Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Paleis Noordeinde
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1 – dr. L. de Jong
Op vrijdag 7 juli 1939 was het acht dagen geleden dat Nederland in een kabinetscrisis was gestort. Colijn had het ontslag van zijn vierde ministerie aangeboden. Jarenlang had hem, dominerende figuur in de binnenlandse politiek, als ideaal voor ogen gestaan dat de rijksbegroting in evenwicht zou zijn; voor 1941 achtte hij dat mogelijk; in 1940 moest een eerste stap in die richting gezet worden: het eindcijfer van de begroting waarover de ministers in voorafgaande besprekingen in beginsel overeenstemming bereikt hadden, moest alsnog met ƒ 37 miljoen verlaagd worden, voor de werkloosheidszorg – het land telde op dat moment meer dan een kwart miljoen werklozen – ƒ 15 miljoen minder uitgetrokken. Voorziende dat de oplossing van een kabinetscrisis ‘ongekend moeilijk’ zou zijn, had Colijn, zo schreef hij de Koningin, zijn ‘financiële consciëntie tot het uiterste uitgerekt’.1 Die elastische tour de force had hem niet gebaat: Romme, de katholieke minister van sociale zaken, had geweigerd, de annulering van zijn plannen, strekkende speciaal tot het opvangen van de jeugdwerkloosheid, te aanvaarden en de drie andere ministers die in het kabinet de Rooms-Katholieke Staatspartij, sterkste partij des lands, vertegenwoordigden – Goseling, Steenberghe, Welter – hadden zich met hun ambtgenoot solidair verklaard, Welter min of meer weerstrevend. Op 24 juni had hij de Koningin in haar buitenverblijf bij Scheveningen, ‘De Ruygenhoek’, opgezocht en haar het denkbeeld voorgelegd, dat zij met een beroep op eendracht het kabinet zou redden. De Koningin had geweigerd. ‘De heren moeten het zelf maar uitvechten’, had zij gezegd.2 Welnu – het gevecht was geleverd: de breuk was een feit geworden. Op 29 juni hadden de ministers hun portefeuilles ter beschikking gesteld. Daags daarna had Colijn opdracht gekregen, een nieuw kabinet te vormen.
Vasthoudend aan zijn bezuinigingsplannen, had de anti-revolutionaire leider gepoogd, dat nieuwe kabinet op breder basis tot stand te brengen. Op advies van de vrijzinnig-democratische voorman, mr. Oud, sinds kort burgemeester van Rotterdam, had hij op 5 juli de voorzitters van de fracties der zes grote democratische partijen – rooms-katholieken, anti-revolutionairen, christelijk-historischen, liberalen, vrijzinnig-democraten en sociaal-democraten – bijeengeroepen. Zijn concept-program had, zoals te verwachten was, onvoldoende instemming verworven.3 Daarmee stond de mislukking van zijn formatiepoging vast.
Vast, ook voor de Koningin. Het benauwend perspectief dat Nederland in weken waarin over het lot van Europa beslist zou worden, bestuurd zou worden door een demissionair, en dus zwak, kabinet, deed haar tot een ongewone stap besluiten. Voor de avond van 7 juli belegde zij een besloten bijeenkomst in het Paleis Noordeinde waartoe, behalve de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, mr. W.L. baron de Vos van Steenwijk en mr. J.R.H. van Schaik, ook de vice-voorzitter van de Raad van State, jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, en een van de zes Ministers van Staat, mr. D. Fock, uitgenodigd werden, de laatste vermoedelijk omdat in zijn persoon de liberalen vertegenwoordigd zouden zijn. De Koningin had voor hen een verrassing in petto: de vier staatslieden zouden over de militaire eisen van het ogenblik rechtstreeks voorlichting krijgen van de chef van de generale staf, luitenant-generaal Reynders, en de chef van de marine-staf, vice-admiraal Furstner. Die voorlichting zou nog op zich laten wachten.
