← Deel 5 – Maart ’41 – juli ’42
Leesfragment
HOOFDSTUK 1 – Lente ’41
Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5 – dr. L. de Jong
Op 14 maart 1941 stond het in de bladen te lezen: achttien verzetsstrijders waren door de Duitsers gefusilleerd.
Het bericht maakte diepe indruk. Zeker, de bezetting hàd al mensenlevens gevergd: de slachtoffers die in Amsterdam bij het neerslaan van de Februaristaking door Duitse kogels getroffen waren. Hoeveel het er geweest waren, was niet bekend; geruchten deden de ronde waarin van grote aantallen sprake was. Terwijl evenwel bij hun dood het toeval een rol gespeeld had, was bij de achttien geëxecuteerden sprake geweest van een Duits wilsbesluit: het doodvonnis dat niet door toepassing van het gratierecht opgeheven was. Medeleven en verontwaardiging vlamden op – medeleven met de families der geëxecuteerden, verontwaardiging jegens de Duitsers. Achttien doden! Hoeveel zouden nog volgen? Het was een benauwende vraag.
Maar nog geen twee weken na die 14de maart klampten opeens talloze Nederlanders zich aan de verwachting vast dat het einde der verschrikkingen in zicht was.
Die reactie deed zich voor op donderdag de 27ste.
De duizenden, tienduizenden wellicht die op die dag in alle delen des lands, zoals gewoonlijk, om kwart voor twee ’s middags naar de Nederlandse nieuwsuitzending van de European Service der BBC gingen luisteren (een verboden handeling maar er was niet veel angst voor controle), hoorden de omroeper eerst aankondigen dat hij elk ogenblik ‘belangrijk nieuws’ verwachtte uit Belgrado, de hoofdstad van Joegoslavië; toen kwamen ‘de gebruikelijke kleinigheden: bommenwerper neergeschoten, schip getorpedeerd, luchtaanvallen. Weinig schade, weinig doden.’1 Maar dan! In Joegoslavië, zo hoorde men opeens, had zich een staatsgreep voorgedaan: prinsregent Paul was met zijn kabinet afgezet, de zeventienjarige troonopvolger had als Peter II het gezag aanvaard, een nieuw kabinet werd gevormd.
Twee dagen tevoren, op 25 maart, was de Joegoslavische regering bezweken voor de Duitse druk: prins-regent Paul en zijn ministers hadden zich bij het Driemogendhedenverdrag aangesloten dat eind september ’40 tussen Duitsland, Italië en Japan tot stand gekomen was. Berlijn had van een eclatant diplomatiek succes gesproken. Maar de staatsgreep van de 27ste betekende kennelijk dat door die aansluiting een streep gehaald werd. Wat zich in Belgrado afgespeeld had, zag er uit als een klap in Hitlers gezicht. En als een zwakke Balkanstaat het Derde Rijk durfde tarten, stond het er dan met dat Derde Rijk niet veel slechter voor dan het zelf beweerde?
★
In die eerste maanden van ’41 werd Hitlers beleid door het besluit bepaald dat, toen Engeland doorvocht, in de tweede helft van ’40 steeds vaster vorm aangenomen had: in de voorzomer van ’41 zou de Sowjet-Unie overvallen worden. Medio december waren de directieven naar de Wehrmacht uitgegaan; zij hielden in dat alle voorbereidingen voor de inzet van een vernietigend offensief op 15 mei voltooid moesten zijn. Zulks impliceerde dat er rust moest heersen in het belangrijke flankgebied dat gevormd werd door de Balkan – rust vooral daarom omdat de Duitse aardolie voor het overgrote deel afkomstig was uit Roemenië. Tot Hitlers ergernis had evenwel zijn Italiaanse bondgenoot Mussolini die rust verstoord door eind oktober ’40 van Albanië uit Griekenland aan te vallen; de Grieken hadden stevig van zich afgebeten; de Italiaanse strijdkrachten waren spoedig op Albanees gebied teruggedrongen. Begin december had Hitler besloten, Italië op de Balkan te hulp te komen: op een nader te bepalen datum zouden de Duitsers Griekenland binnendringen, voorlopig niet verder dan tot Athene en omgeving. Dat konden zij (zie de kaart op pag. 7) alleen doen via Joegoslavië of via Roemenië en Bulgarije. Roemenië en Bulgarije waren tot medewerking bereid. Roemenië had zich al in de herfst van ’40 bij het Driemogendhedenverdrag aangesloten en ondanks Russische en Engelse waarschuwingen volgde Bulgarije dat voorbeeld op 1 maart ’41. De tien Duitse divisies die in de winter van ’40 op ’41 in Roemenië geconcentreerd waren, trokken nadien zuidwaarts naar de Griekse grens. Medio maart gelastte Hitler dat zij, werd het offensief eenmaal ingezet, heel Griekenland dienden te veroveren.
