← Deel 4 – Mei ’40 – maart ’41
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – De Militärverwaltung komt en gaat
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 4 – dr. L. de Jong
Met de eerste Duitse troepen trokken op 10 mei ’40 ook de eerste Duitse bestuursambtenaren ons land binnen. Zij waren militairen.
Dat was uitvloeisel van de regelingen die de Duitse legerstaf met Hitlers machtiging in detail uitgewerkt had sinds begin oktober ’39 de eerste plannen voor een offensief tegen Nederland ontworpen waren. Hitler had het voornaamste op 9 mei ’40, aan de vooravond dus van de invasie, samengevat in een decreet dat bepaalde dat de bezette delen van Nederland, met die van België, Luxemburg en Frankrijk, onder militair bestuur geplaatst zouden worden; hoogste Duitse autoriteit in ons land werd dan de bevelhebber van de legergroep (Heeresgruppe B) waartoe de twee Duitse legers behoorden die daags daarna onze grenzen zouden schenden: Generaloberst von Bock. Persoonlijk zou het von Bock natuurlijk aan tijd ontbreken om zich met bestuursaangelegenheden bezig te houden; tevoren had hij daar trouwens ook niet veel tijd voor kunnen vrijmaken. In zijn staf was evenwel tijdig een Militärverwaltungsstab ingebouwd met een hoge Duitse ambtenaar, dr. Reeder, aan het hoofd. Als organen van die Militärverwaltung zouden, naarmate meer gebied veroverd was en dus bestuurd moest worden, Ortskommandanturen, Feldkommandanturen en Oberfeldkommandanturen het militair gezag gaan uitoefenen; bepaald was tenslotte dat von Bocks plaats aan de top van die bestuurspiramide spoedig ingenomen zou worden door een andere Duitse generaal, von Falkenhausen.
De Militärverwaltungsstab had in de maanden die aan de Duitse inval voorafgingen, met veel ijver gewerkt. Hij had uitgebreide richtlijnen voor het bestuur opgesteld die wij in het tweede deel van ons werk al weergaven. Die richtlijnen waren geheim, maar wat er in eerste instantie uit voortvloeide, kon de bevolking in de bezette provincies al lezen op de rood-omrande biljetten die, tijdig gedrukt en aan de troep gedistribueerd, kort na de doortocht van de Duitse voorhoeden op tal van plaatsen aangeplakt werden. ‘Wie zich rustig en vreedzaam gedraagt, heeft niets te vrezen’, stond er; wapens en munitie moesten ingeleverd worden; elke vorm van anti-Duitse actie zou zwaar gestraft worden; de Nederlandse overheidsorganen dienden hun werk normaal voort te zetten; hamsteren werd verboden. ‘Het zou’, zo heette het in een ‘Oproep aan de bevolking van Nederland en België’, ‘de Duitse weermacht spijten, moest zij zich, gedwongen door vijandelijke handelingen van onverantwoordelijke elementen der burgerbevolking, tot scherpe maatregelen tegen de ganse burgerbevolking genoodzaakt zien.’ Deze en dergelijke bekendmakingen verschenen ook in de plaatselijke dagbladen die onmiddellijk aan preventieve censuur onderworpen werden: door middel van een tolk werd elke krant vóór verschijning ‘gespeld’; ‘waren er ongeoorloofde zinnen of passages in, dan werden deze onherroepelijk geschrapt. Open plaatsen mochten echter niet blijven bestaan om elke gedachte aan censuur bij het publiek te voorkomen. Het gehele zetsel moest dus weer aangevuld worden.’1 Tegelijkertijd werd luisteren naar andere dan naar Duitse radiozenders verboden.2 Controle daarop was natuurlijk onmogelijk.
In verscheidene plaatsen nam de bezetter extra-voorzorgsmaatregelen.