Onder de vier die op die avond in het voorgeschreven rokcostuum van 8 uur af aan het beraad met de Koningin zouden deelnemen – de vijfde geïnviteerde, jhr. mr. G.C.W. van Tets van Goudriaan, een slanke en hoofse edelman, al achttien jaar directeur van het Kabinet der Koningin, zou slechts de notulen maken – was mr. van Schaik, zeven-en-vijftig jaar oud, de Benjamin. In 1917 gekozen tot lid van de Tweede Kamer, was hij er spoedig de leider geworden van wat men de ‘linkervleugel’ van de Rooms-Katholieke Staatspartij was gaan noemen. Zijn stem en die van enkele gelijkgezinden hadden de doorslag gegeven toen in 1923 de Vlootwet met de kleinst-mogelijke meerderheid (49 stemmen voor, 50 tegen) verworpen werd. In ’29 was hij voorzitter van de Tweede Kamer geworden; na vier jaar als minister van justitie te zijn opgetreden – zijn beleid zal nog ter sprake komen –, had hij in ’37 dat voorzitterschap opnieuw aanvaard.
Fock was van de vier de oudste: hij was een-en-tachtig. Al vóór de eerste wereldoorlog was hij minister van koloniën en gouverneur van Suriname geweest. Vier jaar na zijn verkiezing als lid van de Tweede Kamer, was hij in 1917 Kamervoorzitter geworden. Onder de liberalen behoorde hij tot de meest conservatieven. Misschien had hij dat nooit zo dramatisch gedemonstreerd als op die 4de april 1919 toen hij tot ieders verbazing van zijn voorzitterszetel was afgedaald om als Kamerlid de staf te breken over het beleid van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, van Limburg Stirum, die nog geen vijf maanden tevoren aangekondigd had, de pas-opgerichte Volksraad te willen maken ‘tot een integrerend deel van de regering, met daadwerkelijke medezeggenschap in en controle op het bestuur’ – ‘verwarring stichtende fantasieën’, aldus Fock.4 Als opvolger van van Limburg Stirum had hij de lijn van diens beleid schielijk omgebogen. Daarna was hij nog zes jaar, van ’29 tot ’35, lid van de Eerste Kamer geweest.
Toen hij daar in de oude vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof zijn intrede deed, zat mr. W.L. baron de Vos van Steenwijk op het gestoelte van de voorzitter: een Overijsels edelman van strakke christelijk-historische beginselen bij wie in lange jaren van werkzaamheid bij de Raad van State en als lid van de Eerste Kamer (van 1913 af) een toenemende weerzin gegroeid was tegen de parlementaire democratie zoals die, meende hij, aan de overzijde van het Binnenhof bedreven werd. Al in ’22 had hij van zijn voorzitterszetel af de kiezers beklaagd, ‘geknecht’ als zij waren door ‘de partijbonzen, de partijtirannen en hun satellieten, naar wier pijpen zij bij de stembus mogen dansen. Onder de mom van democratie is de autocratie van enkele partijbazen ontstaan.’5 Voor Colijn koesterde de Vos van Steenwijk een diepe verering; wellicht werd zij slechts overtroffen door zijn verering voor de vorstin. ‘De Natie’, zo zou hij kort voor de Duitse inval aan zijn ambtgenoot van de Tweede Kamer schrijven, ‘heeft genoeg aan de Kroon; mits terzijde gestaan door enkele eerste rangs lieden.’6 Weinig verzoend met de geest des tijds zou hij drie dagen na de bijeenkomst in het Paleis Noordeinde zijn tachtigste verjaardag vieren.
De vice-voorzitter van de Raad van State, jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, was die 7de juli in zijn acht-en-zestigste levensjaar. In een lange loopbaan, hoofdzakelijk doorgebracht in dienst van Buitenlandse Zaken, was hij onder meer gezant geweest in Peking. Zes jaar lang, van ’27 tot ’33, had hij de portefeuille van buitenlandse zaken beheerd. In laatstgenoemd jaar was hij vice-voorzitter van de Raad van State geworden en als zodanig eerste constitutioneel adviseur van de Koningin: een man, ervaren en schrander, maar met iets van die tot cynisme neigende gedesinteresseerdheid die men bij diegenen die krachtens hun functie de internationale en nationale politiek moeten volgen op posten die weinig mogelijkheden bieden tot direct ingrijpen, vaker aantreft.