De uitbreiding van die opdracht was logisch. Immers, in Griekenland waren inmiddels Britse troepen aangekomen, aangevoerd uit Noord-Afrika.
Churchills oorlogskabinet had voor een uiterst moeilijke beslissing gestaan. Het was duidelijk dat de Duitse strijdkrachten die naar de Balkan getransporteerd waren, Griekenland zouden aanvallen. Was het verantwoord, de Britse strijdmacht die diep in Libye stond, te verzwakken door een deel naar Griekenland te zenden? Zou dat niet weer tot een fiasco leiden, te vergelijken met de smadelijke Engelse aftocht uit Noorwegen in de lente van ’40? Anderzijds: was het niet zo dat als men Griekenland geen hulp bood, die terughoudendheid niet alleen in Engeland en de staten van het Britse Gemenebest maar vooral ook in bezet Europa en in Amerika een deplorabele indruk zou maken? ‘The disadvantages of leaving Greece to her fate will be certain and far-reaching’, rapporteerden de Britse Chiefs of Staff aan Churchills oorlogskabinet, maar ‘even the complete failure of an honourable attempt to help Greece need not be disastrous to our future ability to defeat Germany … On balance we think the enterprise should go forward.’2 Bij die conclusie had het kabinet zich op 24 februari aangesloten. Niet dat men die ‘complete failure’ voor zeker hield! Misschien zou het mogelijk blijken, de Duitsers te stuiten – en dat feit zou van beslissende invloed kunnen zijn op de houding van Turkije en Joegoslavië.
Engelands zaak was in Joegoslavië populair: de Serven hadden in de eerste wereldoorlog aan de zijde van Frankrijk, Engeland en Rusland gevochten en het nieuwe koninkrijk dankte zijn ontstaan aan de overwinning der Geallieerden in 1918. Joegoslavië was overigens een verdeeld en brokkelig geheel gebleven en van de dynastie die van Servische oorsprong was, was niet voldoende bindende kracht uitgegaan. Koning Alexander I en zijn ministers waren niet in staat geweest, de tegenstellingen tussen de verschillende volkeren (Serven, Kroaten, Slowenen, Bosniërs, Montenegrijnen, Macedoniërs) te bezweren. Die tegenstellingen hadden de koning ook het leven gekost: in samenwerking met Kroatische fascisten hadden terroristen uit Macedonië hem in 1934 in Marseille vermoord. Kroonprins Peter was toen elf jaar. Nadien werd het koninklijk gezag door een regent uitgeoefend: een broer van Alexander, prins Paul.3
Ook de prins-regent stond in zijn hart aan Engelands kant. Voor de meeste van zijn ministers gold trouwens hetzelfde. Maandenlang hadden zij geweigerd, zich bij het Driemogendhedenverdrag aan te sluiten, zulks mede daarom omdat zij volgens de letter van dat verdrag verplicht konden worden, aan Duitslands zijde aan de oorlog deel te nemen. Hitler en zijn minister van buitenlandse zaken, von Ribbentrop, waren die aansluiting blijven eisen, Hitler in een gesprek dat hij begin maart met prins Paul gevoerd had. Er was tenslotte een ultimatum gesteld. Wat zou gebeuren als men dat verwierp? Duitsland had een verpletterende militaire overmacht en Joegoslavië zou, als het zich blééf verzetten, niet alleen met Duitsland te maken krijgen: Duitslands bondgenoten Hongarije en Bulgarije aasden op grote stukken Joegoslavisch gebied. Prins-regent Paul en zijn ministers zwichtten. ‘I wish I were dead’, verzuchtte Paul tegen de Amerikaanse gezant op de avond waarop de beslissing viel; maar nog diezelfde avond kwam de chef van de luchtmacht, generaal Simowitsj, een vurige Servische patriot, de regent verontwaardigd voorhouden dat hij een eerloos en bovendien onverstandig besluit genomen had: natuurlijk zou Duitsland uiteindelijk de wereldoorlog verliezen, ‘Engeland’, zei de generaal, ‘verliest alle veldslagen behalve de laatste.’4
