoefenen als in Nederland.’18 Hoe er heen te gaan? Er bestond uit Lissabon dat van Engeland uit per vliegtuig bereikbaar was, een verbinding per vliegboot naar de Verenigde Staten, maar de koningin beschouwde reizen per vliegtuig als onaanvaardbaar riskant. Per schip dus, en dan met een oorlogsschip, al had ook dat zijn risico’s. Een Nederlandse oorlogsbodem was beschikbaar: de oude kruiser ‘Sumatra’, die in de nacht van 10 op 11 mei Vlissingen verlaten had; hij zou geëscorteerd kunnen worden door de nieuwe kruiser ‘Jacob van Heemskerck’, die, zij het nog niet geheel afgebouwd, in diezelfde nacht van Amsterdam was weggekomen.

Het prinselijk gezin had na aankomst in Londen eerst enkele dagen ten huize van een van Michiels’ voorgangers in de Britse hoofdstad gewoond19 en vervolgens zijn intrek kunnen nemen in het buitenhuis van een Brits edelman, een relatie van Michiels. Toen eenmaal vaststond dat prinses Juliana en haar twee dochtertjes zouden vertrekken (prins Bernhard zou in Engeland blijven), werd eerst nog de doop van de in augustus ’39 geboren prinses Irene geregeld; de doopplechtigheid waarin ds. J. van Dorp, de predikant van de uit de zestiende eeuw daterende Nederlandse hervormde gemeente te Londen, voorging, vond op 31 mei in de kapel van Buckingham Palace plaats – de Engelse koninklijke familie, alle Nederlandse ministers en enkele vertegenwoordigers van de Nederlandse en Nederlands-Indische strijdkrachten waren er bij aanwezig; namens de marine trad admiraal Furstner als een der peetvaders op.

Furstner was het met wie de koningin in diep geheim de overtocht van het prinselijk gezin regelde. Uit veiligheidsoverwegingen wenste zij niet dat de ministers ingelicht zouden worden.20 De ‘Sumatra’ lag op dat moment in Milford Haven, een kleine oorlogshaven aan de uiterste zuidwestpunt van Wales – de ‘Jacob van Heemskerck’ kreeg opdracht, zich daar bij de ‘Sumatra’ te voegen. Gevechtskracht van enige betekenis had de ‘Heemskerck’ niet: de vuurleiding was nog niet aangebracht en van de kanons die dus in geval van nood slechts ongecoördineerd gebruikt zouden kunnen worden, had nog niet één ooit een granaat afgevuurd; goed bruikbaar waren eigenlijk alleen enkele mitrailleurs die in allerijl geïnstalleerd waren. De ‘Heemskerck’ had Amsterdam voorts met een veel te kleine bemanning verlaten, maar dat bood geen problemen: schepelingen van andere eenheden kregen order, de bemanning van de kruiser aan te vullen.

Op 2 juni arriveerde de ‘Heemskerck’ in Milford Haven. Tegen acht uur ’s avonds kwamen twee Engelse hofauto’s aanrijden en ging het prinselijk gezin aan boord van de ‘Sumatra’. Mèt prinses Juliana zouden haar vriendin M. Röell-del Court van Krimpen met haar dochtertje Renée, de verzorgster van de prinsesjes jonkvrouw S. Feith, een adjudant van de koningin in buitengewone dienst schout-bij-nacht b.d. C. baron de Vos van Steenwijk met zijn echtgenote, en drie veiligheidsfunctionarissen de grote oversteek wagen. Prins Bernhard ging om tien uur van boord en de ‘Sumatra’ en de ‘Heemskerck’ voeren weg, de ‘Heemskerck’ voorop in verband met mogelijk mijnengevaar. Furstner had bepaald dat de twee oorlogsbodems ‘om de zuid’, d.w.z. langs de Azoren, naar Canada zouden varen, maar die route werd door de commandant van de ‘Sumatra’ afgewezen: hij had er niet voldoende stookolie voor; de route ‘om de noord’ was, al bood zij door de aanwezigheid van Duitse U-Boote meer risico’s, de enig mogelijke. De overtocht, waarbij de Nederlandse schepen elkaar nog een dag of drie uit het oog verloren, duurde negen dagen. Eén keer was er alarm, ’s avonds laat; een van de veiligheidsfunctionarissen snelde met de nodige reddingsgordels naar de kajuit waar prinses Juliana zich met de dames Röell en Feith bevond; de aan de prinses toegevoegde marine-officier zat er pijprokend te lezen. ‘Uwe Koninklijke Hoogheid moet onmiddellijk een zwemvest aandoen’, zei de detective; op de officier wijzend, antwoordde de prinses: ‘Zolang meneer daar rustig zijn pijp blijft roken, trek ik geen zwemvest aan.’21 ‘De bemanning van de ‘Sumatra’ was’, zo vertelde de inmiddels koningin geworden prinses ons achttien jaar later, ‘allerliefst. De commandant speelde veel piano. Ik heb nooit zó van muziek genoten.’22