De Duitse legers die in augustus ’14 België binnengevallen waren, hadden veelal gemeend (meestal ten onrechte) dat zij door franc-tireurs beschoten werden. Om dat nu tegen te gaan en om in het algemeen een onberispelijk gedrag der bevolking te waarborgen, werden gijzelaars in hechtenis genomen. In Maastricht moest de burgemeester er al op 10 mei tien aanwijzen3; in Helmond werden op 11 mei tweehonderd inwoners gegijzeld (en na een halve dag vrijgelaten)4; in Leende op 12 mei twee (de burgemeester en de pastoor)5; in Den Bosch op 13 mei drie (de burgemeester, de commissaris van politie en de directeur van het postkantoor)6 – het nemen van gijzelaars heeft zich wellicht ook elders voorgedaan. Tot feitelijk verzet kwam het, voorzover ons bekend, nergens. Trouwens, dat was niet te verwachten. De overrompelde bevolking voelde zich machteloos en de Nederlandse autoriteiten, met name de commissarissen der koningin en de burgemeesters, drongen er volgens de instructies die hen tevoren van de zijde van de regering bereikt hadden, op aan (soms in perspublikaties, soms ook in aanplakbiljetten) dat men zich waardig maar ook rustig zou gedragen. Hun eigen aanwijzingen volgend, deden trouwens ook de officieren van het Duitse militaire gezag als regel hun best om niet te bruut of zelfs met zekere matiging op te treden – zij het dat wel niet elke Ortskommandant het zo ver gedreven zal hebben als die van Harlingen die er prijs op stelde, bij de vergadering van de gemeenteraad op 14 mei in gala-uniform naast de burgemeester plaats te nemen.7
Anders dan in Polen gedroegen de Duitse troepen zich jegens de Nederlandse burgerbevolking gedisciplineerd; dat was hun ook ingescherpt. Op 14 mei hoorde een Nederlandse krijgsgevangene bij Wageningen van een Duits officier dat ‘een Duits soldaat op heterdaad betrapt (werd) bij het stelen van een paar doosjes sigaretten uit een winkel; een ander deed een greep in de vernielde etalage van een goudsmidswinkel; beiden zijn op slag door een daartoe bevoegd officier neergeschoten.’8 Het kopen in winkels was de Duitse militairen wèl toegestaan en daar maakten velen met uitbundige graagte gebruik van. ‘Ze kopen – ze kopen alles’, nam de schrijver Antoon Coolen bij Eindhoven waar –
‘tubes tandpasta bij het gros in dozen, kammen, schortebont, potloden, vulpennen, couponstoffen, actetassen, sigaren, sigaretten, rollen pepermunt, elastiek, fietsbanden, schoenen, peperkoek, sardines, koffie, thee, suiker, zeep, eiercognac, zalm in blik, chocolade, boter. Ik heb soldaten gezien die een winkeltje uitkwamen, op de stoep gingen zitten en een groot pak chocola van minstens twintig repen en een pond roomboter, beurtelings in beide happend, achter elkaar opaten, om daarna een orgie te vieren aan smeuige Öl-sardines waarvan de vingers dropen. Het Germaanse Herrenvolk geneert zich niet …. Ik heb na die eerste strooptochten volkomen lege dorpswinkels gezien waar men wasmanden vol van papiergeld had.’9
In Tilburg was het, aldus het naoorlogs gemeenteverslag, ‘geen zeldzaamheid als een soldaat achter elkaar vijf dozen bonbons of acht à tien gebakjes verslond.’ Hier liet ook een ingekwartierd Duits officier na vertrek een brief van een vriendin achter die, zich er in verheugend ‘was bei den Plutokraten der Niederlande noch zu erben ist’, hem een hele reeks bestellingen opgegeven had.10