Op dinsdag 25 maart ondertekenden Joegoslavië’s minister-president en minister van buitenlandse zaken in Wenen het protocol waarbij Joegoslavië zich bij het Driemogendhedenverdrag aansloot. Een geheime toevoeging bepaalde dat van Joegoslavië noch bij verdere operaties op de Balkan noch bij veldtochten elders hulp gevraagd zou worden en dat het bij een uiteindelijke vredesregeling in Europa het Macedonische deel van Griekenland zou verwerven met inbegrip van de havenstad Saloniki. Maar wat waren Duitse toezeggingen waard? Trouwens, het enkele feit al van de publieke alliantie met Hitler en Mussolini leidde met name in Servische nationalistische kringen op woensdag 26 maart tot felle verontwaardiging. Men voelde zich verraden. Er werd geroepen om actie – en die actie kwam: in de nacht van woensdag op donderdag liet generaal Simowitsj een staatsgreep uitvoeren. Deze verliep vlot: er werd geen schot gelost. Prins Paul bood geen verzet en werd naar Griekenland weggewerkt, de jeugdige Peter zou als koning optreden en Simowitsj zou een nieuwe regering vormen. Radio Belgrado riep dat alles om en op die bewogen 27ste maart trokken enthousiaste betogers door de straten van de Joegoslavische hoofdstad; een grote menigte stond er te juichen voor de Engelse legatie.
★
‘Joegoslavië heeft zich tegen Hitler gekeerd!’ Dàt was het grote nieuws dat op donderdagmiddag en donderdagavond in bezet Nederland van mond tot mond doorgegeven werd. Hier en daar waren er wel realisten die aannamen dat de Joegoslaven de strijd met Duitsland (die onvermijdelijk leek) zouden verliezen, maar Hitler zou die overwinning in elk geval niet geschonken krijgen: hij zou er voor moeten vechten. ‘Het kost hem olie, het kost hem soldaten!’5 Andere Nederlanders, misschien wel vele andere, oordeelden optimistischer: moest men het feit dat slimme Balkan-politici zich openlijk tegen Hitler durfden keren, niet als bewijs zien dat het er met Duitsland slecht voor stond? En hoe zou Italië na al zijn falen in Albanië en Noord-Afrika, op die nieuwe tegenslag reageren? Hoe Duitsland op Italië’s eventuele ineenstorting? Was daar op de Balkan niet een machtig, door de Engelsen gesteund front in opbouw en zou alleen al dàt feit de Duitsers er niet van overtuigen dat hun positie hopeloos werd? Was die staatsgreep in Belgrado dus niet eigenlijk het beslissende keerpunt? ‘Welk een dag’, noteerde een dagboekschrijver in Amsterdam,
‘Revolutie in Yoego Slavië! De twee ministers die het Driemogendhedenpact met de heer Joachim von Ribbentrop ondertekend hebben, in de bajes opgesloten. Prins Paul op de vlucht, koning Peter gekroond, het volk davert van enthousiasme.’
Maar in Amsterdam was het enthousiasme niet geringer:
‘Op straat zijn de mensen dol van opwinding! Dàt was het, ieder heeft het gehoord. In de kruidenierswinkel tracteerde de loopjongen op sigaretten!
Welk een dag!’
– dag met groot nieuws, niet alleen uit Joegoslavië trouwens, want in Abessynië hadden de Italianen twee vestingen moeten prijsgeven:
‘Cherem gevallen, Hanna veroverd! Het kan eenvoudig niet op! 27 maart 1941, welk een dag!’6
Die opluchting, die vreugde, die uitgelatenheid, – zij hadden alles te maken met de toenemende druk van ruim tien maanden bezetting, met de groeiende verontwaardiging over het optreden van Duitsers en NSB’ers – niets daarentegen met de werkelijke politieke en militaire krachtsverhoudingen in de lente van ’41.
