Naar de inhoud
Uitgeverij

← Deel 6 – Juli ’42 – mei ’43

Leesfragment

HOOFDSTUK 1 – Jodendeportaties, eerste fase

Uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 6 – dr. L. de Jong

Het Duitse besluit stond vast: de Volljuden zouden uit Nederland gedeporteerd worden. ‘Zij zullen even arm daarheen terugkeren vanwaar ze gekomen zijn’ – die woorden van Generalkommissar Schmidt stonden op maandag 29 juni 1942 in de avondbladen te lezen. Seyss-Inquarts naaste politieke medewerker had van geen enkele uitzondering gerept: allen, zo nam men aan, zouden dus verdwijnen, Duitse Joden èn Nederlandse, gemengd-gehuwden en zij die een Joodse huwelijkspartner hadden, ‘Hoogduitse’ Joden en Portugese, ja óók de Joden die tot het Christendom overgegaan waren. In Amsterdam deed toen al sinds zaterdag in Joodse kring het bericht de ronde dat Joden in gezinsverband opgeroepen zouden worden voor werkkampen in Duitsland – dat was vrijdagavond door SS-Hauptsturmführer Aus der Fünten, de dagelijkse leider van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, aan de leiding van de Joodse Raad meegedeeld, maar Aus der Fünten had gezegd, ‘dat zeer vele Joden in Nederland zouden overblijven’.1 Hoe vielen Schmidts woorden daarmee te rijmen?

Op zaterdag en zondag was in de Joodse gezinnen in de hoofdstad al een diepe ontsteltenis ontstaan, maar na Schmidts uitlating werd de gemoedstoestand door de twee voorzitters van de Joodse Raad, Cohen en Asscher, nog met een geheel ander woord weergegeven: ‘paniek’! Die term gebruikten zij toen zij Aus der Fünten dinsdagochtend om opheldering vroegen. Aus der Fünten had inmiddels vernomen dat de Joodse Raad op zaterdagmiddag in een extra-vergadering besloten had, zijn arbeid ook in het kader van de aangekondigde deportaties voort te zetten: zijn organen zouden de voor deportatie op te roepen Joden behulpzaam zijn bij het invullen van registratieformulieren waarop dezen al hun bezittingen moesten specificeren – de leider van de Zentralstelle besefte dat zijn eerste taak was, de ‘paniek’ te bezweren. Wat Schmidt gezegd had (dat het de bedoeling was, alle Joden te deporteren), dementeerde hij niet, integendeel: hij bevestigde het, maar (en dat leek Cohen en Asscher het belangrijkste) hij deed blijken dat die deportaties geruime tijd in beslag zouden nemen. Hij eiste namelijk dat de Joodse Raad per dag de registratieformulieren van zeshonderd Joden gereed zou maken (de Joodse Raad had driehonderdvijftig à driehonderdvijf-en-zeventig aangeboden) – zeshonderd per dag, ca. vierduizend per week; dat betekende dat de deportatie van de omstreeks honderdveertigduizend Volljuden negen maanden in beslag zou nemen. Zou de Duitsers daar voldoende tijd voor gelaten worden? Cohen en Asscher meenden van niet. Nog maar ruim twee weken tevoren had de Londense radio in een officieel communiqué bekendgemaakt dat er tussen de regeringen van Engeland, de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie ‘volledige overeenstemming’ bestond ‘met betrekking tot de dringende taak om in 1942 een Tweede Front in Europa te doen ontstaan.’ Mèt nagenoeg alle andere Nederlanders hadden Cohen en Asscher die bewoordingen opgevat als een stellige aankondiging dat de Engelsen en Amerikanen nog in ’42 in West-Europa zouden landen, en dan natuurlijk vóór de periode van de herfststormen. De Duitsers, zo verwachtten zij, zouden dus hoogstens een klein, misschien maar een zeer klein deel van de Joden kunnen deporteren. Welk deel? Beter misschien: welk deel niet? Aus der Fünten verklaarde dat ‘vermoedelijk’ veertig jaar als leeftijdsgrens zou gelden, dat de diamantbewerkers, ‘wanneer ze althans niet te lang uit de arbeid zijn’, van deportatie vrijgesteld zouden worden en, zei hij, ‘ook alle medewerkers van de Joodse Raad zullen worden vrijgesteld, daar ze Arbeitseinsatz verrichten in Nederland.’2 Met hen die naar Duitsland zouden moeten vertrekken, zou bovendien, aldus nòg een toezegging van Aus der Fünten, briefverkeer mogelijk zijn.

Cohen en Asscher haastten zich, die mededelingen aan de Joodse Raad over te brengen. Alwie er in de bureaus van de raad van hoorde, werd gemachtigd, ze aan buitenstaanders door te geven, maar hij moest dan zwijgen over de uitzonderingspositie waarin ‘alle medewerkers’ van de raad, en natuurlijk ook zijn beide voorzitters en zijn leden, kwamen te verkeren en hij diende te onderstrepen dat de verantwoordelijkheid voor de deportaties niet bij de raad zou liggen, maar bij de Duitse autoriteiten: van hen, niet van de Joodse Raad, zouden de bevelen tot deportatie uitgaan.