Het ‘correcte’ optreden der Duitsers dat al in schril contrast stond met het feit zelf van de overval, werkte op menige Nederlander als een absurditeit; deze nam op de avond van 14 mei, niet ver van de laaiende vuurzee in het hart van Rotterdam, een haast surrealistisch karakter aan toen een klein groepje Duitse militairen die in een woning een mitrailleur geïnstalleerd hadden, door een officier uitgefoeterd werden omdat zij een paar sinaasappelschillen door een raam in het daktuintje geworpen hadden: ‘een ongehoord schandaal … Als mevrouw nog verdere onbehoorlijkheden ontdekte, had ze het maar te melden; de soldaten zouden dan zeer zwaar gestraft worden.’11 ‘Jede tote Kuh tut uns leid’, zei een van de bataljonscommandanten van de SS-Standarte ‘Der Führer’ (het Duitse regiment dat op en bij de Grebbeberg enkele honderden Nederlandse militairen had doen sneuvelen); superieur sprak hij met Nederlandse krijgsgevangenen, ‘alsof hij met een tegenpartij-voetbalelftal napraatte over een juist gespeelde voetbalwedstrijd …; maar ‘sans rancune’, voor ons was de oorlog nu voorbij.’12
Zo was het een vreemde, soms onwezenlijk aandoende wereld waarmee de Nederlandse autoriteiten in de bezette delen des lands opeens geconfronteerd werden. Het hoofd liep hun om. Afgesneden van de centrale overheid, kwamen provinciale en gemeentelijke bestuurders voor dozijnen meestal onvoorziene problemen te staan. Duitse militairen en Nederlandse vluchtelingen moesten ingekwartierd worden, de vluchtelingen ook geregistreerd, gewonden opgehaald en verzorgd, levensmiddelen die schaars dreigden te worden, volgens geïmproviseerde regelingen gedistribueerd. Met het haperen van het economisch leven (vervoer en post vielen enige tijd uit) ging in menige plaats een acuut tekort aan geldmiddelen gepaard. Door de provinciale besturen van Friesland en Groningen werd ƒ 3 miljoen (mln) aan noodgeld aangemaakt; hetzelfde geschiedde door verscheidene gemeenten (waarbij het Zuidlimburgse Hoensbroek ‘uit de toon (viel) door de aanmaak van coupures van zes-en-zestig cent, zijnde één Reichsmark)’ alsook door fabrikanten of (Helmond) door combinaties van fabrikanten. Meestal waren die vreemdsoortige betalingsmiddelen (in totaal werd nog geen twee pro-mille van het circulerend bankpapier op deze wijze uitgegeven) zeer eenvoudig gedrukt, maar soms gestencild, getypt of zelfs met de hand geschreven.13 Het was slechts een bescheiden voorproefje van de economische problematiek die zich zou voordoen als eenmaal het gehele land bezet was.
Na Rijsoord
In Rijsoord, even bezuiden Rotterdam, werd op woensdagmorgen 15 mei de capitulatie-overeenkomst ondertekend door generaal Winkelman en, voor Duitsland, door de bevelhebber van het achttiende Duitse leger, generaal von Küchler. De overeenkomst14 bevatte een groot aantal bepalingen die daarop neerkwamen dat alle onderdelen van de Nederlandse krijgsmacht in afwachting van hun ontwapening als het ware geïmmobiliseerd zouden worden; generaal Winkelman moest evenwel tevens de gemeentelijke en provinciale besturen alsmede de burgerij gelasten, zich van elke vijandige daad jegens het bezettingsleger te onthouden; ook dienden alle Nederlandse autoriteiten de bezetting in elk opzicht te ondersteunen. In de overeenkomst werden voorts twee Duitse officieren aangewezen voor het treffen van nadere regelingen op het gebied van de luchtmacht en van de marine: een generaal van de Luftwaffe voor de luchtmacht (hij is nooit komen opdagen15) en voor de marine de verbindingsofficier van de Kriegsmarine bij von Küchlers staf, Kapitän zur See Hain, een bruut heerschap. Tenslotte had von Küchler ‘für die Verhandlungen über Versorgung der Wehrmacht und Verwaltung des Landes’ zijn Oberquartiermeister aangewezen, Generalmajor Schlieper. Hain moest, had Winkelman gezegd, contact opnemen met schout-bij-nacht F.J. Heeris, aan wie vice-admiraal Furstner in verband met zijn eigen vertrek naar Engeland nauwelijks vier-en-twintig uur tevoren de functie van chef van de marinestaf overgedragen had. Schlieper werd verwezen naar de directeur van de afdeling materieel landmacht van het departement van defensie, generaal-majoor H.D.S. Hasselman.