Oorlogsverloop en -perspectief7
Nog op dezelfde dag waarop hem het bericht van de staatsgreep in Belgrado bereikte, besloot Hitler, Joegoslavië militair te vernietigen en het land in brokken te verdelen. Vanuit het noorden en, in het oosten, van Bulgarije uit zouden Duitse strijdkrachten Joegoslavië binnendringen. De gebieden die vóór de eerste wereldoorlog deel hadden uitgemaakt van het oude Oostenrijk-Hongarije zouden grotendeels aan Gross-Deutschland toegevoegd worden, maar ook Hongarije en Bulgarije zouden gebiedsuitbreiding krijgen. Het grootste deel van Joegoslavië zou Hitler aan Mussolini overlaten, alleen het vroegere Servië zou onder Duitse Militärverwaltung geplaatst worden, Kroatië tenslotte (waar een fascistische stroming bestond) zou autonomie krijgen.
Al die territoriale regelingen stelde Hitler op 3 april vast.
Drie dagen later, op zondag de 6de, werd het offensief ingezet. Het was door de Duitse militaire staven snel geïmproviseerd – en niet zonder bezorgdheid: zouden de Duitse tanks in het goeddeels bergachtige terrein dat zich uitstekend voor de guerrilla leende, wel snel genoeg kunnen oprukken? Hitler voorzag een langdurige en misschien wel moeilijke strijd. Maar het viel hem mee. Het Joegoslavische centrale bestuursapparaat werd op de ochtend waarop de strijd ontbrandde, lamgeslagen door een zware luchtaanval op het centrum van Belgrado waarbij enkele duizenden slachtoffers vielen. De mobilisatie van de Joegoslavische troepen liep in het honderd; hele regimenten, met name die welke afkomstig waren uit Kroatië (waar men zich steeds bij Servië achtergesteld gevoeld had), weigerden te vechten; de guerrilla, waarvoor niets voorbereid was, kwam niet van de grond en zelfs in bergachtige streken werd verzuimd bruggen op te blazen. Na elf dagen capituleerde het opperbevel, koning Peter II en minister-president Simowitsj ontkwamen ternauwernood per vliegtuig naar Griekenland.
In dat laatste land (dat, evenals Joegoslavië, op 6 april aangevallen werd) rukten de Duitsers iets minder snel op: hier en daar boden Griekse maar vooral ook Britse eenheden hardnekkige weerstand; dan gaf de Duitse superioriteit in de lucht en te land de doorslag. Het Griekse opperbevel
En een nieuwe tegenslag volgde.
Al enkele maanden lang hadden Hitlers naaste militaire adviseurs er op aangedrongen dat tegelijk met of spoedig na de operaties op de Balkan het eiland Malta veroverd zou worden dat, zolang het in Engelse handen was, de toevoer naar de Duits-Italiaanse strijdkrachten in Noord-Afrika bemoeilijkte. Hitler legde dat advies naast zich neer. Op raad van generaal Student (die inmiddels hersteld was van de verwonding die hij op dinsdagavond 14 mei ’40 in Rotterdam opgelopen had) besloot hij, met inzet van Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen Kreta te veroveren. Op 20 mei daalden de eerste parachutisten op het eiland neer; tien dagen later was het geheel in Duitse handen, zij het dat het Luftlandekorps (dat een bijzonder gedurfde operatie uitgevoerd had) deerlijk gehavend was. Maar ook de Britten hadden, eerst bij de verdediging, later bij de evacuatie van Kreta, zware verliezen geleden, niet alleen aan troepen en voorraden maar ook aan marine-eenheden en koopvaardijschepen.
Van maand tot maand werd de gehele Britse positie in het Midden-Oosten ernstiger bedreigd.
Eind april had Rommels Afrika Korps Wavells strijdkrachten die verzwakt waren door de divisies die naar Griekenland overgebracht waren, weer naar de Egyptische grens teruggedrongen; alleen de havenstad Tobroek bleef in Britse handen. In mei moesten de Britten een pro-Duitse opstand in Irak neerslaan. Zij begonnen toen ook, met steun van Franse strijdkrachten die zich aan de zijde van generaal de Gaulle geschaard hadden, moeizaam door te dringen in het Franse mandaatgebied Syrië waar de machthebbers trouw gebleven waren aan het Vichy-bewind.
Of de Engelsen op den duur Egypte en het Suezkanaal zouden kunnen behouden, leek zeer de vraag.