Daags na aankomst in de haven van Halifax ging de prinses met haar gezelschap van boord, maar niet dan nadat zij de équipages van de ‘Sumatra’ en de ‘Heemskerck’ kort toegesproken had. ‘Wij allen’, zei zij,

‘zullen doen wat wij kunnen voor het vaderland. Mijn moeder waakt er voor als een leeuw en is onvermoeibaar. Ook mijn man is waakzaam in haar omgeving achtergebleven. Tenslotte wens ik u allen een voorspoedige verdere reis en later een gelukkige hereniging met de uwen. Wij weten wat wij aan elkaar hebben in dienst van het vaderland dat wij zullen herstellen, vernieuwen en verjongen’23

dat was op dat moment niet meer dan verre toekomstmuziek.

Eerste wetsbesluiten

In de op 14 mei uitgegeven proclamatie stond te lezen dat besloten was, ‘de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland voor zolang als onvermijdelijk … De regering bevindt zich thans in Engeland.’

Mocht zij, nadat zij zich daar tijdelijk gevestigd had, nog als de wettige Nederlandse regering beschouwd worden of had zij die status verloren doordat de Grondwet in artikel 21 bepaalde: ‘In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst’? Van NSB-zijde werd in ’40, en ook wel later, herhaaldelijk op dat artikel gewezen, ten onrechte overigens. Bij de grondwetsherziening van ’22 was in het overleg tussen de regering en de Eerste Kamer de vraag aan de orde gesteld of men artikel 21 niet behoorde te wijzigen en voor die vraag was toen ook reden omdat zich in de eerste wereldoorlog (’14–’18) een geval voorgedaan had waarbij een regering het nationaal territoir verlaten had en desondanks haar bevoegdheden was blijven uitoefenen: de Belgische die zich in Le Havre gevestigd had, aan de mond van de Seine. In ’22 had de Nederlandse regering betoogd dat zij tegenstandster was van wijziging van artikel 21: de Grondwet, aldus haar redenering, gold slechts voor ‘normale’ omstandigheden en in geval van nood zou men van tal van artikelen, niet slechts van artikel 21, moeten afwijken. Dat was door de Eerste Kamer aanvaard en de Tweede Kamer die van de gehele gedachtenwisseling had kennisgenomen, had terzake geen nadere opmerkingen gemaakt. Er was, anders gezegd, in Londen geen enkele staatsrechtelijke reden voor de voltallig aanwezige regering om zich niet als de wettige Nederlandse regering te beschouwen.