Nog geen uur na de bespreking te Rijsoord vervoegde Schlieper zich in gezelschap van een tolk in Den Haag bij generaal Hasselman. Hij bracht een lange lijst van onderwerpen mee, aangeduid als ‘Verhandlungspunkte’.16 Generaal Hasselman was zich totaal niet bewust dat verscheidene van deze onderwerpen in Rijsoord niet eens ter sprake geweest waren – misschien werd hij ook door Schlieper misleid. Het ‘doel van de bespreking’ werd althans door de Nederlandse overste die Hasselman terzijde stond, als ‘de bekrachtiging van voorlopige onderhandelingen’ aangegeven. Een deel van de Verhandlungspunkte had betrekking op militaire aangelegenheden maar nu werd o.m. ook bepaald dat alle vernielingen met spoed door burgerarbeiders hersteld moesten worden (‘er moet met overuren worden gewerkt’), dat de banken weer moesten openen, dat de gulden (die vóór de Duitse inval ca. een-en-een-derde Reichsmark waard geweest was) gelijkgesteld werd aan anderhalve Reichsmark, dat de werklozen in het arbeidsproces opgenomen moesten worden, alle handelsschepen vastgehouden, de export van levensmiddelen naar Duitsland bevorderd, wegwijzers en plaatsnaamborden weer geplaatst en, laatste punt: alle postduiven moesten gedood worden.17 Kwart over twee was het, toen generaal Winkelmans naaste medewerker, generaal-majoor H.F.M. baron van Voorst tot Voorst, er door Hasselman telefonisch van verwittigd werd onder welke lange lijst bepalingen hij zonder enig verweer en in elk geval zonder nader overleg ‘Anerkannt, Hasselman generaal-majoor’ geschreven had; zijn toeschietelijkheid werd door van Voorst tot Voorst niet gewaardeerd.18
Hain had zich inmiddels vervoegd bij schout-bij-nacht Heeris. Aan deze had Winkelman gezegd dat er ten aanzien van de marine een nader stuk opgemaakt moest worden.19 Inlichtingen over de capitulatie-overeenkomst kreeg Heeris, vreemd genoeg, niet; hij nam aan dat wat hij te tekenen zou krijgen, daar niet van zou afwijken. Inderdaad sloot het z.g. Zusatzprotokoll dat hem door Hain voorgelegd werd20, op veel punten bij de capitulatie-overeenkomst aan, maar wat had de marine te maken met wat onder punt 5 (‘Hafenanlagen und Werften’) stond: ‘Privatbetriebe arbeiten voll weiter’? ‘Denkt u er goed aan’, zei Heeris (die uitsluitend met de Rijkswerf bij Den Helder bemoeienis had),
‘dat ik met particuliere werven en particuliere en gemeentelijke havenwerken niets, maar dan ook niets te maken heb. Hij antwoordde: wat denkt u wel, dat de Duitse marine met een ieder afzonderlijk onderhandelt en orders geeft? Ik stel u er voor verantwoordelijk. Ik antwoordde dat ik er niets mee te maken had en er mij niets van aantrok … Ik heb hem ook gezegd dat hij niet zo behoefde te schreeuwen … Toen heb ik gedacht: dat is een zin die vanzelf na verloop van enige dagen, als hij tot de conclusie komt dat wij als marine er niets mee te maken hebben, wordt vergeten; dus dat laat ik over mijn kant gaan.’21
Het Zusatzprotokoll werd ongewijzigd door Heeris ondertekend. Winkelman kreeg er pas enkele dagen later kennis van.22 Toen had de marinestaf aan de Duitsers (die hoogst verbolgen waren dat vrijwel alle varende eenheden van de Koninklijke Marine naar Engeland ontsnapt waren) ook al nauwkeurig moeten opgeven, welke marine-orders op Nederlandse particuliere werven in bewerking waren.23 Van dat alles was de secretaris-generaal van handel, nijverheid en scheepvaart, dr. H.M. Hirschfeld, onder wiens departement de particuliere werven ressorteerden, geheel onkundig; hij kende het Zusatzprotokoll niet eens.24
★