★
Hebben de Duitse operaties op de Balkan en op Kreta de inzet van het offensief tegen de Sowjet-Unie dusdanig vertraagd, dat men daarin de voornaamste factor moet zien waarom de Duitsers er eind ’41 net niet in slaagden, Moskou te veroveren? Het is moeilijk te zeggen. Inderdaad had Hitler de Sowjet-Unie aanvankelijk eind mei willen overvallen en inderdaad constateerde hij op de dag (27 maart) waarop hij besloot, het offensief tegen Griekenland met een offensief tegen Joegoslavië te combineren, dat de grote aanval op de Sowjet-Unie een viertal weken uitgesteld moest worden. De datum 22 juni komt in de Duitse stukken voor het eerst op 7 april voor. Op die 7de april meende Hitler nog dat hem op de Balkan een zware strijd te wachten stond. Die zware strijd deed zich niet voor en van de formaties die voor de aanval op de Sowjet-Unie geconcentreerd waren, werd slechts een miniem aantal naar de Balkan verplaatst. Als regel liet bovendien de bodemgesteldheid in de Sowjet-Unie vóór midden juni niet het uitvoeren van grote operaties toe: de modder waarin alle vehikels zouden wegzinken, was dan pas opgedroogd. Het is dan ook twijfelachtig of Hitler zijn oorspronkelijk voornemen (eind mei aanvallen) ooit had kunnen uitvoeren en er zijn geen klemmende aanwijzingen dat de invasie van de Sowjet-Unie door de oorlogshandelingen op de Balkan en op Kreta reëel vertraagd is; wèl is de uitschakeling van het Luftlandekorps voor Hitler een duidelijke tegenslag geweest: in enkele situaties die zich in ’41 bij de veldtocht in Oost-Europa voordeden, hadden Students parachutisten en luchtlandingstroepen wellicht de doorslag kunnen geven. Tot hun riskante inzet op Kreta in plaats van op Malta had Hitler besloten omdat hij bevreesd was dat de Royal Air Force van Kreta uit de Roemeense aardoliebronnen zou gaan bombarderen. Dàt gevaar had hij inderdaad voorlopig afgewend.
En in het algemeen zag Hitler in de lente van ’41 geen reden om er aan te twijfelen dat de eindoverwinning zeker was. Haast had hij wèl: Amerikaanse hulp zou Engeland in staat kunnen stellen, lange tijd het hoofd te bieden aan de Duitse militaire macht. De veldtocht in de Sowjet-Unie zou evenwel, zo meende hij, spoedig beslist zijn. Nadien voorzag hij geen moeilijkheden voor Duitslands grondstoffenpositie. En zou hij, heer en meester van het gehele Europese continent, dan niet de Kriegsmarine en de Luftwaffe dusdanig kunnen uitbreiden dat hij Engeland van de toevoer overzee grotendeels of zelfs geheel zou kunnen afsnijden? De Endsieg leek slechts een kwestie van tijd – en misschien zou Engeland al tot bezinning komen wanneer het later in ’41, als de Sowjet-Unie verslagen was, door nieuwe Duitse offensieven zijn gehele positie in het Midden-Oosten en in het gebied van de Middellandse Zee zou moeten prijsgeven.
Inderdaad had Hitler, wat de Engelsen betrof, in de lente van ’41 in menig opzicht reden tot optimisme. Hun toevoer, de onmisbare grondslag van hun oorlogseconomie en oorlogsproductie, kwam in ernstige moeilijkheden te verkeren. De koopvaardijvloot waar zij begin ’41 over konden beschikken (21 miljoen bruto registerton) was door alle verliezen en als gevolg van het feit dat ten tijde van Frankrijks capitulatie talrijke Franse schepen in Franse havens gebleven waren, al tegen de 2 miljoen ton kleiner dan bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Ook kon die geslonken vloot minder goederen vervoeren: bijna alle schepen moesten in langzame convooien varen, ze moesten omwegen maken, ze moesten in overvolle havens vaak weken wachten voor zij gelost of geladen werden; werven die men voor nieuwbouw had kunnen gebruiken, waren nodig voor het uitvoeren van tijdrovende reparaties. En de scheepsverliezen stegen. In de lente van ’41 stegen zij bepaald in een angstwekkend tempo. Dat, terwijl de Kriegsmarine regelmatig niet meer dan ruim dertig U-Boote in de vaart had – en men nam in Londen aan dat het er tegen het einde van het jaar ca. honderd zouden zijn. Bovendien werden de scheepvaartroutes bij Engeland van begin ’41 af met opvallend succes