De noodsituatie waarin zij zich bevond, maakte het haar onmogelijk, regelingen (‘wetten’) af te kondigen met de door de Grondwet voorgeschreven medewerking van de Raad van State en de Staten-Generaal; van de Raad van State bevond zich slechts de vice-voorzitter in Engeland, Beelaerts24, en van alle Kamerleden was slechts één er in geslaagd, Engeland te bereiken: mr. Th.F.M. Schaepman, lid van de Tweede Kamer voor de Rooms-Katholieke Staatspartij, die in mei ’40, komend uit Brazilië, van Lissabon uit naar Parijs was gereisd en vandaar met een diplomatiek paspoort in Bordeaux een schip had kunnen vinden dat hem naar Glasgow had gebracht. Welke vorm moesten die regelingen dan krijgen, nu Raad van State en Staten-Generaal uitgeschakeld waren? De Belgische regering had in ’14–’18 in haar ballingschap die regelingen de vorm gegeven van ‘wetsbesluiten’: besluiten die door de koning ondertekend en door een of meer ministers gecontrasigneerd waren – ‘koninklijke besluiten’ dus, maar de Belgische regering had die term willen vermijden aangezien de bedoelde regelingen betrekking hadden op onderwerpen die in normale omstandigheden bij de wet en juist niet bij koninklijk besluit geregeld plachten te worden. Of dit Belgische voorbeeld in mei ’40 een rol gespeeld heeft, weten wij niet – in elk geval koos de regering voor de door haar af te kondigen algemene regelingen de term ‘koninklijk besluit’.25 Zij besloot wèl, duidelijk te doen uitkomen dat het hier ‘oneigenlijke’ koninklijke besluiten betrof: zij zouden een aparte serie gaan vormen, per jaar aan te geven met een letter (in ’40 de letter A). Die besluiten zouden officieel gepubliceerd worden in een Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, eventueel ook in een Nederlandse Staatscourant, die beide in Londen zouden verschijnen. Wij zullen nu verder in onze tekst al deze ‘oneigenlijke’ koninklijke besluiten aanduiden met de term ‘besluit’ en dan òf de serieletter en het nummer binnen de serie vermelden of de term ietwat uitbreiden zodat de behandelde materie meteen duidelijk wordt (bijvoorbeeld: het Vaarplichtbesluit).

A 1, het eerste wetsbesluit, werd op 24 mei, tien dagen dus na de vestiging der regering te Londen, afgekondigd. Het had de strekking, het Duitsland onmogelijk te maken, in neutrale landen te beschikken over Nederlandse eigendommen. In de eerste wereldoorlog was het wel voorgekomen dat door Duitse particulieren of firma’s of, in bezet België en onder Duitse druk, door Belgische particulieren of firma’s eigendommen in Frankrijk of Engeland (eigendommen dus welke voor Duitsland onbereikbaar waren) verkocht waren aan Zwitserse banken die als bemiddelende instanties fungeerden, waarna de Duitse regering de bedoelde eigendommen of althans hun tegenwaarde voor haar oorlogvoering had kunnen gebruiken, In mei ’40 was de reële waarde van de bedragen welke Nederlanders in de Verenigde Staten belegd hadden, vermoedelijk ca. ƒ 2½ miljard (ca. 8% van het nationaal vermogen) – als de bezetter de Nederlandse beleggers nu dwong, die eigendommen aan een Duitse bankinstelling te verkopen, dan bestond het gevaar dat Duitsland in Amerika de beschikking zou krijgen over die ƒ 2½ miljard die bijvoorbeeld in Zwitserland gerealiseerd kon worden.

Bestond dat gevaar niet ook voor het goud van de Nederlandse Bank?