Die bevelen kregen het karakter van een gedrukt formulier, afkomstig van de Zentralstelle met als adres: Adama van Scheltemaplein 1, Amsterdam. De Zentralstelle was daar gevestigd in het gebouw van de christelijke hbs, een instelling voor voortgezet onderwijs. Wie dat formulier uitgereikt zou krijgen (de namen en adressen zouden geschreven of getypt ingevuld worden), zou lezen dat hij of zij zich ‘voor eventuele deelname aan een, onder politietoezicht staande, werkverruiming in Duitsland voor persoonsonderzoek en geneeskundige keuring’ begeven moest ‘naar het doorgangskamp Westerbork, station Hooghalen.’ Hij of zij diende daartoe op een bepaalde datum en op een bepaald uur aanwezig te zijn op een verzamelplaats in Amsterdam (die eveneens apart ingevuld zou worden). Een ‘reisvergunning’ (Joden moesten voor elke reis een aparte vergunning hebben) en een ‘vervoerbiljet’ vormden een onderdeel van het deportatiebevel. Het bevel gaf ook nauwkeurig aan, wat men als reisbagage mocht meenemen; die bagage moest in tweeën gedeeld worden: ‘noodzakelijke reisbehoeften’ moest men bij de hand houden, maar de ‘grote bagage’, bijvoorbeeld beddegoed en ‘werklaarzen’, moest men in een koffer of rugzak doen, ‘welke op duidelijke wijze voorzien moet zijn van naam, voornamen, geboortedatum en het woord ‘Holland’.’ Kennelijk zou men die ‘grote bagage’ pas weer uitgereikt krijgen na aankomst in het werkkamp, niet in Westerbork. Voor de reis naar Westerbork en voor de (‘eventuele’) verdere reis moest men tenslotte ‘marsproviand voor drie dagen’ meenemen. Zo gaf het gehele deportatiebevel de indruk dat het inderdaad in het voornemen van de Duitsers lag, de betrokkenen naar werkkampen over te brengen.

In de herfst van ’41 had de leiding van de Joodse Raad in alle steden en overige plaatsen waar aanmerkelijke aantallen Joden woonden, vertegenwoordigingen benoemd: vertegenwoordigers in kleine plaatsen en in de steden hoofdvertegenwoordigers die door een commissie bijgestaan werden. Die hoofdvertegenwoordigers werden door de leiding van de Joodse Raad in Amsterdam in vergadering bijeengeroepen. Wij nemen aan dat die vergadering op woensdagochtend 1 juli gehouden werd – in Rotterdam vond althans op de middag van die dag een bijeenkomst plaats waar de hoofdvertegenwoordiger in Rotterdam, dr. H. Cohen (geen familielid van prof. Cohen), aan zijn commissie de mededelingen overbracht die hem in Amsterdam gedaan waren: in eerste instantie zouden alleen zij die jonger waren dan veertig jaar, moeten vertrekken, medewerkers van de Joodse Raad zouden in Nederland mogen blijven, de Joodse Raad zou de opgeroepenen helpen bij het invullen van de registratieformulieren. Er werd aan dr. Cohen een groot aantal vragen gesteld: wanneer zouden de eersten moeten vertrekken? hoeveel zouden dat zijn? was van die werkkampen in Duitsland iets naders bekend? ‘Een geest van gelatenheid’ overheerste in de bijeenkomst – tot het een van de aanwezigen, mr. M.J. Pool, te machtig werd. ‘Wordt het’, barstte hij los,

‘niet tijd (ik zou ook kunnen zeggen: het is eigenlijk nagenoeg, zo niet helemaal, te laat) om eindelijk eens één keer het woord neen tegenover de bezetting te laten horen? …. Het gaat er nu niet meer om, te overwegen hoe we deze nieuwe plannen zullen verzachten en de uitvoering rekken. Hier past alleen maar een antwoord dat de bezetting duidelijk maakt dat dit de druppel is die de beker doet overlopen … Moeilijk kan van ons verwacht worden dat wij zullen blijven helpen, een apparaat op te bouwen en te doen functioneren dat op niets anders is gericht dan onszelf ter slachtbank te leiden.’3

Niemand viel Pool bij.