Binnen het ressort van de marine vloeiden uit het Zusatzprotokoll en binnen dat van de landmacht uit de overeenkomsten die de generaals Winkelman en Hasselman ondertekend hadden, tal van nadere aanwijzingen voort die wij hier willen overslaan. Voor de burgerbevolking was van belang dat het gehele gemotoriseerde verkeer behalve voor beroep of bedrijf verboden werd; dat het algemene tapverbod werd opgeheven voor Duitse militairen; dat wegwijzers en plaatsnaamborden weer opgesteld werden en dat Winkelman op 16 mei in een dagorder aan de burgerbevolking bekend maakte, ‘dat elke vijandelijke handeling tegen het Duitse leger, zijn personeel, zijn materieel en zijn inrichtingen verboden is en dat de rust en de orde onvoorwaardelijk moeten worden gehandhaafd.’25 Om ordeverstoringen tegen te gaan behielden marechaussee en politie hun wapenen.26 Een aantal punten uit de gesloten overeenkomsten werd door de Duitsers overigens gewijzigd; de order tot het afmaken van alle postduiven die bij de ca. vijf-en-twintigduizend duivenhouders grote ontsteltenis gewekt had, werd door de bemoeienissen van generaal van Voorst tot Voorst27 en van enkele duivenhouders28 ingetrokken.29
‘Had de vroegere regering niet geluisterd naar Engelse raadgevingen maar een werkelijke neutraliteit bewaard’, zo verklaarde von Bock in een ‘Tweede oproep aan de bevolking van Nederland’ welke ook al weer aangeplakt en in de pers gepubliceerd werd (in sommige bladen enkele dagen achtereen),
‘dan zouden alle nu gebrachte offers van goed en bloed onnodig geweest zijn. Nu de wapens neergelegd zijn, is de Nederlandse bevolking in staat, haar vreedzame arbeid te hervatten. Ieder wordt verzocht, na deze verschrikkelijke dagen, tot zijn gewoon werk terug te keren … Volgens het bevel van de Führer zal de Duitse weermacht haar best doen om een ieder het lot der bezetting te vergemakkelijken. Zij zal leven en eigendom der bevolking tegen alle vijandelijke aanvallen beschermen en de vredelievende elementen zo veel mogelijk steunen. Daartegenover zal de Duitse weermacht ieder vernietigen die rust en vrede stoort.’
Die laatste zin liet aan duidelijkheid niets te wensen over.
De greep naar pers en radio
De gelijkschakeling van pers en radio stond hoog op het Duitse program. Wat de normale nieuwsvoorziening betreft, waren beide media afhankelijk van één-en-dezelfde instelling, nl. het pas enkele jaren tevoren opgerichte Algemeen Nederlands Persbureau of ANP, welks directie in Amsterdam zetelde en dat een nevenkantoor had in het regeringscentrum, Den Haag. Van de centrale betekenis van het ANP was de culturele attaché van de Duitse legatie, Heinrich Hushahn, zich ten volle bewust. Hushahn was in Nederland opgegroeid: zijn vader was er hoofdvertegenwoordiger geweest van het grote Duitse chemische concern I.G. Farben; in Den Haag had hij het gymnasium bezocht, gestudeerd had hij in Duitsland; als ‘enthousiast nationaal-socialist en lid der SS’ was hij in ’37 door het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda aan de staf van de Duitse gezant, Graf Zech, toegevoegd.30 Evenals een van de medewerkers van de persafdeling der legatie, Willi Janke, had Hushahn met name in de neutraliteitsperiode zijn best gedaan, zonder veel succes overigens, om de Nederlandse pers in pro-Duitse zin te beïnvloeden. Zo waren er, ook voor niet-journalisten, soirées gehouden waardoor, aldus Janke, met enkele persmensen ‘goede betrekkingen’ ontstonden.31