Vaker. Niet altijd. Want bij koningin Wilhelmina wier mogelijkheden tot direct ingrijpen zeker niet ruimer waren, was van geen gedesinteresseerdheid sprake. Zij was verontrust en ongeduldig. Als eerste die avond het woord nemend, gewaagde zij al aanstonds van ‘de zo uitermate zorgelijke internationale toestand.’ ‘Ik mag niet langer lijdelijk toezien, dat het vaderland aan partijoverwegingen ten offer zou vallen, en het is op grond hiervan dat ik U hedenavond om mij heen heb vergaderd teneinde de weg te vinden die Nederland voor dreigende onheilen behoede.’ ‘Eerste plicht der regering’ zou het zijn, ‘onze in het verleden teveel verwaarloosde defensieve kracht te versterken.’ Waarna de Koningin, uitgesproken hebbend wat zij persoonlijk op schrift gesteld had, de leiding der verdere besprekingen aan baron de Vos van Steenwijk overdroeg: de Eerste Kamer prevaleerde boven de Tweede, ook hier. Zij bleef luisteren.
De Vos van Steenwijk bedankte. Fock nam het woord. Hem was het ontstaan van de kabinetscrisis niet duidelijk. Kon er niet het best een zakenministerie komen? De liberalen waren in elk geval bereid, voor de defensie alle medewerking te verlenen. Van Schaik, enige sympathisant in dit gezelschap met de vier katholieke ministers die Colijns bezuinigingsvoorstel afgewezen hadden, trok fors van leer: ‘Het aantasten van de zorg voor de werkloosheid zou op het volk een zeer slechte indruk maken’, betoogde hij; zo dacht ook ‘de grote meerderheid in de Kamer’ – het zou luttele weken later bij de val van het vijfde kabinet-Colijn blijken. ‘Kamers en volk beiden’, aldus van Schaik, ‘zullen de grote uitgaven voor de defensie bereidwillig toestaan, mits ook voor de werklozen wordt gezorgd.’
Maar wil, vroeg Beelaerts, Colijn de werklozenzorg wel in het hart treffen? Was niet zijn enig streven, tegen te gaan dat lichtzinnig met geld zou worden omgesprongen? De Vos van Steenwijk viel hem bij. Zo ook Fock: wat wilde Colijn meer dan ‘onnodige organisaties’ opheffen, ‘bijvoorbeeld bij de bestrijding der jeugdwerkloosheid’?
Neen, zei van Schaik, men heeft ‘de zaak zelf willen aantasten en hij zou daarom ook de heer Romme wel eens willen horen.’ Er was geen sprake van dat royaal met geld omgesprongen werd (De Vos van Steenwijk: ‘De pers staat er vol van!’) en zo er al van verspilling sprake was, ging van Schaik strijdlustig verder, dan kwam die ook bij defensie voor.
Beelaerts, oud-minister van buitenlandse zaken tenslotte, gooide het over een andere boeg: de internationale toestand was bedenkelijk. Hij wees er op, ‘dat een ontknoping reeds in augustus mogelijk wordt geacht.’ ‘De heer van Schaik’ (kennelijk geprikkeld en zeker ad rem) ‘vraagt tot wie de heer Beelaerts zich eigenlijk richt. Hij is het er namelijk geheel mee eens, de Kamer ook en de Rooms-Katholieke partij eveneens.’ Beelaerts retireerde: ‘hij had er slechts op willen wijzen dat men bij het oplossen van de moeilijkheden van de crisis ook dit punt vooral niet uit het oog moest verliezen.’ Een scherpe woordenwisseling tussen van Schaik en de Vos van Steenwijk, waarbij de laatste de eerste gebrek aan staatsmansmoed verweet (men moest terwille van de defensie durven bezuinigen ook ten koste van de werkloosheidszorg), bracht de Koningin tot ingrijpen: konden de heren de crisis niet mede van buitenlands standpunt bezien? Het geschiedde.