De Nederlandse Bank was er in augustus ’38 mee begonnen, haar goudvoorraad naar Engeland en Amerika over te brengen; van de totale voorraad ter waarde van ƒ 1235 mln lag eind maart ’40 ƒ 750 mln in Londen en New York. Tijdens de Meidagen werd voor nog eens ƒ 166 mln aan goud uit Amsterdam naar Engeland overgebracht, maar toen was een klein gedeelte van de eerder overgebrachte ƒ 750 mln verkocht. De waarde van het goud van de bank dat zich na de Meidagen in Engeland en Amerika bevond (in Engeland bij de Bank of England, in Amerika bij de Federal Reserve Bank te New York), was ƒ 887 mln. Wel te verstaan: voor de Nederlandse regering was, leek het, dat goud onbereikbaar, want de president van de bank, mr. L.J.A. Trip, had op 12 en 13 mei geweigerd, persoonlijk het kabinet naar Engeland te vergezellen dan wel een directeur met tekenbevoegdheid met het kabinet mee te sturen – wèl had Trip een ambtenaar van de afdeling buitenland, mr. A.W.R. baron Mackay, schriftelijk opdracht gegeven naar Londen te gaan (Mackay kon op de ‘Windsor’ meevaren die negen ministers naar Engeland bracht), maar deze bezat geen tekenbevoegdheid. Nog op 14 mei had Michiels, die in telefonisch contact met Den Haag stond, Trip laten smeken, het goud van de Nederlandse Bank op de regering over te schrijven, maar Trip had geweigerd: dat goud, aldus zijn standpunt, was eigendom van de aandeelhouders van de bank, niet van de Staat der Nederlanden – een mening die volledig door de Geer onderschreven werd. En als Trip nu eens in bezet gebied gedwongen werd, zijn handtekening te plaatsen onder een overeenkomst waarbij het in Amerika liggende goud van de Nederlandse Bank aan de Reichsbank verkocht werd? Dan zou, zo meenden verscheidene ministers, zo meende vooral Gerbrandy, de Reichsbank in staat zijn, het goud tegen Zwitserse franken te verkopen waarna Duitsland zich met die franken in neutrale landen als Zwitserland en Zweden goederen zou kunnen aanschaffen voor zijn oorlogvoering. Nu was dit gevaar, wat de Nederlandse eigendommen in de Verenigde Staten betrof, volstrekt denkbeeldig, want nog op de 10de mei ’40 had de Amerikaanse regering alle waarden die Nederlanders bij Amerikaanse banken gedeponeerd hadden, bevroren, maar dat feit was in Londen nog onbekend toen Gerbrandy’s secretaris-generaal, van Angeren, zich er aan zette, een wetsbesluit te formuleren dat het Duitsland onmogelijk moest maken, buiten bezet Nederland over realiseerbare Nederlandse waarden te beschikken.

Al die waarden werden, tenzij zij toebehoorden aan buiten bezet Nederland verblijvende of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen, krachtens A 1 ‘eigendom’ van de Staat der Nederlanden, die dat ‘eigendomsrecht’ evenwel alleen zou uitoefenen ‘tot bewaring van de rechten der voormalige eigenaren’: de nieuwe eigenaar, de staat, zou die eigendommen dus niet verkopen of belenen, maar ze alleen bewaren, en hij zou ze drie maanden ‘nadat de tegenwoordige, buitengewone omstandigheden … zullen zijn geëindigd’, aan de oorspronkelijke eigenaren teruggeven.

Toen van Angeren zijn concept voor A 1 klaar had, rezen er moeilijkheden: de Geer, minister van financiën, die ijverig aan de discussies deelgenomen had, weigerde opeens het besluit te contrasigneren, ‘hij had het er’, aldus later Steenberghe, ‘voortdurend over, dat wij ons de beschikking aanmatigden over eigendommen van derden.’26 Dat was één argument, maar er was ook nog een tweede, aldus door Albarda genotuleerd: ‘Hij’ (de Geer) ‘zou het voor zijn persoon niet verantwoord achten, mede te werken aan economische oorlog tegen Nederland.’27 Notabene: de nieuwe regeling lag primair in het financiële vlak en nu weigerde de minister van financiën zijn handtekening! Opdat dat niet te veel zou opvallen, werd besloten dat ook de minister van handel, nijverheid en scheepvaart, Steenberghe, niet zou tekenen en dat slechts drie ministers dat wèl zouden doen: Gerbrandy (justitie), van Kleffens (buitenlandse zaken) en Welter (koloniën). Van Angeren begaf zich met de door hen gecontrasigneerde en door de koningin gesigneerde tekst naar de befaamde Londense drukkerij van Waterlow & Sons Ltd. – hij moest er, verhaalde hij, ‘naast de zetter’ (die geen woord Nederlands kende) ‘gaan zitten om iedere letter voor te lezen en dan na te gaan of het goed was.’28 De typografie van het Staatsblad kon hij overnemen van een uit april daterend exemplaar dat een van de Nederlandse reders bij zich had omdat er de belangrijke wet op de zetelverplaatsingen van ondernemingen in opgenomen was. De typografie van de Staatscourant (in het tweede nummer verscheen de tekst van A 1 in Engelse vertaling) bood weer andere problemen, maar hier bracht de zoon van de uit Nederland ontsnapte journalist dr. M. van Blankenstein, mr. H. van Blankenstein, uitkomst: hij was in april hoofdcommies geworden bij Steenberghe’s departement, een vriend had hem toen een exemplaar aangeboden van de Staatscourant waarin zijn aanstellingsbesluit stond, en dat exemplaar had hij toevallig nog bij zich toen hij op 14 mei IJmuiden verliet.29