Toen deze Hushahn zich nu op 15 mei nog in Hotel des Indes bevond aan het Haagse Voorhout (de gezant en zijn stafleden waren daar op 10 mei geïnterneerd), kwam een bekende van hem, een Duits officier, met een auto voorrijden; de officier moest nog naar Amsterdam. Hushahn sprong in zijn wagen en liet zich naar de hoofdstad rijden32; duidelijk stond hem voor de geest wat hij daar bij het ANP wilde bereiken. De president-directeur, H.H.J. van de Pol, was niet aanwezig: deze had de avond tevoren getracht, via Den Helder naar Engeland te ontkomen en lag op die 15de mei halfziek in zijn huis te Aerdenhout. Hushahn maakte zich brutaalweg meester van het gehele bedrijf; de Joodse medewerkers stuurde hij op staande voet de deur uit. Hij vond het niet nodig, die medewerkers nog een cent te betalen, maar toen van de Pol de volgende dag verscheen, streek Hushahn met de hand over het hart en vond goed dat zij nog enkele weken salaris kregen; aan de twee Joodse directeuren, mr. J.J. en mr. J.F.E. Belinfante, werd een wachtgeldregeling beloofd. In Den Haag werd voorts aan de Joodse redacteur van het in Indië gevestigde persbureau Aneta, Herman Salomonson, de toegang tot het ANP-gebouw waar hij zijn bureau had, ontzegd.33 Van de Pol ondertekende alle ontslagbrieven en voegde er de schriftelijke mededeling aan toe dat omgang met de vroegere collega’s verboden was; in de dagen die volgden, weigerden enkelen hunner bij toevallige ontmoetingen de ontslagenen ook maar aan te zien.34
Van de Pol aanvaardde verder dat de redactionele leiding van zijn bedrijf volledig gelijkgeschakeld werd. Hushahn had de belangrijkste functies (hoofdredacteur te Amsterdam en hoofd van het Haagse bureau) aan twee figuren toegedacht die kennelijk al in de voorafgaande maanden vriendschappelijke relaties met hem onderhouden hadden: hoofdredacteur zou de redacteur-buitenland van Het Vaderland worden, de vijftigjarige P.J. van Megchelen, een oud-onderwijzer, in zijn jeugd socialist, later lid van kleine nationalistische groeperingen, in de jaren ’30 uitgesproken pro-Duits35; als hoofd van het Haagse bureau had Hushahn dr. H.W. van der Vaart Smit uitgekozen die onze lezer reeds in Voorspel tegenkwam als de directeur van het pro-Duitse Nederlands Christelijk Persbureau.36 Dat hem deze man opgedrongen werd, stemde van de Pol bitter37 – overigens had Hushahn niet veel moeite met de president-directeur van het ANP. Al op 18 mei gaf deze aan zijn voornaamste redacteuren een aantal richtlijnen (‘voorlopig nog aan niemand laten zien’) die hun de plicht van volstrekte loyaliteit jegens de bezetter oplegden:
‘Loyaal nu kan niet anders zijn dan een vermijding, met uitsluiting van onze persoonlijke, subjectieve gevoelens, van een tendenz in de berichten en mededelingen welke afbreuk zou kunnen doen aan de heersende opvattingen omtrent de behoeften en de wenselijkheden van ’s lands bestuur. Het is moeilijk dit nader te omschrijven, doch gij begrijpt wat ik bedoel.’38
De ontvangers begrepen het en handelden dienovereenkomstig.
Zo was het ANP met één slag een centrale geworden voor het verspreiden van Duitse propaganda. Hushahn mocht tevreden zijn; zijn hemel bleef overigens niet lang onbewolkt: in de loop van ’40 ging hij zich ergeren aan Seyss-Inquarts dubbelhartig beleid39 en toen hij begin ’41 de tactloosheid beging om, n.b. ten overstaan van enkele NSB’ers, de Reichskommissar aan te duiden als ‘dieser faule Slowake’, moest hij naar de Wehrmacht verdwijnen.40
★
Op de dag waarop van de Pol zich door Hushahn liet overrompelen (16 mei), ontving de gehele Nederlandse dagbladpers instructie van de Militärbefehlshaber om in de kranten van 17 mei op pagina 1 in de linkerbovenhoek over twee kolommen het volgende bericht op te nemen:
‘De bladen, behorende tot de Nederlandse dagbladpers, zullen tijdens de duur der bezetting door de militaire autoriteiten verschijnen zonder dat op deze bladen voorcensuur wordt uitgeoefend. Deze tegemoetkomende houding veronderstelt natuurlijk een absoluut loyale houding van uitgevers en redacteuren.’