Men was het er over eens dat onvermogen een regering te vormen, een deplorabele indruk zou maken. De gedachten zweefden vijf-en-twintig jaar terug, naar 1914, toen het land elk ogenblik in de eerste wereldoorlog betrokken had kunnen worden. ‘Hare Majesteit de Koningin herinnert zich hoe die eendracht in 1914 een feit was. Kunnen wij die niet weer tot stand brengen?’
Allen hielden het voor wenselijk. Maar hoe? De Vos van Steenwijk besteeg twee stokpaardjes achter elkaar: de evenredige vertegenwoordiging deugde niet en de geest van het volk moest veranderd worden; dat laatste vraagstuk achtte hij overigens ‘onoplosbaar’. Zijn defaitisme sprak de Koningin niet aan: men moest het nu reeds eens worden. Moest zij wellicht rechtstreeks het volk tot eendracht oproepen? De Vos van Steenwijk, van Schaik en Fock gaven op die vraag geen duidelijk antwoord, Beelaerts wel: hij achtte er het moment niet voor gekomen.
Weer kwam men op de kabinetscrisis. Van Schaik besprak alle mogelijke oplossingen, daarbij opmerkend dat het hem aanbevelenswaardig leek, de sociaal-democraten niet in de regering te betrekken. De Vos van Steenwijk zag ‘de grote moeilijkheid’ in ‘het vinden van een leider’.
‘De heer Fock: Een leider buiten de politieke partijen.’
‘Hare Majesteit de Koningin vraagt of hij er een weet.’
‘De heer Fock noemt, na even gedacht te hebben, de heer de Jonge’ – daarmee doelend op jhr. mr. B.C. de Jonge die vier jaar eerder als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, door ir. Mussert te ontvangen tijdens diens bezoek overzee, de schijn gewekt had, te sympathiseren met althans enkele van de beginselen van de NSB. Povere suggestie van de heer Fock! Van Schaik deed een andere: de Geer, voorzitter van de christelijk-historische Tweede Kamerfractie, eenmaal reeds minister-president in de jaren twintig: ‘Zou hij de verschillende standpunten niet kunnen verzoenen? Hij bezit daartoe een groot talent.’ Maar de Vos van Steenwijk twijfelde: wist de Geer wel genoeg af van buitenlandse politiek? ‘Men moet roeien met de riemen die men heeft’, verzuchtte van Schaik, weinig bevroedend dat deze riemen tien maanden en drie dagen later zouden versplinteren in de storm die op 10 mei ’40 zou opsteken. Fock kwam op Colijn terug: kon hij geen kabinet vormen buiten de partijen om? Men was het eens over Colijns bekwaamheid; maar zou zijn program kans van slagen hebben? Het mislukken van het beraad dat hij twee dagen tevoren, op 5 juli, met zes fractievoorzitters gevoerd had, wierp een donkere schaduw over de bespreking in het Paleis Noordeinde.
Twee uur heeft ze geduurd – en bitter weinig heeft ze opgeleverd –, wanneer de Koningin voorstelt, naar luitenant-generaal Reynders en vice-admiraal Furstner te luisteren. De twee hoge militairen komen binnen; hun bezorgdheden zijn de Koningin allerminst onbekend. ‘Deelt U mede wat U naar voren wenst te brengen,’ zegt zij. ‘Ik laat het geheel aan U over’ – en generaal Reynders steekt van wal.7 Hij spreekt een uur lang: over de problemen en moeilijkheden van de grensverdediging; over de dienstplichtwet; over de wenselijkheid, de lichting tot 42.000 man en de oefentijd tot anderhalf jaar uit te breiden; over de noodzaak, een groot aantal militaire bestellingen zo snel mogelijk te plaatsen: lichte veldhouwitsers moeten zonder verwijl aangeschaft worden. Hij eindigt met de vraag te stellen of hij duidelijk genoeg geweest is.
De Koningin antwoordt: ‘Voor mij is het zeer duidelijk geweest.’ Een bitse formulering, een korte zin: zeven woorden slechts. Kreeg het tweede een vleugje nadruk? Er was reden voor.