A 1 was een maatregel die zich tegen Duitsland richtte maar waar de Nederlandse regering zelf overigens geen voordeel aan kon ontlenen. Een tweede maatregel die in hetzelfde vlak lag, volgde twee weken later (7 juni): het omvangrijke en gecompliceerde Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd (A 6).30 Deze materie had men vóór 10 mei ’40 bij de wet willen regelen; het betrokken wetsontwerp was toen nog niet aan de Staten-Generaal voorgelegd maar wèl al om advies toegezonden aan de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en de gouverneurs van de Antillen en Suriname. Het ontwerp werd uit Batavia (Djakarta) per luchtpost naar Londen gezonden. Aangepast aan de nieuwe omstandigheden verscheen het als Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd. Het bepaalde dat geen rechtsverkeer (dat sloot dus ook het gehele economische verkeer in) gepermitteerd zou zijn tussen Nederlandse personen, instellingen, firma’s enz. en personen, instellingen, firma’s enz. in ‘vijandelijk rechtsgebied en door de vijand bezet gebied’ (vooreerst was dit dus slechts Duits rechtsgebied en door Duitsland bezet gebied) dan wel met in neutrale landen gevestigde ‘vijandelijke onderdanen’ (dat konden ook rechtspersonen zijn zoals firma’s), behoudens verlof van een door de regering in te stellen commissie: de Commissie rechtsverkeer in oorlogstijd, afgekort de Corvo. Er kwamen drie van die commissies: één in Londen, één in Batavia, één in Willemstad (op Curaçao). In Londen kwam die commissie onder Justitie te ressorteren (Gerbrandy had met van Kleffens, Steenberghe en Welter A 6 gecontrasigneerd), van Rhijn, minister van landbouw en visserij wiens departementale taak vrijwel was weggevallen, werd er voorzitter van; leden werden drie hoofdambtenaren, voorts een van de leden van de raad van beheer van het Unilever-concern, mr. J.L. Polak, en het liberale oud-lid van de Tweede Kamer, mr. G.A. Boon, die, zoals wij al in deel 3 verhaalden, tijdens de Meidagen uit Hellevoetsluis naar Engeland had kunnen oversteken; hij vertrok evenwel spoedig via Portugal naar Canada.

Op de werkzaamheden die uit de besluiten A 1 en A 6 voortgevloeid zijn, komen wij in hoofdstuk 6 terug – hier willen wij ons beperken tot twee opmerkingen.

De eerste is dat in mei en juni ’40 geenszins vaststond dat A 6 in de neutrale staten erkend zou worden: de Nederlandse regering kon het een in Zwitserland gevestigde Nederlandse zakenman wel verbieden, handel te drijven met Duitsland of met een Duitse firma in Zwitserland behoudens verlof van de Corvo-Londen (een verlof dat niet verleend zou worden), maar zij kon aan dat verbod alleen kracht bijzetten indien de Zwitserse overheid bereid was te erkennen dat die in Zwitserland gevestigde Nederlander onder A 6 viel, en dienovereenkomstig te handelen. Krachtens de ontwerp-wet rechtsverkeer in oorlogstijd had men overtreders willen straffen, maar die strafbepalingen waren uit A 6 geschrapt, vermoedelijk omdat de regering toen nog het standpunt huldigde (zij heeft dat later verlaten) dat, aldus mr. W.G. Belinfante, een van de twee adjudant-secretarissen van de Corvo-Londen, ‘het staatsnoodrecht niet toeliet, straffen op te leggen bij een koninklijk besluit.’31 De regering zou overigens in een land als Zwitserland die straffen niet hebben kunnen executeren – desniettemin had, meent Belinfante, van handhaving der strafbepalingen een zeker afschrikwekkend effect kunnen uitgaan.


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 1 november 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 5,99