‘Streng vertraulich’ ontvingen de directies en hoofdredacties daarbij een reeks richtlijnen die hun duidelijk maakten wat die ‘absoluut loyale houding’ inhield: verboden werd, iets te publiceren dat voor Duitsland in enig opzicht nadelig zou kunnen zijn dan wel van militair voordeel voor de Geallieerden; berichten uit Engelse, Franse, Belgische of andere anti-Duitse bronnen mochten niet meer opgenomen worden, daarentegen diende men dagelijks het communiqué van het Oberkommando der Wehrmacht af te drukken. De directies moesten er voorts voor zorgen dat, ter controle, van de eerste exemplaren van elke editie drie onmiddellijk afgegeven werden bij de Ortskommandantur; bladen die tegen inhoud of geest van deze voorschriften zondigden, zouden verboden worden.41
Hier bleef het niet bij.
Nog geen week later werd aan het bestuur van de vereniging ‘De Nederlandse Dagbladpers’ meegedeeld, ‘dat het niet gewenst geacht wordt, dat Joden nog belangrijke posities in de dagbladpers bekleden.’42 Het algemeen bestuur van de vereniging ‘De Nederlandse Periodieke Pers’ ried zijn leden aan, de voor de dagbladen geldende richtlijnen te volgen maar ging nog een stap verder: het stelde haastig een dagelijks bestuur in, waarvan het voorzitterschap toevertrouwd werd aan een NSB’er. Dat was H.J. Kerkmeester, directeur van Het Nationale Dagblad.43
Bij enkele bladen hadden zich intussen in die eerste dagen vreemde gebeurtenissen afgespeeld.
De hoofdredacteur van De Telegraaf annex De Courant-Het Nieuws van de Dag, J.M. Goedemans, stelde zich op dinsdagavond 14 mei op het standpunt,
‘dat wij het uitgeven van onze bladen moesten staken. Het was mij bijgebleven dat ook de Belgen dit in 1914 hadden gedaan en ik slaagde er in, de directie van ons blad voor dit standpunt te winnen. Zo gebeurde het dat op de ochtend na de capitulatie van alle Nederlandse dagbladen alleen De Telegraaf en De Courant-Het Nieuws van de Dag niet verschenen. Ik was niet weinig teleurgesteld toen ik moest constateren dat de overige Nederlandse dagbladpers een andere houding had aangenomen.’44
Even teleurgesteld was de eigenaar van de twee bladen, H.M.C. Holdert: ‘Wanneer wij er uitscheiden’, zei hij, ‘zullen wij alleen afbreken en anderen zullen over ons heen opbouwen.’45 De publikatie werd hervat – trouwens, dat was in overeenstemming met de richtlijn die Holdert en Goedemans nog die dag van de Nederlandse autoriteiten uit Den Haag ontvingen: ‘dat het economisch leven, en dus ook het dagbladbedrijf, onveranderd zijn gang moest blijven gaan.’46
Bij de Arbeiderspers stelde de directeur, Y.G. van der Veen, teruggekeerd uit Haarlem waar hij de middag en avond van de 14de mei in een paniekstemming had doorgebracht, de redacteur Halbo C. Kool als waarnemend hoofdredacteur aan. Kool ging zijn licht opsteken bij de ervaren hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, D.J. von Balluseck, en deze ried hem aan, ‘op belangrijke redactionele posten (bijv. buitenlandse redactie) en op plaatsen waar de journalist naar buiten voor de krant optreedt (verslaggeverij!) beter geen Joodse collega’s’ te laten werken.47 Het advies werd opgevolgd; dat bracht in het bedrijf van de Arbeiderspers ‘een begrijpelijke opwinding’ teweeg.48 Kool legde na zes dagen zijn functie neer.