Na Reynders Furstner. De admiraal spreekt in hoofdzaak over zijn geliefkoosd slagkruiserplan. Er moeten er drie aan de Koninklijke Marine toegevoegd worden. De veiligheid van Nederlands-Indië is nu maar voor 30 procent gegarandeerd; drie slagkruisers zullen dat percentage tot 80 doen stijgen. Ze zullen elk Japans convooi in elkaar kunnen schieten; ze zullen, betoogt de admiraal, door hun grotere snelheid de zwaardere Japanse slagschepen kunnen ontwijken. Na de bijeenkomst had generaal Reynders de bodem onder het optimistisch betoog weggetrokken door de admiraal te vragen hoe de lichtere slagkruisers ooit zouden kunnen doordringen tot convooien die door de zwaardere slagschepen gedekt werden; tijdens de bijeenkomst had hij die snedige vraag ‘natuurlijk’ niet gesteld.
Er bleek ook niet van andere vragen. Het was ook wel laat geworden: kwart over twaalf. Beelaerts – het was Reynders die toen zweeg, niet ontgaan – had onder het betoog van de admiraal al zitten ‘knikkebollen’.
Toen men het Paleis Noordeinde verliet, was de 8ste juli aangebroken.
Die dag legde Colijn zijn opdracht neer.
Overgang
Het begin van een geschiedverhaal is steeds willekeurig. Men ‘neemt de draad op’ – maar die draad is continu: hij verliest zich aan de ene kant in het verleden dat aan de beschreven gebeurtenissen voorafgaat, aan de andere in de toekomst die op die gebeurtenissen volgt. Wanneer wij hier aan de aanvang de lezer meegenomen hebben achter de gesloten deuren van het Paleis Noordeinde, dan geschiedde dat vooral hierom omdat men aan de gedachtenwisseling van koningin Wilhelmina met enkele van haar bejaarde of zelfs hoogbejaarde adviseurs zekere symbolische waarde niet ontzeggen kan. Allen die op die avond van de 7e juli 1939 – en wij mogen hier in ruimere zin wel van de vooravond van de tweede wereldoorlog spreken – het woord voerden, waren in de negentiende eeuw geboren. In een wereld die nog van geen telefoon, electrisch licht of auto weet had, hadden twee hunner als jeugdige knapen het gerucht van de Frans-Duitse oorlog van 1870–71 vernomen. Fock en de Vos van Steenwijk, van Schaik en Beelaerts van Blokland – zij spraken niet voor zichzelf alleen, geestelijke vertegenwoordigers als zij waren van groepen en maatschappelijke klassen die in vroegere generaties van hun volk, het Nederlandse, een bepaalde identiteit en signatuur gekregen hadden. Welke? Beantwoording van die vraag vergt een terugblik in de geschiedenis.
Maar dat geldt, en over de volle breedte, voor het gehele onderwerp van het werk dat wij, ruim twintig jaar na het einde van die worsteling, ons voorstellen te schrijven. Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog: strijd en lijden van een, vergeleken met andere, weinig talrijk volk, hoezeer ook uitgezwermd over de wereldzeeën; lotgeval van een staatsverband van, zelfs met andere vergeleken, aanzienlijke afmetingen, gelegen als het was in drie continenten. Wanneer wij trachten willen, de hoofdlijnen vasthoudend, juist de details uit die zes bewogen jaren te doen uitkomen, dan gaat het ons om meer dan dat onderwerp alleen. In moeilijkheden tonen volkeren, als mensen, het zuiverst wat zij waard zijn. En waarlijk: de Duitse bezetting van Nederland en de Japanse van Nederlands-Indië vormden een heel wat zwaarder beproeving dan de Franse van een kleine anderhalve eeuw eerder. Het lotgeval van het Nederlandse volk in de tweede wereldoorlog beschrijvend, willen wij tegelijk in gepaste geschakeerdheid vastleggen welk stadium van ontwikkeling die gemeenschap tegen het midden van de twintigste eeuw bereikt had. Want hoeveel delen wij ook op dit eerste zullen laten volgen, tezamen zullen zij, en willen zij, niet meer vormen dan een hoofdstuk uit Nederlands geschiedenis – maar een hoofdstuk van, zo werd het althans door de tijdgenoot, en ook door deze tijdgenoot beschouwd, bijzondere betekenis.