Diezelfde woensdag, misschien al eerder, was het personeel van de Zentralstelle in Amsterdam begonnen met uit de kartotheek van de in Nederland woonachtige Joden die eind ’41 in opdracht van de Zentralstelle door medewerkers van de Joodse Raad opgebouwd was4, de kaarten te lichten van diegenen aan wie de eerste deportatiebevelen uitgereikt zouden worden.5 Men beperkte zich daarbij tot Amsterdam. Eichmanns bureau IV B 4 had uit Berlijn de instructie gezonden dat van 15 juli af regelmatig treinen om Joden naar Auschwitz te transporteren, van Westerbork moesten vertrekken, nl. van het stationnetje Hooghalen (er bestond nog geen aftakking naar het kamp Westerbork) – in eerste instantie wenste Berlijn dat vierduizend Joden Nederland zouden verlaten. De opzet was dat de betrokkenen thuis een oproep zouden ontvangen om zich bij de Zentralstelle te melden; daar zou men hun dan tegelijk het deportatiebevel uitreiken en de registratieformulieren waarop zij hun bezittingen moesten specificeren; die formulieren moesten vervolgens met hulp van de bureaus van de Joodse Raad ingevuld worden en weer ingeleverd bij de Zentralstelle; in de eerste deportatiebevelen zou het Centraal Station als ‘verzamelplaats’ aangegeven worden. Vandaar zouden in de nacht van 14 op 15 juli de eerste twee treinen (treinen van de Nederlandse Spoorwegen) naar Westerbork vertrekken en ter aansluiting op die treinen zou de Amsterdamse gemeentetram uit de wijken waar de meeste opgeroepenen woonden, extra-trams laten lopen, ook al weer in de nacht. Beide treinen zouden opnieuw naar Westerbork vertrekken in de nacht van 15 op 16, daarna in die van 18 op 19 juli. Drie transporten dus – zes treinen; zij zouden tezamen vierduizendtweehonderd personen kunnen vervoeren. IV B 4-Berlijn had om vierduizend gevraagd.

Voor die eerste drie transporten koos de Zentralstelle hoofdzakelijk Duitse Joden uit – het kan zijn dat zulks samenhing met Hitlers wens, in ons vorige deel vermeld, dat de Duitse Joden als eersten gedeporteerd zouden worden. De Zentralstelle nam daarbij de leeftijdsgrens van veertig jaar in acht, maar aan de toezegging dat het gezinsverband gehandhaafd zou blijven, hield zij zich niet: zij lichtte de kaarten van een aantal jongeren van vijftien tot achttien jaar die zonder hun ouders zouden moeten vertrekken. Van de namen en adressen der geselecteerden werden lijsten opgesteld. Die lijsten gingen mèt de nodige exemplaren van de oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, en van de deportatiebevelen via de Expositur (het verbindingsbureau tussen de Zentralstelle en de Joodse Raad dat door dr. Edwin Sluzker geleid werd) naar het hoofdbureau van de Joodse Raad toe. Daar kreeg men de gelegenheid, na te gaan of zich onder de geselecteerden medewerkers van de raad bevonden – die mocht men, nadat er via de Expositur verlof toe verleend was, van de lijsten schrappen. Van de overigen werden door typistes van de Joodse Raad de namen en adressen op de voor hen bestemde stukken getypt, vervolgens werd al het materiaal weer naar de Zentralstelle terug vervoerd en daar gingen op zaterdag 4 juli de eerste duizend oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, de deur uit; zij werden aangetekend verzonden en op zondagmorgen 5 juli door de Nederlandse posterijen rondgebracht.

Het sprak vanzelf dat elke oproep in het betrokken gezin en in een wijde kring daaromheen als een verpletterende slag aankwam. Aan de in Amsterdam woonachtige Duitse Joden werd daarbij spoedig duidelijk dat de meeste oproepen tot leden van hùn groep gericht waren. Dat was een bevestiging van de toch al bij hen gewekte indruk dat de uitsluitend uit Nederlandse Joden bestaande Joodse Raad de neiging had, met de belangen van de Duitse Joden geen rekening te houden: was het soms de bedoeling van de Joodse Raad, alle Duitse Joden voor de wolven te gooien om de Nederlandse te redden? Cohen en Asscher werden met felle verwijten overstelpt. Zij vingen ze op door goed te vinden dat een Duitse emigrant, de bijna zeventigjarige prof. dr. Max Brahn, namens alle niet-Nederlandse Joden de vergaderingen van de Joodse Raad, zonder stemrecht overigens, zou bijwonen – ‘dit niet alleen opdat hij’, zei Asscher op 9 juli in de eerste vergadering waar Brahn aanwezig was, ‘geheel op de hoogte zal kunnen zijn, maar ook daar de Joodse Raad wil tonen, de kop in te willen drukken aan animositeiten die bij enkelen in hun nervositeit te voorschijn komen.’ (Applaus)6

Die nervositeit was maar al te begrijpelijk, vooral bij diegenen die de oproep, zich bij de Zentralstelle te melden, ontvangen hadden. Wat moesten zij doen? Aan de oproep gevolg geven of hem negéren? Aansporingen in de richting van dat laatste gingen van de Joodse Raad niet uit, maar zoveel te meer van anderen. Misschien, zei men, zou het beloofde Tweede Front volgende week of volgende maand al een feit zijn! Konden de opgeroepenen zich dan niet beter een korte tijd schuil houden? Maar waar en bij wie? En welke risico’s zouden daaruit voortvloeien? Joden moesten ’s avonds na acht uur elk in hun eigen woning aanwezig zijn. Wat moest men doen met het persoonsbewijs waarin zich een duidelijke zwarte J bevond? Wat met de Jodenster die men buitenshuis steeds moest dragen? Ouderen die opgeroepen waren, worstelden met die vragen – jongeren vaak niet minder. Op 10 juli vond in het Joods Lyceum te Amsterdam de jaarlijkse promotieplechtigheid plaats. Na de uitreiking van de diploma’s kreeg, aldus Presser (die als geschiedenisleraar aanwezig was),