bestookt door Duitse lange-afstands-bommenwerpers. Begin ’41 hadden voorts het Duitse slagschip ‘Admiral Scheer’, de slagkruisers ‘Scharnhorst’ en ‘Gneisenau’ en de zware kruiser ‘Hipper’ op de Atlantische Oceaan niet alleen vrachtschepen tot een totaal van 200.000 ton tot zinken gebracht maar bovendien de convooien die aan die Duitse eenheden ontkwamen, dermate gedesorganiseerd dat groot tijdverlies optrad. Het was de bedoeling dat de ‘Scharnhorst’ en de ‘Gneisenau’ (die zich in Brest bevonden) eind april opnieuw zouden uitvaren in combinatie met twee eenheden die uit de Noordzee zouden trachten uit te breken: de kruiser ‘Prinz Eugen’ en Duitslands gloednieuwe slagschip ‘Bismarck’. De ‘Scharnhorst’ en de ‘Gneisenau’, beschadigd door Engelse bommen, moesten verstek laten gaan, maar de ‘Prinz Eugen’ en de ‘Bismarck’ wisten inderdaad aan de aandacht van de Engelse Home Fleet te ontsnappen en de Atlantische Oceaan te bereiken. Vooral de ‘Bismarck’ vormde daar een dodelijk gevaar. Pijnlijk bleek de kracht van deze Duitse eenheid, toen, in de buurt van Groenland, op 24 mei één salvo dat toevallig een kwetsbaar punt trof, voldoende was om de oude Engelse slagkruiser ‘Hood’ op te blazen. Een enerverende jacht volgde. Men kon op de Engelse Admiralty pas weer verlicht ademhalen toen de ‘Bismarck’, door luchttorpedo’s stuurloos gemaakt, op 27 mei niet ver ten westen van Brest in de golven wegzonk; de ‘Prinz Eugen’ wist Brest binnen te lopen.
Verlicht ademhalen, omdat althans van de ‘Bismarck’ geen gevaren meer te duchten waren. Overigens bleven er, met het oog op het verloop van de strijd ter zee, zorgen te over. In de zes maanden van januari tot en met juni ’41 ging van de totale transportvloot waar Engeland en zijn bondgenoten over beschikten (21 mln ton, wij noemden dat cijfer reeds), niet minder dan 2,8 mln verloren. Dat zou op een jaarlijks verlies neerkomen van 5,6 mln ton. De scheepswerven van Engeland en van alle Commonwealth-landen hadden tezamen per jaar een nieuwbouw-capaciteit van niet veel meer dan 1 mln ton. Engeland was dus bezig, de vitale strijd ter zee te verliezen. Een doortrekken van de ontwikkelingslijnen die zich in de lente van ’41 aftekenden, hield in dat Engeland zijn eigen oorlogsproductie en oorlogseconomie niet op peil zou kunnen houden, laat staan beslissende militaire operaties overzee ondernemen.
Van maand tot maand werd duidelijker dat Engeland zonder grootscheepse Amerikaanse hulp niet in staat zou zijn, het hoofd boven water te houden.
Voor die hulpverlening werd begin ’41 een nieuwe basis gelegd. President Roosevelt wist dat Engelands dollarreserves uitgeput raakten. Daar werd iets op gevonden: de president vroeg bij het Congres machtiging aan, goederen die van belang waren voor de verdediging van landen die zich tegen Duitsland, Italië of Japan verzetten, aan die landen te lenen of te verpachten; voorshands zou van betaling dus geen sprake zijn. Het betrokken wetsontwerp, de Lend-Lease-Bill werd na heftige debatten (er was nog steeds in de Verenigde Staten een sterke isolationistische stroming) begin februari goedgekeurd door het Huis van Afgevaardigden (260 stemmen vóór, 165 tegen) en een maand later door de Senaat (62 vóór, 33 tegen). Maar de oplossing van de betalingsproblemen betekende nog niet dat de transportproblemen uit de wereld waren. Ook op dat gebied kwam Roosevelt de Engelsen te hulp: Engelse oorlogsschepen mochten op Amerikaanse werven gerepareerd worden, eind april nam de Amerikaanse vloot in de westelijke helft van de Atlantische Oceaan het patrouilleren van de Engelsen over. Ook werd in maart afgesproken dat het kleine Engelse garnizoen op IJsland door een Amerikaans vervangen zou worden en voorts werd van Amerika uit begonnen aan een vaste luchtverbinding naar Aequatoriaal Afrika, zodat bommenwerpers die de Engelsen in de Verenigde Staten verworven hadden, via die route naar het Midden-Oosten overgevlogen konden worden. Tenslotte werden opleidingsscholen van de Amerikaanse luchtmacht opengesteld voor de training van Britse oorlogsvliegers.