Wil dat hoofdstuk meer zijn dan een oppervlakkig relaas van curieuze gebeurtenissen, dan dient het in verband gebracht te worden met wat voorafging; anders gezegd: uit dat verleden begrepen te worden. Dat vergt distantie. Wij zijn geneigd, de spanne tijds die ons als schrijver van de beschreven gebeurtenissen scheidt, in veel opzichten heilzaam te achten: lang genoeg om los te komen van al te persoonlijke emoties en vooroordelen, lang genoeg voor de noodzakelijke verdieping in het in overstelpende hoeveelheden bewaard gebleven bronnenmateriaal – maar niet zo lang dat geen contact meer mogelijk was met historische hoofdfiguren, niet zo lang dat de heugenis aan de atmosfeer van die jaren verbleekt was. Dat het beeld dat wij gaan vastleggen, niettemin slechts relatieve geldigheid heeft – daarvan zijn wij ons bewust. De geschiedenis kan op het moment dat zij ontstaat, door niemand overzien worden, ten volle ook later door niemand. De mens is essentieel beperkt. En ook de historicus die tijdens zijn onderzoek een door de tijdgenoot als verwarrend en verrassend ondergane chaos van gebeurtenissen ziet stollen in vaste vormen, weet zich aan die beperktheid niet ontheven, gebonden als hij was, en is, aan de grenzen die aard, tijd en plaats aan zijn eerst onderzoekende, dan uitbeeldende geest gesteld hebben. Historische werken, hoe verantwoord ook van aanpak, hoe helder ook van constructie, hoe meeslepend ook van beschrijving, kunnen in hun onvermijdelijke onvolmaaktheid nooit meer zijn dan bijdrage tot een geschiedschrijving die Geyl terecht als ‘discussie zonder eind’ karakteriseerde. Latere generaties zullen aan de hier beschreven jaren 1939–1945 vragen stellen die wij thans niet eens kunnen bevroeden, en hoezeer hij die de daden van anderen beschrijft, zich ook los schijnt te maken van zijn eigen persoon, de werkelijkheid is anders: het is de geest van één vorsende mens die, zich toetsend aan anderen, het verleden herschept in de verbanden die hem zinvol voorkwamen.
Herschept, met – en ondanks – het nuchter en zakelijk besef dat zo vermetel pogen onvolkomen moet blijven. Men neme dit besef voor wat het is: vrucht van bezinning op het proces der geschiedbeoefening, waarbij de geschiedenis der mensen als object van onderzoek even onbegrensd blijkt als het heelal. Wie de historie van een volk schetst, schetst de op elkaar inwerkende daden van miljoenen mensen: elk hunner een door aard en aanleg, door inwerking van anderen en door eigen onvervreemdbare bijdrage bepaalde, en daarmee anderen weer bepalende, historische grootheid – historisch ook, wanneer de betrokkene meent, niets tot ‘de geschiedenis’ bijgedragen te hebben, ‘grootheid’ ook, wanneer het de eenvoudigste mens betreft in een rimpelloos bestaan. Even duizelingwekkend kan zij zijn als de sterrenhemel, die door de tijden zichzelf voortdrijvende en voortgedreven mensenwemeling. En toch! De mens kan het niet laten: hij wil het onoverzichtelijke en onoverziene schikken tot een zichtbaar geworden, overzichtelijk geheel.
Nooit kan men de waarde van het resultaat afmeten aan het oorspronkelijk gebeuren dat immers in zijn, nimmer ten volle besefte of ook maar besefbare, unieke volheid en rijkdom geen volledige uitbeelding toelaat. Geen andere waarde kàn zij hebben, deze uitbeelding, dan dat zij voortvloeit uit een zich verdiepen in de historische materie, langer dan anderen mogelijk was. Waarbij wij er ons bewust van zijn, en ten overvloede ook willen waarschuwen, dat duur van onderzoek nog generlei waarborg biedt voor grondigheid en scherpzinnigheid bij het leggen van verbanden en het trekken van conclusies.