‘een meisje uit de hoogste klas, dat pas een uitstekend eindexamen had afgelegd, verlof …, de dames en heren leraren om raad te vragen. Zij en haar zusje, ook op die school, hadden de oproep ontvangen, een paar dagen later naar Duitsland te gaan.7 Welnu: wat moesten ze doen? Daar stond dat meisje, zeventien jaar, met haar einddiploma vol achten en negens, helemaal alleen, onbeschermd, maar rechtop voor de groene tafel waarachter haar leraren zaten … ‘Dames en heren, zegt u ons toch asjeblieft wat we doen moeten.’ Een enkele onzer8 reageerde onmiddellijk: ‘Niet gaan!’ Een ander stemde er mee in, nog een, nog een. De anderen zwegen, weer iemand boog het hoofd. Niemand kon ze werkelijk helpen.’9

Velen waren er die zich, ongeacht de lastgevingen van de Zentralstelle en de bemoeienissen van de Joodse Raad, op het standpunt stelden dat zij uit zichzelf geen stap zouden zetten om hun deportatie te vergemakkelijken. Reeds enkele dagen na de verzending van de eerste duizend oproepen (die eerste duizend werden spoedig door ruim drieduizend andere gevolgd), was het aan Aus der Fünten en zijn directe chef Lages duidelijk dat hun systeem dreigde spaak te lopen: de aangetekende oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, waren de deur uitgegaan en velen reageerden daar niet op. De eerste maatregel welke de Zentralstelle daarop nam, was, de oproepen niet langer via de posterijen te verzenden maar ze, ter intimidatie, te laten afgeven door agenten van de Amsterdamse gemeentepolitie. Dat geschiedde voor het eerst in de middag van zondag 12 juli. Allen aan wie die oproepen uitgereikt werden, moesten zich de volgende dag, maandag 13 juli, bij de Zentralstelle vervoegen. En wéér bleven velen weg. Dus werd (wij vermoeden: na overleg met het Reichskommissariat) besloten, reeds de volgende dag, dinsdag 14 juli, op dat weerbarstige Amsterdamse Jodendom de krachtigst mogelijke vorm van pressie toe te passen: een razzia die verbonden zou worden met de aankondiging dat diegenen die men zou arresteren, naar het beruchte vernietigingskamp Mauthausen overgebracht zouden worden indien allen die tot dusver bij de Zentralstelle weggebleven waren, zich niet alsnog zouden melden om er hun deportatiebevel in ontvangst te nemen; vertrouwd werd dat razzia en dreigement tevens zouden waarborgen dat met de eerste treinen die in de nacht van dinsdag 14 op woensdag 15 juli het Centraal Station zouden verlaten, inderdaad ongeveer veertienhonderd Joden naar Westerbork zouden vertrekken.

Het in Amsterdam gelegerde bataljon van de Ordnungspolizei werd gealarmeerd. Om acht uur ’s morgens werd de razzia ingezet: in de Jodenhoek en in delen van Amsterdam-zuid. Overvalwagens kwamen er aanrijden, de mannen in hun groen uniform sprongen er uit, zetten straten af en dreven de Joden die er woonden of die er toevallig liepen, bijeen. ‘Jonge kerels’, aldus Vrij Nederland, ‘vluchtten in doodsangst over de daken … Mannen werden van hun vrouwen gescheiden, kinderen van hun moeders.’10 Volgens Het Parool werden in de Jodenhoek enkele Grünen door Joden die zich verzetten, in het water gesmeten, maar

‘ook Joden, vooral vrouwen en meisjes, sprongen in paniek of bij pogingen om tussen de Duitse cordons uit te komen, in de grachten, waarbij burgers die deze drenkelingen wilden redden, zich door de Duitse politie verschillende malen met de vuurwapenen zagen bedreigd. Op andere plaatsen weigerden de Joden zich vrijwillig naar buiten te begeven en lieten zij zich letterlijk uit de huizen sleuren.’11

Zeven Joden raakten die ochtend ernstig gewond. De overigen moesten zich in stoeten opstellen. De stoet uit de Jodenhoek trok eerst onder zware bewaking naar het Koloniaal Instituut in Amsterdam-oost12 waarin de Ordnungspolizei gelegerd was, vervolgens vandaar naar de Zentralstelle; de stoeten uit zuid werden rechtstreeks daarheen gevoerd. Dr. J. Hemelrijk, ex-conrector van het Gymnasium te Alkmaar, nadien leraar aan het Joods Lyceum te Amsterdam totdat hij na lange tweestrijd geweigerd had, de Jodenster te dragen, zag een van die stoeten:

‘Over de brug kwamen ze aan, mij tegemoet, onzeker lopend, als waren ze licht beschonken; een groep mensen, zomaar bijeen geraapt van straat en huis. Nette landverhuizers zonder bagage. Nog begreep ik niet wat voor gruweldaad daar werd bedreven. Ze kwamen dichterbij en plotseling zag ik een bekend gezicht: vooraan liep mijn collega van het Joods lyceum, dr. Presser, en aan zijn armen liepen, als door een duizeling bevangen, twee vrouwen. Nauwelijks herkende hij mij, terwijl ik argeloos op hem toe wilde stappen, of driftig wenkte hij mij met zijn duim terzijde om me te waarschuwen (want ik liep zonder ster) en zijn blik duidde fel naar achteren. Ik hield mijn pas en adem in en zag de bleek-vertrokken en verstarde gezichten van meisjes, vrouwen en ook mannen.

Plotseling sloeg de werkelijkheid me met verbijstering en woede, toen ik naast de ontstelde mensengroep en ook er achter de cynische tronies zag van enkele als heer verklede dienders. Het was me alsof een wilde schreeuw zich wou losscheuren uit mijn keel, toen ik stilstaande het menselijk offervee voorbij liet gaan. Daarna, als uit een verdoving ontwakend, zag ik van alle kanten zulke groepen mensen aankomen, voortgedreven op eendere manier naar de Euterpestraat, naar het ommuurde plein van het schoolgebouw. Magnetisch werd ik meegetrokken en keek door een spleet van de zijpoort. Daar zag ik een ontroerend mooi meisje van ongeveer 16 jaar, dat handenwringend in haar wanhoop rechtop en naar me toegekeerd juist midden op het plein stond, haar betraande ogen in een van smart verwrongen gezicht doelloos omhoog en in de verte richtend te midden van een onbeschrijfelijke ellende om haar heen. Toen ik me tandeknarsend omdraaide, keek ik in de flitsende ogen van een bejaard dametje, dat zei, alsof ze bijtend gif wou spugen: ‘Wat een gespuis, meneer!’ ’13

Van de bijeengedreven Joden werd in de Zentralstelle nagegaan of ieder wel de Jodenster droeg en of die ster stevig vastgenaaid zat. Enkele tientallen bij wie dat niet het geval bleek te zijn, werden apart gezet om als strafgevallen naar het concentratiekamp Amersfoort gevoerd te worden. Hetzelfde gebeurde met enkele niet-Joden die tegen het barbaarse optreden van de Ordnungspolizei geprotesteerd hadden en die aan de stoeten der slachtoffers toegevoegd waren. In totaal kreeg de Ordnungspolizei bijna driehonderd Joodse mannen en ruim tweehonderdveertig Joodse vrouwen in handen. Zij werden die dinsdag overdag op de binnenplaats van het gebouw van de Zentralstelle vastgehouden; de vrouwen werden in het midden opgesteld, de mannen moesten er urenlang omheen marcheren. ‘Uit de ramen’, aldus Presser, ‘hingen vrouwelijke employé’s van de Duitsers, maakten kiekjes voor de Heimat en amuseerden zich blijkens hun geschreeuw en gelach kostelijk.’14

In het begin van de middag werden Cohen en Asscher naar de Zentralstelle geroepen. Zij betoogden er dat men in elk geval allen die staflid van de Joodse Raad waren, diende los te laten. Het waren er ruim dertig. Zij herkregen meteen hun vrijheid. Van de voorzitters van de Joodse Raad werd vervolgens geëist dat zij het bericht van de razzia en het er aan vastgekoppelde dreigement aan de gehele Joodse bevolking van Amsterdam zouden doorgeven. Cohen en Asscher verklaarden zich daartoe bereid. De tekst voor een ‘extra-editie’ van Het Joodse Weekblad werd opgesteld waarin zij zouden bekendmaken:

‘De Sicherheitspolizei deelt ons het volgende mede: Ongeveer zevenhonderd Joden zijn heden te Amsterdam gearresteerd. Als deze week niet de vierduizend daartoe aangewezen Joden naar de werkkampen in Duitsland vertrekken, zullen de zevenhonderd arrestanten naar een concentratiekamp in Duitsland worden overgebracht’ –

aan welk concentratiekamp daarbij werd gedacht (Mauthausen), werd bekend verondersteld en de Zentralstelle had er geen bezwaar tegen gehad, het aantal der opgepakten iets te hoog aan te geven.

Van de Zentralstelle begaven Cohen en Asscher zich naar het hoofdbureau van de Joodse Raad. De raad werd er in spoedvergadering bijeengeroepen. ‘Ons is’, aldus, volgens de notulen, Cohen en Asscher,

‘in het belang van de gearresteerde gijzelaars dringend verzocht, onze medewerking te verlenen om de aangewezenen voor Duitsland over te halen, inderdaad te vertrekken. De voorzitters menen voorts, dat een beroep moet worden gedaan op de aanwezige leden, zoveel als in hun macht is, de gemoederen te trachten te kalmeren.’