Ook uit andere maatregelen bleek dat Roosevelt vastbesloten was om, blijvend eerder binnen de letter dan binnen de geest van de Amerikaanse neutraliteitswet, Engeland een maximum aan hulp te bieden. Zou het voldoende zijn? Veel militaire kracht konden de Verenigde Staten zèlf nog niet ontwikkelen. Een in twee decennia opgelopen achterstand kon niet in korte tijd ingehaald worden. Toen Roosevelt, bevreesd voor een Duitse doorstoot naar Gibraltar, eind mei ’41 bevel gaf, plannen te maken voor de bezetting van de Portugese Azoren, kon men in de Verenigde Staten met moeite twee gevechtsklare divisies vinden; aan munitie was voor die kleine strijdmacht slechts de helft beschikbaar van hetgeen de bevelhebber van de expeditie (die niet doorging) essentieel geacht had.
De Duitsers hadden op dat moment meer dan 175 goed uitgeruste divisies op de been.
★
Hoe kon Engeland ooit de oorlog winnen?
Het is, achteraf gezien, volstrekt duidelijk dat eerst de langdurige en hevige strijd aan het oostelijk front alsmede Amerika’s intrede in de oorlog de grondslagen gelegd hebben voor de overwinning waaraan ook Engeland deel had. Maar zo werd het door de meeste tijdgenoten niet gezien, en bepaald ook niet door Churchill, de leden van zijn oorlogskabinet en zijn hoogste militaire adviseurs, de Chiefs of Staff. Zeker, in hun kring die dag aan dag het hoofd moest bieden aan dodelijke gevaren en dreigingen, werd vertrouwd en zelfs verwacht dat de Verenigde Staten binnen afzienbare tijd hun immens potentieel in de strijd zouden werpen (in de eerste wereldoorlog was dat ook eerst na meer dan twee-en-een-half jaar het geval geweest); ook werd rekening gehouden met de waarschijnlijkheid dat het tussen Duitsland en de Sowjet-Unie tot een breuk, wellicht zelfs tot oorlogshandelingen zou komen, maar, gezien de moeite die het de Sowjet-Unie een jaar tevoren gekost had om het kleine Finland te bedwingen, werd met name door de meeste hoge militairen aangenomen dat de Duitsers Rusland (de ‘kolos op lemen voeten’ die ook in ’17 bezweken was) in een korte Blitzkrieg zouden verslaan. Desondanks was het bepaald niet de visie van de Engelse oorlogsleiders dat Engeland zonder Amerika’s volledige deelneming aan de oorlog geen kans had om Duitsland op het Europese vasteland te verslaan. Die oorlogsleiders hielden vast aan de bij het Napoleontisch tijdperk aansluitende conceptie die zij zich in Engeland ‘finest hour’ (de zomer en herfst van ’40) eigen gemaakt hadden. Het belangrijkste was: standhouden; Europa moest geblokkeerd worden: dan zou Duitsland een groeiend tekort krijgen aan grondstoffen; tegelijk moest men dan met de zware bommenwerpers van de Royal Air Force (er werden plannen ontworpen om er niet minder dan 4000 te bouwen) de voornaamste bedrijven van de Duitse oorlogsindustrie en, de doelen ruimer nemend, de steden waar die bedrijven gelegen waren, in puin gooien; zulks zou, zo verwachtte men, het moreel van het Duitse volk zo al niet breken, dan toch gevoelig aantasten – en was Duitsland eenmaal voldoende verzwakt, dan zou het, zo werd vertrouwd, op de knieën gedwongen worden door het ingrijpen van moderne, mobiele formaties die op allerlei punten van Europa’s lange kust zouden landen en die nauw zouden samenwerken met door de lucht bewapende verzetslegers; die verzetslegers dienden temidden van een algemene volksopstand in actie te komen.