Dramatisch was de ontwikkeling bij het Utrechts Nieuwsblad. Met steun van de directeur, J. van Straten, had mr. dr. G.J. van Heuven Goedhart sinds zijn benoeming tot hoofdredacteur in ’33 door een strijdvaardig beleid het noodlijdende blad omhoog weten te werken: het aantal abonné’s was met 40% gestegen. Van Heuven Goedhart had dr. M. van Blankenstein, toen deze kort voor de Duitse inval als schrijver van het buitenlands weekoverzicht door de Haagse Post afgedankt werd, onmiddellijk gastvrijheid in zijn kolommen verleend. Op 14 mei had hij evenwel samen met van Straten in de namiddag Utrecht verlaten en was naar Den Haag gevlucht49; van Straten die aannam dat hij wegens de anti-Duitse strekking van het blad onmiddellijk ter verantwoording zou worden geroepen, had het gehele bedrijf die dinsdag gesloten. Na de capitulatie werd van Straten door de raad van commissarissen onmiddellijk geschorst, van Heuven Goedhart met één maand salaris ontslagen; later in mei kwam een bevredigende financiële regeling tot stand die beiden accepteerden, van Heuven Goedhart des te gereder omdat hij aannam dat voorshands het einde van zijn journalistieke carrière gekomen was. ‘Het ware misdadig en dom, thans nog op enigerlei wijze tegen de draad in te willen gaan’, schreef hij aan de raad van commissarissen. ‘Ik behoor te wijken. Ik heb eerlijk mijn mening verdedigd. Nu daarvoor niet langer plaats is, strijk ik de vlag’50 – een vlag die eerder weer omhoog zou gaan dan van Heuven Goedhart op dat moment meende.
In Nijmegen nam de Joodse directeur-hoofdredacteur van de Provinciale en Nijmeegse Courant achter de rug van de redactie-chef om op 15 mei een uitgesproken pro-Duits hoofdartikel op – op de redactie kwam het tot een vechtpartij met hem. Veel Nijmegenaren ergerden zich aan het stuk; de burgemeester intervenieerde en de redactiechef werd na enkele dagen tot adjunct-hoofdredacteur gepromoveerd, waarmee de moeilijkheden overigens niet van de baan waren.51
Wat de weekbladen betreft, paste de Haagse Post zich verder aan. Het blad kreeg ‘een Duitse voogd’ die bepaalde dat het eertijds door van Blankenstein geschreven buitenlands weekoverzicht voortaan geschreven moest worden door dr. H. Krekel. Deze was in maart ’39 ontslagen door Het Vaderland toen hij met een van zijn quasi-diepzinnige historische beschouwingen Hitlers intocht in Praag had trachten goed te praten. Na de capitulatie had Het Vaderland Krekel overigens onmiddellijk weer in dienst willen nemen maar dat was de directie van de Nieuwe Rotterdamse Courant (tot wier concern Het Vaderland behoorde) te gortig geweest: zij wenste een Duitse wenk af te wachten; toen de ijverige Janke die wenk gaf, kon Krekel zijn oude plaats bij Het Vaderland weer innemen.52
Niet alleen de pers kreeg de Duitse druk te bespeuren, ook de boekhandel.
In Den Haag gingen de Duitsers al op 19 mei anti-Duitse boeken bij boekwinkels in beslag nemen. Dat leidde er toe dat de voorzitter van de ’s-Gravenhaagse Boekhandelaars Vereniging en de secretaris van de Nederlandse Boekverkopersbond met Janke (het moeten voor hem drukke dagen geweest zijn!) contact opnamen. Zij adviseerden vervolgens alle boekhandelaren, uitgevers en bibliotheekhouders om boeken die men als anti-Duits kon beschouwen, uit de verkoop te nemen en in verzegelde pakken op te slaan, c.q. niet langer uit te geven of uit te lenen; ‘onder het verbod vallen ook de werken van Heinrich Heine en van Martin Niemöller en verder alle emigranten-litteratuur’53 – de lijst zou nog langer, veel langer worden.
Tenslotte zij dan in dit verband vermeld dat twee hoofdambtenaren van Binnenlandse Zaken op 18 mei van een Duitse Hauptmann te horen kregen dat anti-Duitse films uit de circulatie genomen moesten worden, dat een Duitse Sonderführer voortaan alle films aan ‘een soort voorkeuring’ zou onderwerpen en dat het wenselijk was dat de voorzitter van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring, een sociaal-democraat, vervangen werd.54
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 1 oktober 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 4,99