Hoe kon de Joodse Raad die ‘medewerking verlenen’? Hierover vond een ‘uitvoerige bespreking’ plaats waarvan de slotsom was dat bij de vierduizend die naar Westerbork moesten vertrekken, nog diezelfde dag door boodschappers van de Joodse Raad een circulaire rondgebracht zou worden waarin ‘de voorzitters van de Joodse Raad’ de tekst van de bekendmaking in Het Joodse Weekblad zouden herhalen maar er ook nog één (door Cohen geformuleerde) passage aan zouden toevoegen: ‘Wij voelen ons verplicht, u te wijzen op de ernst dezer waarschuwing. Overweegt haar goed. Zij betreft het lot van zevenhonderd uwer mede-Joden.’15 De lezer ziet: er werd hierin niet expliciet op aangedrongen dat de vierduizend zich naar het Centraal Station zouden begeven – impliciet natuurlijk wèl.

In de gezinnen waar men de extra-editie van Het Joodse Weekblad en de circulaire van de Joodse Raad ontvangen had, vonden vaak vertwijfelde discussies plaats, speciaal ook in de gezinnen van jongeren die zonder hun ouders zouden moeten vertrekken. Verscheidenen van die jongeren hadden vernomen dat, als zij niet kwamen opdagen, hun ouders naar Mauthausen gezonden zouden worden. ‘Ik heb’, aldus Hemelrijk,

‘bij enkele meisjes aan huis de wanhopige besprekingen meegemaakt en ging geslagen weer weg, omdat ik geen uitkomst wist. ‘Niet gaan!’ was mijn dringende raad. ‘En dan?’ was de radeloze vraag van de radeloze ouders. De meesten gingen dan ook’16

gingen, na een hartverscheurend afscheid, het pikdonker in; gingen naar de tram of liepen, een rugzak op, een koffer in de hand, dwars door de verduisterde stad naar het Centraal Station. En stapten in de gereedstaande trein.

In de nacht van 14 op 15 juli was in de twee treinen van de Nederlandse Spoorwegen plaats voor veertienhonderd personen. Veertienhonderd waren opgeroepen – negenhonderdtwee-en-zestig verschenen: van elke drie opgeroepenen had dus één het deportatiebevel naast zich neergelegd. In de nacht die volgde, die van 15 op 16 juli, was het resultaat voor de Zentralstelle nòg teleurstellender: van de veertienhonderd meldden zich nog geen zeshonderd bij het Centraal Station. Intussen hadden zich evenwel van diegenen die in de nacht van 18 op 19 juli moesten vertrekken, zovelen bij de Zentralstelle vervoegd om hun deportatiebevel in ontvangst te nemen, dat de ruim vijfhonderd slachtoffers van de razzia van 14 juli, de strafgevallen uitgezonderd, in de ochtend van de 16de vrijgelaten werden, onder hen Presser en zijn jonge vrouw. De mannen hadden twee nachten moeten doorbrengen, liggend in de gangen van de Zentralstelle, de vrouwen in de kelder annex fietsenbergplaats. De Joodse Raad had hen van eten mogen voorzien.

Protesten

Op de aankondiging der deportaties was door de illegale bladen met felheid gereageerd. ‘Men bedenke’, schreef Het Parool,

‘wat te gebeuren staat. Ruim honderdduizend Nederlanders, aanvankelijk misschien alleen de mannen, maar daarna ook grijsaards, vrouwen en kinderen, Nederlanders als wij allen …, zullen aanstonds als vee worden weggevoerd om in een ontredderde omgeving te worden opgesloten in kampen waar geen menswaardig bestaan meer mogelijk is …. Hoon en schande zullen ons deel zijn als wij dit alles zouden toestaan.’17

De Vonk riep tot staking op, De Oranjekrant (een illegaal blad dat sinds begin ’42 door de journalist Johan H. Doorn uitgegeven werd) betoogde dat men ‘een volkomen chaos op administratief gebied’ moest laten ontstaan: ‘Steek de gemeentehuizen in brand, leg de bevolkingsregisters in de as!’18 Door de beeldhouwer Gerrit van der Veen, die zich zo geweerd had in het kunstenaarsverzet, werd een ‘Manifest bij de wederinvoering der slavernij’ opgesteld dat o.m. in De Waarheid gepubliceerd werd. Daarin werd op de politie een beroep gedaan, gegeven opdrachten slechts in schijn uit te voeren: ‘Weet dat van elke man, van elke vrouw, van elk kind, die gij aanbrengt, gij ook de moordenaar zoudt zijn! Spoorwegpersoneel, machinisten, bedenkt dat iedere trein die geladen met slaven door u vervoerd wordt, ter slachtbank gaat!!19 De socialistische leider Koos Vorrink en de hoofdredacteur van Vrij Nederland H.M. van Randwijk stelden samen een illegaal pamflet op waarin zij meedeelden dat van de nacht van 14 op 15 juli af telkens twaalfhonderd Joden Amsterdam zouden moeten verlaten. ‘Wij verwachten’, schreven zij, ‘dat secretarissen-generaal, burgemeesters, hogere ambtenaren hun ambt in de waagschaal zullen werpen en zullen weigeren om nog langer met de Duitse bezetting samen te werken.’ Vorrink en van Randwijk riepen voorts een ieder op, een brief te sturen aan de Wehrmachtbefehlshaber, generaal Christiansen, waarin aan deze verzocht werd, zijn ‘invloed aan te wenden om de meedogenloze deportatiemaatregelen te voorkomen … Wij doen een beroep op u, in de naam van de gerechtigheid en de Christelijke naastenliefde, terwille van onze Joodse landgenoten, voor de toekomst van onze beide volken en van Europa.’20