Deze conceptie was bemoedigend en dit is ook, zo kan men achteraf constateren, haar positieve, ja historische functie geweest. Reëel was zij niet. Ten eerste werd in die conceptie niet verdisconteerd wat Duitsland kon ondernemen als het de Sowjet-Unie verslagen had. Ten tweede werden de moeilijkheden van Duitslands grondstoffenvoorziening er ernstig in overschat; de blokkade was ook niet totaal – er zaten in de lente van ’41 twee grote gaten in: aanvoer uit en via de Sowjet-Unie en aanvoer uit de Franse koloniën in Noord-Afrika. Aan die aanvoer uit en via de Sowjet-Unie kon Engeland niets doen en de aanvoer uit de Franse koloniën wilde het niet hinderen: men was bevreesd dat incidenten met Franse vrachtschepen er toe zouden leiden dat het restant van de Franse slagvloot dat in de haven van Toulon lag, zich bij de Kriegsmarine zou voegen. Ten derde werd in de Engelse conceptie onderschat, hoeveel tijd het zou vergen 4000 zware bommenwerpers te bouwen; het effect dat bombardementen zouden hebben zowel op de oorlogsproductie als op het moreel van de tegenstander, werd overschat. En ten vierde werden de mogelijkheden overschat die, met name in economisch hoog ontwikkelde landen, aan de bevolkingen gelaten waren om de Duitse oorlogsinspanning in beslissende mate afbreuk te doen. De noties van de algemene volksopstand en van het ingrijpen van door de lucht bewapende verzetslegers waren romantisch, maar slecht gefundeerd; de Britse historicus Gwyer heeft dat laatste terecht geconstateerd. Immers, men wilde van de volkeren in bezet Europa alleen die algemene volksopstand en van de door de lucht bewapende verzetslegers alleen hun inzet vergen, indien vaststond dat het een en het ander niet zou leiden tot een katastrofale mislukking en universele bloedbaden; het moest dus vaststaan dat de reguliere Britse strijdmacht de Wehrmacht aan zou kunnen. Anders gezegd: ‘de enige voorwaarden die het welslagen der opstanden konden verzekeren, waren’, aldus Gwyer, ‘tegelijk die welke ze strategisch overbodig zouden maken.’8 Dat het door de lucht bewapenen van min of meer aanzienlijke aantallen verzetsstrijders een groot probleem zou vormen, ging men zich in Londen in de lente van ’41 wèl realiseren. Uit een becijfering die in mei gemaakt werd, bleek dat als men in alle landen van West-Europa, in Polen en in Tsjechoslowakije bij elkaar tweehonderdduizend man wilde bewapenen (licht bewapenen uiteraard: aanvoer van zware wapens was door de lucht niet mogelijk), Bomber Command van de Royal Air Force een half jaar lang geen enkele bombardementsvlucht zou kunnen ondernemen.
Hoe dat zij – vooral Churchill was er van overtuigd dat het voor Engeland zinloos was, een groot leger op te bouwen dat numeriek met het Duitse te vergelijken zou zijn: dat was een doel dat het zoveel kleinere Engeland met geen mogelijkheid ooit zou bereiken. Een orthodoxe oorlog leek bij voorbaat verloren – men moest die oorlog dus onorthodox voeren. De opbouw van de moderne, mobiele strijdkrachten die uiteindelijk in Europa zouden landen, was overigens ook zo eenvoudig niet. In de lente van ’41 kwam men niet verder dan tot het concentreren van welgeteld één divisie (vier-en-twintigduizend man) die in reserve gehouden werd om, als Hitler Spanje en Portugal zou bezetten, te landen op de in de Atlantische Oceaan gelegen Spaanse en Portugese bezittingen: de Azoren (dat ook de Verenigde Staten die wilden beveiligen, was aanvankelijk in Londen niet bekend), Madeira en de Canarische eilanden; wat men aan landingsschepen bezat, moest voor die operaties gereserveerd worden: voor eventuele landingen in Europa schoot niets over. In Londen nam men overigens aan dat die landingen in Europa, zelfs als de Verenigde Staten volledig aan de oorlog gingen deelnemen, slechts een beperkte omvang zouden krijgen. ‘The effort involved in shipping modern armies with the ground staff of Air Forces is so great that even with American help we can never hope to build up a very large force on the Continent’ – zo heette het in de Review of Future Strategy die op 14 juni door de Britse Chiefs of Staff aan het Britse oorlogskabinet voorgelegd werd9; men moest zich op de opbouw van kleine strijdmachten concentreren en hun inzet zou, aldus de Engelse militaire deskundigen, op zijn vroegst over anderhalf jaar mogelijk zijn: in de herfst van 1942.
Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.
Verschijnt 15 oktober 2026
Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.
€ 4,99