Deze pretentie koesteren wij intussen, en het is al geen geringe: dat de lezer in hetgeen volgt, veel zal aantreffen dat hem onbekend was en dat, nu onthuld en uitgebeeld, hem – wellicht niet zonder de schok van de verrassing – een nieuw uitzicht geeft op, een nieuw inzicht in die betrekkelijk korte historische periode die wij in bijzonderheden willen beschrijven: de zes jaren waarin het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog betrokken was, als subject en object, als handelende en als lijdende factor – meer en langer in die laatste hoedanigheid dan in die eerste.
Veel meer. En veel langer.
Aangevangen dus bij die zondag 3 september 1939 toen de tweede wereldoorlog formeel begon, of bij die vrijdag 10 mei 1940 toen de Duitsers het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk overvielen? Het ware te haastig. Ontrouw zouden wij worden aan eigen visie en opzet indien wij, ter inleiding, voor de stroom van ons relaas niet geduldig een vroegere oorsprong zochten.
Want waar komt het op aan?
Het komt er op aan, in dit Voorspel – anders gezegd: in dit eerste deel van onze serie – de factoren aan te geven die, toen de tweede wereldoorlog eenmaal uitgebroken was, actie en reactie van het Nederlandse volk zouden bepalen. Dat volk moet dus geschetst worden in zijn sociaal-economische, zijn politieke, zijn culturele verscheidenheid en die verscheidenheid in haar historische ontwikkeling. Daarbij moeten wij ons beperken. Niet die ontwikkeling op zichzelf vormde ons object van onderzoek en beschrijving, maar in hoofdzaak deden dat die elementen er uit die zouden kunnen bijdragen tot dieper begrip van hetgeen in de jaren 1939–45 geschiedde. Van de meeste van die elementen ligt de oorsprong in de negentiende eeuw; geen algemene geschiedenis verwachte de lezer daarvan, maar een gerichte; gericht op ons eigenlijk onderwerp: het Koninkrijk in de tweede wereldoorlog. Dat wij, om een enkel voorbeeld te noemen, over de meeste politieke partijen kort zijn maar de NSB met uitgebreidheid in haar ontstaan, ontwikkeling en karakter zullen beschrijven, betekent niet dat wij die NSB op zichzelf zoveel belangrijker achten dan die partijen; het verschil in behandeling vloeit voort uit het feit dat, terwijl die partijen als partijen (met uitzondering tot op zekere hoogte van de Communistische Partij Nederland) tijdens de Duitse bezetting slechts een zeer ondergeschikte rol speelden, nu juist de Nederlandse nationaal-socialisten, hoe betrekkelijk gering in aantal en hoe geïsoleerd ook, toen diep ingrepen in het bestaan van talloze landgenoten.
Er is dus steeds verband: verband tussen hetgeen dit eerste deel verhaalt en hetgeen de volgende delen zullen verhalen. Dat verband zal vaak evident zijn, maar niet altijd. In dat laatste geval gaven wij het soms met een enkel woord aan, soms niet: dan namelijk wanneer dat ons zou nopen, in bijzonderheden in te gaan op toestanden, gebeurtenissen of personen die eerst in latere delen tot hun recht kunnen komen. Want geschiedschrijving is wel vóór alles het weergeven vàn die toestanden, vàn die gebeurtenissen, vàn die personen in hun historische ontwikkeling, maar wie daarbij de strikt chronologische volgorde star laat prevaleren boven de systematische groepering, loopt het gevaar, niet meer te produceren dan een verwarrende kroniek. Er staat veel in dit eerste deel waarvan de werkelijke betekenis pas uit latere delen zal blijken.
Onderzoek en uitbeelding deden een beroep op het geduld van de schrijver; hem zij het veroorloofd, een beroep te doen op het geduld van de lezer.
Hier eindigt het eerste hoofdstuk.
Verschijnt 1 oktober 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 3,99