De protesten en oproepen tot hulpverlening werden herhaald na de razzia van 14 juli en het vertrek van de eerste deportatietreinen. ‘Een levend deel van het Nederlandse volk is’, schreef De Vonk, ‘uit ons midden weggescheurd, zoals men honden naar het asyl brengt om gegast te worden.’21 De Waarheid riep zijn lezers op, de Joden aan onderduikadressen te helpen, maar achtte het overigens, ‘behoudens in noodgevallen’, onjuist indien men adressen die voor het herbergen van illegale werkers gebruikt werden, aan Joden ter beschikking stelde: ‘onze Joodse landgenoten zijn het meest geholpen door de strijd die tegen onze en hunne vijanden wordt gevoerd.’22

Al in juli werd duidelijk dat deze en dergelijke oproepen, voorzover zij er op gericht waren, het apparaat van de Nederlandse overheid te beïnvloeden, geen succes hadden. ‘Wij willen er geen doekjes om winden’, schreef Vorrink in Verzet, het illegale blad dat hij was gaan uitgeven nadat hij de redactie van Het Parool verlaten had:

‘Tegenover de grootte van de verschrikkingen waarvan wij de stomme getuigen zijn, blijft ons volk beneden de maat. Hoe lang nog zullen Nederlandse ambtenaren … voortgaan met hand- en spandiensten te verlenen aan de beulen van ons volk? De heren secretarissen-generaal, vooraan de karakterloze individuen Frederiks en Hirschfeld, blijven op hun zetels zitten en geven aldus het minderwaardige voorbeeld aan de rest … Bedrijfsdirecteuren, rijks- en gemeente-ambtenaren van allerlei slag, politie en justitie, spoor- en tramwegpersoneel, zij voeren de bevelen van de vijand uit, zij houden punctueel de administratie bij van ons volksleven.’23

‘De gemoedstoestand der Joden’, aldus Slaet op den Trommele,

‘is hartverscheurend. De Joodse stadsdelen zijn van geween en gekerm vervuld … Maar de Nederlandse politie (thans door zijn superieuren wel ganselijk tot een groep gehuurde moordenaars gemaakt) verleende zijn medewerking tot deze gruwelen; en de hoge ambtenaren, de secretarissen-generaal voorop, staken de kop voor de zoveelste maal in het Haagse zand.’24

De kerken spraken.

Er lag, als steeds, aan dit spreken gemeenschappelijk beraad ten grondslag, gevoerd in het Convent der Kerken, dat zich sinds enige tijd als ‘Interkerkelijk Overleg’ aanduidde.25 Tot dit college dat in de zomer van ’40 door acht protestantse kerkgenootschappen gevormd was26 (een negende, de door ds. G.H. Kersten geleide Gereformeerde Gemeenten, was er in ’41 slechts korte tijd in vertegenwoordigd geweest), was eind ’41 ook de Rooms-Katholieke kerk toegetreden. Nu was er in mei en juni ’42 in dit Interkerkelijk Overleg overeenstemming over bereikt dat met het oog op de nieuwe, hoogst ernstige discriminerende maatregelen die de bezetter getroffen had (de invoering van de Jodenster, de voortgezette beroving der Joden, de beperking van hun bewegingsvrijheid) een nieuw adres tot de Reichskommissar gericht moest worden. Er werd hier al een concept voor opgesteld, o.m. door de vertegenwoordiger van het Episcopaat, mgr. F.A.H. van de Loo, en door een van de twee vertegenwoordigers van de Nederlandse Hervormde Kerk, prof. dr. H. Kraemer, toen het door Schmidts toespraak en de nadere berichten uit Amsterdam duidelijk werd dat iets nog veel ernstigers te geschieden stond: de deportatie van alle Joden. Op 10 juli kwam het Interkerkelijk Overleg in Den Haag bijeen; van de Loo en Kraemer stelden er voor, het nieuwe adres even te laten rusten maar onmiddellijk een protesttelegram te richten tot Reichskommissar Seyss-Inquart, tot de Generalkommissare Schmidt en Rauter en tot generaal Christiansen. Er werd een tekst opgesteld waarmee ook de Gereformeerde Gemeenten zich konden verenigen, en het gevolg was dat reeds één dag later, 11 juli, namens tien Nederlandse kerkgenootschappen (het hoogste aantal dat ooit een tot de bezetter gericht stuk ondertekend heeft) een telegram gezonden werd aan de genoemde Duitse autoriteiten, waarvan de tekst luidde:

‘De … Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitse rijksgebied en onderhorigheden. Het leed dat hiermede over duizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden, bovenal het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot u de dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot u bovendien nog ingegeven door de overweging, dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden.’27

Bij de verzending van dit telegram hadden de twee afgevaardigden der hervormden, prof. Kraemer en ds. H.J. Dijckmeester, waarnemend secretaris der Synode (de secretaris, ds. K.H.E. Gravemeyer, was begin mei in het kader van de eerste grote gijzelaarsactie gearresteerd), op eigen gezag gehandeld: zij hadden het kerkbestuur, de Algemene Synodale Commissie, niet geraadpleegd.

Het Interkerkelijk Overleg had op 10 juli nog méér besloten: op zondag 26 juli zou in alle kerken de tekst van het protesttelegram aan de Duitse autoriteiten voorgelezen worden en voorts zou op die zondag in alle diensten een speciaal gebed uitgesproken worden waaraan een zoveel mogelijk gelijkluidende inleiding zou voorafgaan; in die inleiding zou de tekst van het telegram opgenomen worden.

Het telegram leidde binnen het Reichskommissariat tot snel beraad. Generaal Christiansen nam daar persoonlijk niet aan deel: hij had het telegram dat hem bereikt had, aan Seyss-Inquart doorgezonden met de aantekening: ‘die Unterschriften’ (d.w.z.: de ondertekenaars) ‘auch gleich mit abführen.28 Een onzinnige opmerking! Alsof het niet Seyss-Inquarts opdracht was, openlijke strijd met de kerken uit de weg te gaan! De wenselijkheid daarvan was nog onderstreept door de gebeurtenissen die zich enkele maanden tevoren in bezet Noorwegen afgespeeld hadden: daar was de Lutherse bisschop van Oslo afgezet en als reactie daarop had de Lutherse kerk alle banden met de staat verbroken. Aan die Noorse kerkstrijd hadden Duitslands tegenstanders in hun propaganda veel aandacht besteed – een openlijk conflict met de Nederlandse kerken was het laatste wat Reichskommissar Seyss-Inquart en Generalkommissar Schmidt begeerden. Maar wat zouden de Nederlandse kerken op hun telegram laten volgen? Op 15 juli zou het eerste deportatietransport Amsterdam verlaten en daarna zou het tot nieuwe transporten komen, maandenlang. Wat, als de kerken in het voetspoor van de illegale pers (de voornaamste artikelen werden door de Sicherheitsdienst in vertaling aan het Reichskommissariat voorgelegd) de burgerlijke ongehoorzaamheid zouden gaan prediken of van de kansels af de gelovigen zouden oproepen, hun woningen open te stellen voor Joodse onderduikers? Was dat alles te voorkomen? Inderdaad, Seyss-Inquart en Schmidt meenden dat de slotzin uit het telegram van het Interkerkelijk Overleg, die betrekking had op ‘de Christenen onder de Joden’, hun de gelegenheid bood, een zekere greep op de kerken te krijgen: werden de Christen-Joden voorlopig van deportatie uitgezonderd, dan zouden de kerken het gevoel hebben, iets positiefs bereikt te hebben, en Seyss-Inquart en Schmidt koesterden de hoop dat zij dan feitelijk verzet van de zijde der kerken tegen de deportatie van de overige Joden konden tegengaan met het dreigement dat, als de kerken zich niet onmiddellijk intoomden, aan de uitzonderingspositie der Christen-Joden een einde zou worden gemaakt. Die uitzonderingspositie werd door hen als tijdelijk gezien. Het punt kwam op de eerstvolgende Chefsitzung (vrijdag 17 juli) ter sprake. Seyss-Inquart, door Rauter onder druk gezet, gaf daar als zijn opvatting weer, ‘dass nachdem alle anderen Juden abgeschoben sein werden, bei nächstbester Gelegenheit, die politisch passt, auch die letzten ‘christlichen’ Juden nach dem Osten verpflanzt werden sollten’. Rauter, aldus Seyss-Inquart, moest zijn beleid niet verkeerd begrijpen: ‘Wenn er, der Reichskommissar … durch dieses Entgegenkommen die christlichen Kirchen aus Anlass der Evakuierung der niederländischen Juden zum Schweigen bringen könnte, wäre für ihn viel gewonnen’. Niet anders dacht Schmidt er over. Deze gaf een dag later aan Rauter de verzekering dat, wat hem betrof, alle Christen-Joden ‘letztlich auch abgeschoben werden können.’29 Over dat alles zou uiteraard jegens de vertegenwoordigers van de kerken gezwegen worden.


Hier eindigt het fragment. Het hoofdstuk loopt door in het boek.

Verschijnt 15 oktober 2026

Dan verkrijgbaar bij Apple Books, Kobo, bol en Amazon Kindle.

€ 4,99